4.15 Invulling van de minimalisatieverplichting

Home > Onderwerpen > Lucht, water, energie > NeR > Bijlagen Digitale NeR > 4.15 Invulling van de minimalisatieverplichting

4.15 Invulling van de minimalisatieverplichting

NeR

Inhoud pagina: 4.15 Invulling van de minimalisatieverplichting

Zoals aangegeven in §3.2.1 zijn er stoffen die zo (milieu)gevaarlijk zijn dat te allen tijde gestreefd moet worden naar nulemissie van deze stoffen. Dit is de minimalisatieverplichting. Conform het beleid moet de immissie van stoffen die onder de minimalisatieplicht vallen (MVP-stoffen) minimaal beneden het maximaal toelaatbaar risico (MTR) liggen. Daarbij moet gestreefd worden naar een zo laag mogelijke bijdrage aan de immissie.

Voorlopig wordt het verwaarloosbaar risico (VR, streefwaarde) als ondergrens gehanteerd, maar het bevoegd gezag kan altijd gemotiveerd afwijken (zie kamerbrief van 29 juni 2011 over voortgang beleid t.a.v. prioritaire stoffen). Het bevoegd gezag dient in dergelijke gevallen in de considerans aan te geven hoe gewaarborgd is dat de immissie wordt teruggebracht. Zie ook het kader in §3.2.1. Voor emissies van MVP-stoffen waarvan de uurvracht hoger is dan de grensmassastroom (GMS) geldt expliciet het stappenplan dat in deze paragraaf is uitgewerkt. Daarnaast geldt voor alle MVP-stoffen de verplichting tot het streven naar nulemissie2).

§4.15 is een uitwerking van de minimalisatieverplichting (MVP) zoals bedoeld in de paragrafen 2.3.7 en 3.2.1. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de MVP-stoffen en de procedure voor de invulling van de minimalisatieverplichting. Deze procedure is uitgewerkt in vijf stappen. Een stroomschema aan het einde van deze paragraaf vat de stappen samen.

Zie ook Beperkte immissietoets MVP-stoffen .

MVP-stoffen
De minimalisatieverplichting is van toepassing op alle stoffen die zijn ingedeeld in de klasse MVP1 , MVP 2 en ERS van de NeR.
Infomil biedt informatie aan het bevoegd gezag over de NeR. Recent is als onderdeel van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) het Stoffen Expertise Centrum (SEC) ingesteld. Het SEC heeft onder andere tot taak om het bevoegd gezag te informeren over risico’s van stoffen. InfoMil kan in haar loketfunctie (front office) voor het bevoegd gezag gebruik maken van de expertise van het SEC (back office). Het bevoegd gezag kan dus via InfoMil gebruik maken van de aanwezige expertise bij het SEC ten behoeve van zijn vergunningverlening met betrekking tot stoffen.

De onderzoeksgegevens van het SEC zijn publiek toegankelijk. Deze gegevens zijn te vinden op www.stoffen-risico.nl. U kunt hier informatie vinden over alle stoffen die op hun (ZEZ) eigenschappen zijn onderzocht.

Procedure
De invulling van de minimalisatieverplichting door het bedrijf verloopt in vijf stappen. De kern van de procedure is dat het bedrijf aangeeft welke geëmitteerde stoffen minimalisatieplichtig zijn of opgenomen zijn in één van de REACH-lijsten3), en inventariseert welke mogelijkheden openstaan voor vermijding of reductie van de emissie van MVP- en zez-stoffen. Daarnaast is het bedrijf verantwoordelijk voor de uitvoering van de immissietoets. De rol van het bevoegd gezag is dat deze de door het bedrijf aangeleverde gegevens toetst, een luchtkwaliteitsnorm vaststelt en, na overleg met het bedrijf, maatregelen of emissie-eisen in de vergunningvoorschriften opneemt. Bij de maatregelen moet expliciet rekening worden gehouden met de voorkeursvolgorde van de te nemen maatregelen:

  1. vermijden van de emissie, 
  2. reductie van de emissie.

Bij de inventarisatie van de mogelijkheden tot vermijding of reductie van de emissie wordt met diverse aspecten rekening gehouden. Dus worden zowel milieuhygiënische en economische aspecten als haalbaarheidsaspecten in kaart gebracht, om te komen tot een goede afweging.

In de vergunningverleningprocedure worden de vijf stappen doorlopen. In situaties waar het stappenplan voor het eerst wordt doorlopen, moeten de verschillende stappen uitgebreid worden uitgewerkt. Eens in de 5 jaar wordt het stappenplan opnieuw door het bedrijf doorlopen. Op deze wijze kunnen de nieuwste inzichten en ontwikkelingen in de stand der techniek gebruikt worden bij de bestrijding van emissie van stoffen die onder de minimalisatieverplichting vallen. Hierbij dient van de dan vigerende stoffenlijst en stofgegevens te worden uitgegaan.

Stap 1 Vaststellen van de emissiesituatie van het bedrijf
Het bedrijf dient bij het vooroverleg van de vergunningaanvraag informatie te overleggen waaruit blijkt (zie ook §2.3):

  • Welke stoffen geëmitteerd worden; 
  • Wat de emissieconcentratie en de gereinigde massastroom van de geëmitteerde stoffen is; 
  • Welke van de geëmitteerde stoffen zijn ingedeeld als MVP stoffen; 
  • Wat de bestaande situatie met betrekking tot emissiereductie is; 
  • Welke ontwikkelingen binnen het bedrijf van belang zijn voor de toekomstige emissiesituatie.

Bij het opstellen van de aanvraag, moeten stofgegevens zijn verzameld volgens de REACH-systematiek. De aanvrager moet nagaan of stoffen die gebruikt, geproduceerd of geëmitteerd worden, opgenomen zijn op de kandidatenlijst voor autorisatie, in bijlage XIV (autorisatieplichtige stoffen) of in bijlage XVII (stoffen waarvoor beperkende maatregelen gelden). Dit zijn zeer zorgwekkende stoffen. Stoffen die op deze lijsten voorkomen en volgens de aanvraag naar de lucht worden geëmitteerd, worden bij het vaststellen van emissiegrenswaarden behandeld als MVP-stoffen. Waar verder in dit hoofdstuk MVP-stof staat, moet worden gelezen “tevens de zeer zorgwekkende stoffen uit REACH die naar de lucht worden geëmitteerd”.
Indien mogelijk dient voor het vaststellen van de hoeveelheid van een geëmitteerde stof, gebruik gemaakt te worden van gestandaardiseerde meetmethoden. In de overige gevallen moet door middel van overleg tussen het bevoegd gezag en het bedrijf overeen gekomen worden welke methode moet worden toegepast. Het bedrijf is verantwoordelijk voor de juistheid van de aangeleverde gegevens.

Stap 2 Vooronderzoek
Het bedrijf dient een vooronderzoek uit te (laten) voeren naar de mogelijkheden tot het stopzetten of de reductie van de emissies van MVP-stoffen. Mogelijkheden ter voorkoming van de emissie moeten hierbij expliciet aan de orde komen. Het doel van het vooronderzoek is om een globaal overzicht te geven van technieken en mogelijkheden tot emissiereductie. Een dergelijk onderzoek kan ook voor een gehele bedrijfstak of branche uitgevoerd worden, indien de emissiesituatie van de individuele inrichtingen vergelijkbaar is. Voorwaarde is wel dat het onderzoek inzicht biedt in de meest recente inzichten en mogelijkheden van emissiereductie. De verantwoordelijkheid voor de juistheid en compleetheid van het vooronderzoek ligt bij het bedrijf.
In het vooronderzoek komen onder andere de volgende zaken aan de orde:

  • Een overzicht van mogelijkheden en technieken ter reductie van de emissie4).  Hierbij moet aandacht geschonken worden aan mogelijkheden: 
  • ter voorkoming van de emissie 
  • ter reductie van de emissie 
  • Het rendement van de techniek 
  • Validatie van de techniek (in hoeverre heeft deze zich in de praktijk bewezen?) 
  • Bedrijfszekerheid 
  • Kosten 
  • Kosteneffectiviteit 
  • Cross-media effects (verschuiving/afwenteling van de milieubelasting)

Op grond van artikel 9.3.3 van de Wet milieubeheer (Wm) is het verboden te handelen in strijd met de bepalingen over onder andere autorisatie of beperkende maatregelen van REACH. Op grond van artikel 8.9 van de Wm is het bevoegd gezag dan verplicht te zorgen dat er geen strijd met deze bepalingen ontstaat. Dit betekent dat de vergunning geen bepalingen mag bevatten die in strijd zijn met de autorisatieplicht en/of beperkende maatregelen.

Stap 3 Immissietoets
Vervolgens dient een immissietoets te worden uitgevoerd. In eerste instantie kan worden volstaan met een beperkte toets. Mocht uit deze beperkte toets een overschrijding van het acceptabele risico geconstateerd worden, dan dient een uitgebreide immissietoets te worden uitgevoerd.

Het verwachte immissieniveau van de MVP-stof(fen) in het leefmilieu (lucht, water en bodem) wordt hierin getoetst aan een wettelijke grenswaarde of een andere milieukwaliteitsnorm. Het bevoegd gezag stelt deze norm voor de lokale situatie vast. De immissie overschrijdt het MTR niet; er wordt gestreefd naar een zo laag mogelijke bijdrage aan de immissie. Voorlopig wordt het verwaarloosbaar risico (VR, streefwaarde) als ondergrens gehanteerd, maar het bevoegd gezag kan altijd gemotiveerd afwijken. Voor stoffen waarvoor geen MTR of streefwaarde beschikbaar is, vindt toetsing plaats aan een indicatieve milieukwaliteitsnorm (iMTR of iVR). Voor het afleiden hiervan heeft het RIVM een procedure opgesteld. Als voor een bepaalde stof geen milieukwaliteitsnorm beschikbaar is dan kan het Stoffenexpertisecentrum (SEC) van het RIVM worden gevraagd om voor een bepaalde stof een iMTR of iVR niveau af te leiden.

Toetsing aan een indicatief MTR of indicatief VR/SW dient met voorzichtigheid plaats te vinden. Indicatieve MTR- of VR/SW-waarden kunnen scherper zijn dan gedegen MTR- of VR-waarden. Indien indicatieve waarden overschreden worden, kan ook gekozen worden voor het afleiden van een gedegen MTR en VR/SW. Daarbij kunnen de stofgegevens die in het kader van de registratieplicht van REACH beschikbaar komen, een belangrijke rol spelen.

Indien het immissieniveau in de relevante milieucompartimenten lager is dan de milieukwaliteitsnorm, is emissie toegestaan tot ten hoogste de maximale emissieconcentratie zoals vastgelegd in de eisen die aan MVP-stoffen gesteld worden (zie §3.2.1.). Voor emissies van MVP-stoffen waarvan de emissievracht niet boven de geldende grensmassastroom uitkomt, wordt verondersteld dat het immissieniveau niet boven de milieukwaliteitsnorm uitkomt6). In dergelijke gevallen is emissie eveneens toegestaan, met dien verstande dat ook in deze gevallen blijvend gestreefd dient te worden naar een nulemissie. Dit houdt in dat ook voor deze gevallen een onderzoeksplicht bestaat7). Hierbij dient te worden opgemerkt dat bij toetsing aan de GMS de totale massastromen van alle MVP-stoffen bij elkaar opgeteld dienen te worden, conform §2.3.5, met dien verstande dat rekening gehouden dient te worden met emissieroutes en toxicologische werkingsmechanismen8).  
Als het verwachte immissieniveau in de relevante milieucompartimenten boven de milieukwaliteitsnorm uitkomt, dan heeft het bedrijf de mogelijkheid om in stap 3b (de uitgebreide immissietoets) op grond van nauwkeuriger methoden aan te geven of het verwachte immissieniveau onder de milieukwaliteitsnorm blijft. Mocht dit niet het geval zijn, dan moet de emissie worden aangepast.

3a Beperkte immissietoets
Het bedrijf voert de beperkte immissietoets uit. In eerste instantie wordt het verwachte immissieniveau dat hoort bij de algemene emissie-eis voor MVP-stoffen getoetst aan de milieukwaliteitsnorm. Indien dit immissieniveau hoger is dan de gehanteerde milieukwaliteitsnorm, dient getoetst te worden aan het verwachte immissieniveau dat hoort bij de werkelijke emissie.
Voor het vaststellen van het verwachte immissieniveau naar de lucht en de resultante secundaire immissie naar water en bodem heeft het RIVM een eenvoudige procedure ontwikkeld. Deze is te vinden op de pagina Beperkte immissietoets MVP-stoffen.

Zoals hierboven reeds opgemerkt kan, indien het immissieniveau in de beperkte immissietoets onder de milieukwaliteitsnorm blijft, de emissie vergund worden, tot ten hoogste de maximale emissieconcentratie geldend voor MVP-stoffen.

3b Uitgebreide immissietoets
Als uit de beperkte immissietoets blijkt dat het verwachte immissieniveau boven de milieukwaliteitsnorm uitkomt9), dient het bedrijf een uitgebreide immissietoets uit te voeren. Hiervoor kan het Nieuw Nationaal Model gebruikt worden voor de immissie naar de lucht, in combinatie met een multimedia model voor de resultante secundaire immissies naar water en bodem. In de uitgebreide immissietoets wordt een nauwkeuriger schatting of bepaling van het immissieniveau vergeleken met de milieukwaliteitsnorm. Indien geen streefwaarde beschikbaar is kan ook een betrouwbaar verwaarloosbaar risiconiveau worden afgeleid, conform de procedure die gehanteerd wordt in het kader van de Integrale Normstelling Stoffen. Deze uitgebreide immissietoets levert een nauwkeuriger risicoschatting op dan de beperkte immissietoets.
De door het RIVM opgestelde methode houdt geen rekening met de vracht van MVP-stoffen die vrijkomt als gevolg van diffuse emissies. Indien echter voldoende informatie beschikbaar is om de immissie van stoffen als gevolg van diffuse emissies mee te wegen in de immissietoets, dan dient het bevoegd gezag dit mee te nemen in zijn afweging.
In gevallen waarin een niet te verwaarlozen achtergrondniveau van antropogene oorsprong van een MVP-stof in het leefmilieu aanwezig is, dient het bevoegd gezag de hoogte van dit achtergrondniveau mee te laten wegen in de risicobeoordeling, daarbij de proportionaliteit van de situatie in acht nemend10)

Indien het immissieniveau in de uitgebreide immissietoets onder de milieukwaliteitsnorm blijft, kan de emissie vergund worden, tot ten hoogste de maximale emissieconcentratie geldend voor MVP-stoffen. Indien ook uit de uitgebreide immissietoets blijkt dat het immissieniveau boven de milieukwaliteitsnorm uitkomt is één van de volgende opties mogelijk: 

  1. het bedrijf geeft expliciet aan hoe het immissieniveau tot onder het vereiste niveau gebracht zal worden, of 
  2. het bevoegd gezag geeft in de milieuvergunning gemotiveerd aan waarom van de immissie-eis voor MVP-stoffen wordt afgeweken, of 
  3. de vergunning wordt geweigerd.

Stap 4 Implementatie en maatregelen
Op basis van het vooronderzoek (stap 2) en de immissietoets (stap 3) wordt in overleg tussen bevoegd gezag en het bedrijf bepaald op welke wijze de emissie gereduceerd gaat worden. Hierbij wordt een keuze gemaakt uit de beschikbare technieken (stap 4a). Indien er onvoldoende informatie beschikbaar is om een beslissing op te baseren, dan dienen afspraken gemaakt te worden over een vervolgonderzoek (stap 4b).

4a Keuze maatregel
Bij de keuze van de maatregel moet de voorkeursvolgorde van te nemen maatregelen expliciet worden meegenomen in de afweging: 

  1. vermijden van de emissie, en 
  2. reduceren van de emissie.

Met betrekking tot de kosten van de toe te passen maatregel geldt dat deze meer mogen bedragen dan standaard stand der techniek oplossingen. Dit geldt zowel voor de absolute kosten als de kosteneffectiviteit. Een duidelijke onderbouwing voor de keuze van de techniek wordt opgenomen in de considerans van de vergunning. Indien van toepassing komt hierbij de reden waarom het vermijden van de emissie niet als mogelijkheid is gekozen, expliciet aan de orde.

4b Vervolgonderzoek
In het vervolgtraject moet het bedrijf aangeven op welke manier verdere informatie over emissiereducerende of -vermijdende technieken worden gegenereerd. Een mogelijkheid is om dit te regelen via een vervolgonderzoek. Dit houdt in dat bedrijfsspecifiek onderzoek wordt verricht naar de ontwikkeling of verbetering van een techniek, proces of procesvoering. Ook het zoeken naar alternatieve productiemethoden door het bedrijf kan als een invulling worden gezien.
Een vervolgonderzoek kan ingevuld worden op de volgende manier:

  • Het opstellen van een onderzoeksplan.
    Het bedrijf stelt een onderzoeksplan op waarin wordt aangegeven op welke manier de informatie over emissiereducerende of –vermijdende technieken wordt vergaard. Bij een doorlopend en langdurig onderzoek dient het bevoegd gezag jaarlijks op de hoogte te worden gesteld van de bevindingen/vorderingen van het onderzoek.
  • Vastleggen van de tijdelijke situatie.
    Het bevoegd gezag moet aangeven hoe met de tijdelijke situatie wordt omgesprongen. Hierbij moet afgewogen worden of het nemen van tijdelijke maatregelen tot de mogelijkheden behoort.
  • Afspraken over termijnen.
    Het is belangrijk duidelijke afspraken over de (onderzoeks)termijnen te maken, en hier ook daadwerkelijk consequenties aan te verbinden met betrekking tot implementatie van de maatregelen. Per situatie dient vastgesteld te worden wat een adequate termijn is.

Stap 5 Onderzoeksverplichting en Periodieke herbeoordeling
De minimalisatieverplichting houdt in dat er een continu streven dient te bestaan naar vermindering/voorkoming van de emissie. Daarom moet voortdurend onderzocht worden hoe emissies van MVP-stoffen, inclusief emissies waarvan de uurvracht onder de GMS blijft, verder gereduceerd kunnen worden.
Verder dient elke vijf jaar het stappenschema voor alle geëmitteerde stoffen opnieuw te worden doorlopen. Van de geëmitteerde stoffen moet worden bepaald of ze in op de meest recente stoffenlijst voorkomen. Nieuwe informatie over de eigenschappen van de stoffen kan namelijk leiden tot een wijziging van de lijst met minimalisatieverplichte stoffen. Als er nieuwe inzichten en mogelijkheden (technisch of anderszins) zijn ontstaan dan dient het bestaande materiaal aangevuld te worden. Indien op grond van de nieuw verzamelde informatie noodzakelijk, dient de afweging van de toe te passen techniek opnieuw gemaakt te worden. Op basis van deze afweging kan een keuze van een nieuwe, betere techniek worden gemaakt.

Achtergrondinformatie
• Voortgangsrapportage Milieubeleid voor Nederlandse Prioritaire Stoffen, december 2006, te vinden op www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gevaarlijke-stoffen  
• Handreiking consequenties van REACH voor vergunningverlening, september 2008.
• Notitie consequenties van REACH voor vergunningverlening, mei 2008, te vinden op www.infomil.nl/stoffenbeleid
• De RIVM-documenten beperkte immissietoets en berekening iVR, te vinden op de pagina Beperkte immissietoets MVP-stoffen 
• De REACH-lijsten zijn toegankelijk gemaakt op de website van InfoMil
• Milieukwaliteitsnormen staan op www.stoffen-risico.nl.

1) De streefwaarde is in principe numeriek gelijk aan het verwaarloosbaar risico (VR), mits vastgesteld. Zie ook bijv. §2.4.1 van Stoffen en Normen, Overzicht van belangrijke stoffen en normen in het milieubeleid, Ministerie van VROM, 1999.

2) Dit betekent dat de onderzoeksverplichting dus ook geldt voor emissies waarvan de uurvracht onder de GMS blijft.

3) Het kan zijn dat de wijzigingen of aanvullingen in de REACH-lijsten nog niet in de NeR verwerkt zijn. Zie ook verder stap 1.

4) Voorbeelden van emissiebeperkende technieken zijn te vinden op de pagina Luchtemissie beperkende technieken .

5) Zie hetgeen in de inleiding van §4.15 is gesteld.

6) Maar zie ook hetgeen in de inleiding van §4.15 is gesteld.

7) Deze onderzoeksplicht is uitgewerkt in stap 5 van het stappenplan.

8) Het is bijvoorbeeld niet toxicologisch zinvol om massastromen van een zwaar metaal en een oplosmiddel te sommeren.

9) Zie hetgeen in de inleiding van §4.15 is gesteld.

10) Het betreft hier bijvoorbeeld achtergrondniveaus als gevolg van meerdere bronnen in dichte nabijheid, long-range transport, of diffuse emissies. In sommige gevallen zijn achtergrondniveaus van MVP-stoffen aanwezig die in de buurt van het MTR of streefwaarde voor de betreffende stoffen liggen. In dergelijke gevallen kan het zo zijn dat emissie van aanvullende hoeveelheden van de betreffende stof niet verantwoord is. Aan de andere kant kan vergelijking van achtergrondniveau en immissieniveau ook aanleiding zijn tot het beoordelen van een immissie als verwaarloosbaar. De uiteindelijke overweging en beslissing dient in de considerans te worden toegelicht.

digitale ner
 

Kenniscentrum InfoMil