4.17 De categorieën van de IPPC-richtlijn

Home > Onderwerpen > Klimaat, lucht, water > NeR > Bijlagen Digitale NeR > 4.17 De categorieën van de IPPC-richtlijn

4.17 De categorieën van de IPPC-richtlijn

NeR

Inhoud pagina: 4.17 De categorieën van de IPPC-richtlijn

 

Dit is de letterlijke tekst van Annex I van de IPPC-richtlijn (EG richtlijn nr. 96/61 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging [PbEG L 257]). Deze lijst geeft de industriële activiteiten die volgens artikel 1 onder de IPPC-richtlijn vallen.

Zie voor meest actuele en gecodificeerde versie van bijlage 1 de richtlijn op BBT, IPPC en BREFs .  

 

1. Deze richtlijn heeft geen betrekking op installaties of delen van installaties welke voor onderzoek, ontwikkeling en beproeving van nieuwe producten en procédés worden gebruikt.

2. De hieronder genoemde drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer een exploitant in dezelfde installatie of op dezelfde plaats verscheidene activiteiten van dezelfde rubriek verricht, worden de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld.

1. Energie-industrie

1.1. Stookinstallaties met een hoeveelheid vrijkomende warmte van meer dan 50 MW. (1)

1.2. Aardolie- en gasraffinaderijen.

1.3. Cokesfabrieken.

1.4. Installaties voor het vergassen en vloeibaar maken van steenkool.

2. Productie en verwerking van metalen

2.1. Installaties voor het roosten of sinteren van ertsen, met inbegrip van zwavelhoudend erts.

2.2. Installaties voor de productie van ijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van uitrusting voor continugieten met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur.

2.3. Installaties voor verwerking van ferrometalen door:

a. warmwalsen met een capaciteit van meer dan 20 ton ruwstaal per uur;

b. smeden met hamers met een slagarbeid van meer dan 50 kilojoule per hamer, wanneer een thermisch vermogen van meer dan 20 MW wordt gebruikt;

c. het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, met een verwerkingscapaciteit van meer dan 2 ton ruwstaal per uur.

2.4. Smelterijen van ferrometalen met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

2.5. Installaties:

a. voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procédés;

b. voor het smelten van non-ferrometalen, met inbegrip van legeringen, inclusief terugwinningsproducten (raffineren, vormgieten) met een smeltcapaciteit van meer dan 4 ton per dag voor lood en cadmium of 20 ton per dag voor alle andere metalen per dag.

2.6. Installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé, wanneer de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30 m³ bedraagt.

3. Minerale industrie

3.1. Installaties voor de productie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag, of van ongebluste kalk in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag, of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag.

3.2 Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten.

3.3 Installaties voor de fabricage van glas, met inbegrip van installaties voor de fabricage van glasvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

3.4. Installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

3.5 Installaties voor het fabriceren van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag, en/of een ovencapaciteit van meer dan 4 m³ en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m³.

4. Chemische industrie

Onder fabricage in de zin van de categorieën van activiteiten van deel 4 wordt verstaan de fabricage van de in 4.1 tot en met 4.6 genoemde stoffen of groepen van stoffen op industriële schaal door chemische omzetting.

4.1. Chemische installaties voor de fabricage van organisch-chemische basisproducten, zoals:

a. eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische),

b. zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters, acetaten, ethers, peroxyden, epoxyharsen,

c. zwavelhoudende koolwaterstoffen,

d. stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten,

e. fosforhoudende koolwaterstoffen,

f. halogeenhoudende koolwaterstoffen,

g. organometaalverbindingen,

h. kunststof-basisproducten (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels),

i. synthetische rubber,

j. kleurstoffen en pigmenten,

k. tensioactieve stoffen en tensiden.

4.2. chemische installaties voor de fabricage van anorganisch-chemische basisproducten, zoals:

a. van gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide, carbonyldichloride,

b. van zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur,

c. van basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide,

d. van zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcabonaat, natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat,

e. van niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide.

4.3. Chemische installaties voor de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen).

4.4. Chemische installaties voor de fabricage van basisproducten voor gewasbescherming en van biociden.

4.5. Installaties voor de fabricage van farmaceutische basisproducten die een chemisch of biologisch procédé gebruiken.

4.6. Chemische installaties voor de fabricage van explosieven.

5. Afvalbeheer

Onverminderd artikel 11 van Richtlijn 75/442/EEG en artikel 3 van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (2) :

5.1. Installaties voor de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de lijst van artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG in de zin van de bijlagen II A en II B (handelingen R1, R5, R6, R8 en R9) van Richtlijn 75/442/EEG en van Richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (3) met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag.

5.2. Installaties voor de verbranding van stedelijk afval in de zin van Richtlijn 89/369/EEG van de Raad van 8 juni 1989 ter voorkoming van door nieuwe installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging (4) en Richtlijn 89/429/EEG van de Raad van 21 juni 1989 ter vermindering van door bestaande installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging (5), met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur.

5.3. Installaties voor de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen in de zin van bijlage II A van Richtlijn 75/442/EEG, rubrieken D8, D9, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag.

5.4. Stortplaatsen die meer dan 10 ton per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.

6. Overige activiteiten

6.1. Industriële installaties voor:

a. de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen;

b. de fabricage van papier en karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

6.2. Installaties voor de voorbehandeling (wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.

6.3. Installaties voor het looien van huiden met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 ton eindproducten per dag.

6.4.

a) abattoirs met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag geslachte dieren;

b) bewerking en verwerking voor de fabricage van levensmiddelen op basis van:

- dierlijke grondstoffen (andere dan melk) met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag eindproducten;

- plantaardige grondstoffen met een productiecapaciteit van meer dan 300 ton per dag eindproducten (gemiddelde waarde op driemaandelijkse basis);

c) bewerking en verwerking van melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).

6.5. Installaties voor de destructie of verwerking van kadavers en dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.

6.6. Installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan:

- 40 000 plaatsen voor pluimvee;

- 2 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg); of

- 750 plaatsen voor zeugen.

6.7. Installaties voor de oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten, waarin organische oplosmiddelen worden gebruikt, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren, met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg oplosmiddel per uur, of meer dan 200 ton per jaar.

6.8. Installaties voor de fabricage van koolstof (harde gebrande steenkool) of elektrografiet door verbranding of grafitisering.

Voetnoten:

(1) De concrete vereisten van Richtlijn 88/609/EEG voor bestaande installaties blijven nog tot 31 december 2003 van kracht.
(2) PB nr. L 377 van 31. 12. 1991, blz. 20. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 94/31/EG (PB nr. L 168 van 2. 7. 1994, blz. 28).
(3) PB nr. L 194 van 25. 7. 1975, blz. 23. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG (PB nr. L 377 van 31. 12. 1991, blz. 48).
(4) PB nr. L 163 van 14. 6. 1989, blz. 32.
(5) PB nr. L 203 van 15. 7. 1989, blz. 50.

 

digitale ner
 

Kenniscentrum InfoMil