2.10 Totaal stof en fijn stof
NeR
Inhoud pagina: 2.10 Totaal stof en fijn stof
Totaal stof is de verzameling van al het zwevend stof, ongeacht de deeltjesgrootte. De in de NeR opgenomen emissie-eisen gelden voor totaal stof. Totaal stof wordt onderscheiden in grof stof en fijn stof.
Onder grof stof worden de vaste zwevende deeltjes verstaan die niet kunnen worden ingeademd. De effecten van grof stof bestaan vooral uit de hinder als gevolg van het neerslaan van stof in de leef- en woonomgeving.
Onder fijn stof worden zwevende deeltjes verstaan die bij bemonstering een op grootte selecterende instroomopening passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aërodynamische diameter van 10 μm. Vrij vertaald gaat het bij fijn stof om deeltjes met een aërodynamische diameter van ten hoogste 10 micron. Dit wordt ook wel aangeduid als PM10, wat staat voor ‘Particulate Matter, kleiner dan 10 micron'. Met name het fijn stof is relevant voor de volksgezondheid omdat de kleine stofdeeltjes bij inademing door de mens kunnen doordringen in de longen.
Een deel van de fijnstoffractie wordt gevormd door de PM2,5-fractie. Bij PM2,5 gaat het om de zwevende deeltjes die bij bemonstering een op grootte selecterende instroomopening passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aërodynamische diameter van 2,5 μm. Vrij vertaald gaat het hier om de fijne en ultrafijne deeltjes met een aërodynamische diameter van ten hoogste 2,5 micron.
In de praktijk wordt bij stofmetingen vaak totaal stof gemeten. Voor de nationale emissiecijfers is het echter van belang om te weten welk deel van de totaalstofemissie uit fijn stof bestaat. De database die is gekoppeld aan NTA 8029 (zie kader) geeft omrekenfactoren waarmee via totaalstofmetingen de emissievracht van PM10 en PM2,5 geschat kan worden. Verder kunnen bij afwezigheid van (betrouwbare) stofmetingen de emissiefactoren uit deze database gebruikt worden om toch een schatting van de emissievracht te krijgen.
Naast primair fijn stof, dat afkomstig is van directe fijnstofemissies, is er ook secundair fijn stof. Secundair fijn stof ontstaat als moleculen zoals stikstofoxiden (NOx) en zwaveldioxiden (SO2) zich verbinden met een derde stof zoals bijvoorbeeld ammoniak tot zouten. Deze kunnen zich ook aan primaire deeltjes hechten. De emissie-eis voor totaal stof geldt niet voor emissies van secundair fijn stof. Door maatregelen te nemen om onder andere de NOx en SO2 emissie te beperken, zal ook de emissies van secundair stof bestreden worden. Deze maatregelen maken daarmee ook deel uit van maatregelen ter vermindering van de concentratie fijn stof in de buitenlucht.
Actieplan fijn stof en industrie
Het ministerie van VROM, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) hebben op 12 juni 2008 afspraken gemaakt over vermindering van de uitstoot van fijn stof door de industrie. Het Actieplan fijn stof en industrie vormt een onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit (NSL), dat tot doel heeft te voldoen aan de europese luchtkwaliteitsnormen.
Centraal in het actieplan staat dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. Hiermee moet bereikt worden dat de uitstoot van fijn stof uit de industrie in ieder geval niet hoger is dan 11 kiloton in 2010, 10,5 kiloton in 2015 en 10 kiloton in 2020. Er zijn in het verleden al veel maatregelen getroffen in de industrie, door technieken te plaatsen die fijn stof uit schoorstenen reduceren. Onderdeel van de afspraken uit het Actieplan fijn stof en industrie is dat deze technieken op bredere schaal worden toegepast.
In de Wet Milieubeheer wordt gestreefd naar een hoog beschermingsniveau voor het milieu als geheel en toepassing van tenminste de best beschikbare technieken. Er kan een relatie zijn tussen reductie van fijn stof en andere milieu-onderwerpen, zoals klimaatbeleid, NOx, zware metalen, geluid, afval en emissies naar water.
| NTA 8029 In november 2008 is de Nederlands Technische Afspraak NTA 8029 'Bepaling en registratie van industriële fijn stofemissies' vastgesteld. Dit document beschrijft de methode voor het bepalen van de jaarlijkse emissievracht fijn stof (PM10 en PM2,5). Hiervoor zijn verschillende bepalingsmethoden mogelijk, afhankelijk van de beschikbare informatie bij het bedrijf. Aan de NTA 8029 is een database gekoppeld met emissiefactoren, omrekenfactoren en verwijderingsrendementen van nageschakelde technieken voor de bepaling van fijn stof. Het bepalen van de fijnstofemissies volgens de NTA is verplicht voor bedrijven die vallen onder de reikwijdte van de EG-verordening PRTR (European Pollutant Release Transfer Register). Bedrijven mogen afwijken van de in deze NTA beschreven werkwijzen als eigen methoden of werkwijzen tot een vergelijkbaar of kwalitatief beter resultaat leiden. Toepassing van de NTA kan leiden tot andere jaarvrachten dan in voorgaande jaren werden gerapporteerd. |
Deeltjes met elke vorm, dichtheid en structuur die onder de omstandigheden ter plaatse van het monsternemingspunt zwevend in de gasfase voorkomen. In overeenstemming met de Europese norm NEN-EN13284-I:2001 worden al die componenten beschouwd als stof (of vaste deeltjes) die na representatieve monsterneming van het te onderzoeken gas verzameld kunnen worden door filtratie onder de vastgelegde omstandigheden en die na drogen onder de vastgelegde omstandigheden achterblijven bovenstrooms van het filter en op het filter.

