2.9.1 Algemene aanpak
NeR
Inhoud pagina: 2.9.1 Algemene aanpak
De aanpak in de NeR voor het opstellen van vergunningvoorschriften voor het bestrijden van geurhinder is gebaseerd op de brief van de minister van VROM van 30 juni 1995. Met deze brief heeft de minister het geurbeleid in grote lijnen vastgelegd. Centraal staat een afwegingsproces dat gericht is op het vaststellen van het acceptabel hinderniveau.
Het acceptabel hinderniveau wordt per situatie vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan. Hieruit volgen voorschriften die in de vergunning van de inrichting worden vastgelegd. De essentie van het geurbeleid wordt in de brief als volgt omschreven: Het voorkomen van (nieuwe) hinder is het algemene uitgangspunt. Daarvan afgeleid is de volgende beleidslijn te geven:
- als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;
- als er wel hinder is, worden maatregelen op basis van het ALARA principe afgeleid;
- de mate van hinder kan onder andere worden bepaald via een belevingsonderzoek, hinderenquete, klachten-registratie etc. Voor bedrijven waarvoor een bijzondere regeling is opgesteld komt het hinderniveau in de bedrijfs-takstudie aan de orde;
- de mate van hinder die nog acceptabel is, wordt vastgesteld door het bevoegd bestuursorgaan.
Dit is een uitwerking van de doelstelling die in het Nationaal Milieubeleidsplan uit 1989 is vastgelegd: voor het jaar 2000 maximaal 750.000 stankbelaste woningen, hetgeen overeen komt met 12% gehinderden; voor het jaar 2010 geldt als doelstelling geen ernstige hinder.
In 2005 is de Wet milieubeheer aangepast en is het begrip BBT (Beste Beschikbare Technieken) geïntroduceerd en het begrip ALARA uit de Wm gehaald. Dat betekent dat bij het bestrijden van geurhinder voortaan de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast om een hoog beschermingsniveau te bereiken conform de Wet milieubeheer. Het begrip hoog beschermingsniveau uit de Wet milieubeheer is in de NeR voor geurhinder gelijk gesteld aan het acceptabel hinderniveau. Als hulpmiddel bij het bepalen van het acceptabele hinderniveau geeft de NeR de hindersystematiek (zie §3.6). Met behulp hiervan kan een situatie van geurhinder worden beoordeeld. Toepassen van de hindersystematiek leidt tot een specifieke afweging voor een individuele situatie. De hindersystematiek verwijst ook naar een aantal mogelijke onderzoeksmethoden. De initiatiefnemer geeft inzicht in de geursituatie als gevolg van het initiatief. Het uitgangspunt voor de beoordeling is de geursituatie en het proces volgens de Beste Beschikbare Technieken (BBT). Op basis hiervan worden de mogelijkheden beoordeeld om de hinder weg te nemen c.q. zoveel mogelijk te beperken. Bedrijven dienen zelf aan te geven welke emissiebeperkende maatregelen mogelijk zijn en welk effect daarvan mag worden verwacht. De vergunningverlener stelt het acceptabel hinderniveau vast. Hiertoe maakt ze een afweging op basis van de door het bedrijf voorgestelde geurbestrijdingsmaatregelen en de volgens de systematische aanpak verkregen gegevens over de geurbelasting in relatie tot de hinder. Indien met de voorgestelde BBT-maatregelen de hinder niet voldoende kan worden teruggebracht zullen verdergaande geurbestrijdingstechnieken toegepast moeten worden. Het niveau van hinder wat volgens deze aanpak is vastgesteld is het acceptabel hinderniveau. Wanneer voor een bepaalde bedrijfstak een Bijzondere Regeling in de NeR is opgenomen dan moet deze volgens de hindersystematiek worden meegenomen in de afweging.
De hoeveelheid geur in de leefomgeving wordt weergegeven als een geurbelasting. Dit is een geurconcentratie uitgedrukt in Europese odour units per kubieke meter lucht bij een bepaalde percentielwaarde (ouE/m3 als x-percentiel). Uit onderzoek is gebleken dat geuren een verschillende dosis-effectrelatie (de relatie tussen de geurbelasting en het percentage geurgehinderden) kunnen hebben. Dit wordt o.a. toegeschreven aan de aard van de geur (de hedonische waarde). Met andere woorden: de hinder die mensen ervaren bij de ene geur kan bij gelijke geurbelasting verschillen van de hinder die mensen ervaren bij een andere geur. Er bestaat dus niet één universele dosis-effect relatie die van toepassing is op alle geuren. Het bevoegd gezag zal daarom bij het vaststellen van het acceptabel hinderniveau inzicht dienen te hebben in de specifieke geursituatie.
Bij geurhinder gaat het veelal om (zeer) lage concentraties van stoffen in de leefomgeving. De vereiste mate van bestrijding is met name afhankelijk van de ondervonden hinder. De ondervonden hinder hangt af van uiteenlopende factoren, die stof-, tijd-, plaats- en persoonsgebonden kunnen zijn. Hiervan zijn blootstellingsduur en blootstellingsfrequentie, intensiteit en hedonische waarde de belangrijkste. Geurhinder op zich zegt overigens niets over mogelijke toxiciteit van de emissies.
Het is van belang te onderkennen dat storingen en incidenten een belangrijke oorzaak kunnen zijn van geurhinder. Incidenten en storingen dienen door een goede bedrijfsvoering en good housekeeping maatregelen voorkomen te worden.
| Odour units (ou E ) en geureenheden (ge) Geurconcentraties worden in laboratoria volgens de NEN-EN 13725 gemeten in Europese odour units ofwel ouE/m3. In het verleden werden in Nederland geurconcentraties uitgedrukt in geureenheden ge/m3. Tussen deze twee grootheden geldt een vaste verhouding: 1 ouE/m3 = 2 ge/m3 |

