3.2.1 Stoffen met een minimalisatieverplichting

Home > Onderwerpen > Klimaat, lucht, water > NeR > Digitale NeR > 3. Eisen en Emissiebeperking > 3.2 Algemene emissie-eisen > 3.2.1 Stoffen met een minimalisatieverplichting

3.2.1 Stoffen met een minimalisatieverplichting

NeR

Inhoud pagina: 3.2.1 Stoffen met een minimalisatieverplichting

Sommige stoffen zijn dermate (milieu) gevaarlijk dat hun emissies nul zouden moeten zijn. Voor de procesemissies van dergelijke stoffen geldt dat het streven op nulemissie moet zijn gericht, dit wordt aangeduid als de minimalisatieverplichting (zie §2.3.7). De minimalisatieverplichting geldt voor alle stoffen die kunnen vrijkomen naar de lucht en die zijn ingedeeld in de categorie ‘extreem risicovolle stoffen’ en de minimalisatieverplichting geldt voor alle stoffen die zijn ingedeeld in de categorie MVP 1 en MVP 2 (zie het overzicht van alle ingedeelde stoffen in bijlage 4.5).

Klasse extreem risicovolle stoffen
Een stof wordt op basis van extreme toxiciteit, persistentie en bioaccumulatiegedrag gerekend tot de categorie extreem risicovolle stoffen (ERS), zie tabel. Voor extreem risicovolle stoffen geldt dat moet worden gestreefd naar een nulemissie. Op deze stoffen is de minimalisatieverplichting van toepassing. Bij een emissievracht van meer dan 20 mg per jaar geldt een emissie-eis van 0,1 nanogram teq /mo3.


Extreem risicovolle stoffen
  • Polybroomdibenzodioxines
  • Polybroomdibenzofuranen
  • Polychloorbifenylen (PCB)
  • Polychloordibenzodioxines (PCDD)
  • Polychloordibenzofuranen (PCDF)
  • Polyhalogeen-dibenzodioxines
  • Polyhalogeen-dibenzofuranen
  • Hexadecafluorheptaan

Stoffen met minimalisatieverplichting klasse MVP 1 en MVP 2
Voor stoffen met minimalisatieverplichting geldt een grensmassastroom. Als deze wordt overschreden kunnen de eisen aan de emissie van minimalisatieverplichte stoffen worden vastgesteld volgens het hierna beschreven stappenplan.

De invulling van de minimalisatieverplichting verloopt in 5 stappen. De kern van de procedure is dat op basis van de gegevens over het bedrijf wordt geïnventariseerd welke mogelijkheden open staan voor vermijding of reductie van de emissie van minimalisatieverplichte stoffen. Hierbij moet expliciet rekening worden gehouden met de voorkeursvolgorde van de te nemen maatregelen: 1. vermijden van de emissie en 2. reductie van de emissie.

Bij vermijden van een emissie moet het streven in de eerste plaats zijn gericht op het vervangen van de minimalisatieverplichte stof door een minder schadelijke stof. Als dat niet mogelijk is komen aanpassingen aan het proces en de installatie in aanmerking.

Om de vijf jaar wordt het stappenschema opnieuw doorlopen met als doel om de nieuwste inzichten en ontwikkelingen in de stand der techniek in te zetten bij de bestrijding van emissie van stoffen die onder de minimalisatieverplichting vallen.

Beoordeling van minimalisatieverplichte stoffen
Voor het vaststellen van de stoffen die onder de minimalisatieverplichting vallen is onder meer uitgegaan van de Nederlandse prioritaire-stoffenlijst. Uit de lijst met prioritaire stoffen is een selectie gemaakt van de stoffen die onder de minimalisatieverplichting in de NeR vallen. Deze stoffen zijn opgenomen in deze paragraaf. De huidige Nederlandse prioritaire-stoffenlijst is opgenomen in de Rapportage Milieubeleid voor Nederlandse Prioritaire stoffen uit december 2006.
Deze beoordeling is gebaseerd op een afweging die in twee trajecten plaatsvindt. De uiteindelijke conclusie is het resultaat van beide sporen.

Het eerste spoor is het technische spoor: welke emissiereductie is haalbaar? Het andere spoor is het milieurisico: wanneer leidt een emissie niet meer tot ongewenste milieu- en gezondheidsrisico’s?
Het technische spoor leidt tot het vaststellen van emissie- niveaus. Deze niveaus komen in principe overeen met de emissie-eisen in de stofklassen MVP 1 en MVP 2.

Het tweede spoor is het milieuspoor. Dit houdt een kwalitatieve toetsing in van de gevolgen van de emissie voor de milieukwaliteit.
De immissie, oftewel de milieukwaliteit, die het gevolg is van de emissie van de MVP stof, wordt getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Voor stoffen waarvoor geen wettelijke grenswaarden zijn vastgesteld wordt getoetst aan een milieukwaliteitsnorm die door de interdepartementale stuurgroep stoffen is vastgesteld en is opgenomen op www.rivm.nl/rvs/.
Tot het jaar 2013 kan het bevoegd gezag het niveau van het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR) als milieukwaliteitsnorm hanteren. Vanaf 2013 en bij het beoordelen van nieuwe situaties dient het bevoegd gezag het niveau van het verwaarloosbaar risico (VR) (= streefwaarde; SW) te hanteren als milieukwaliteitsnorm. Indien voor de stof in kwestie geen waarde voor het niveau van het MTR of VR bekend is dient het bevoegd gezag een voorlopige waarde van het MTR of VR te laten bepalen . Een dergelijke geschatte waarde van het VR wordt in de NeR aangeduid als het indicatieve verwaarloosbaar risico, het iVR. Toetsing aan een indicatief MTR of indicatief VR/SW dient met voorzichtigheid plaats te vinden. Indicatieve MTR- of VR/SW-waarden kunnen scherper zijn dan gedegen MTR- of VR-waarden. Indien indicatieve waarden overschreden worden, kan ook gekozen worden voor het afleiden van een gedegen MTR en VR/SW. Daarbij kunnen de stofgegevens die in het kader van de registratieplicht van REACH beschikbaar komen, een belangrijke rol spelen.

Daarnaast kunnen stoffen die voor autorisatieplicht in aanmerking komen (kandidatenlijst voor autorisatie) of reeds vallen onder de autorisatieplicht (bijlage XIV van REACH) en waarvoor beperkende maatregelen gelden (bijlage XVII van REACH), in aanmerking komen voor de minimalisatieverplichting (zie ook hierover vermeldingen over REACH in hoofdstuk 1 en 2). De REACH-lijsten worden periodiek aangepast en aangevuld. Voor nieuwe stoffen wordt gekeken of ze naar de lucht worden geëmitteerd, en of ze in Nederland voorkomen. Als dat het geval is, worden stoffen uit de REACH-lijsten in de NeR ingedeeld in de MVP-categorie. In de periode tussen de publicatie van de nieuwe REACH-lijsten en de definitieve indeling als MVP-stof, is het aan de vergunningverlener om die afweging te maken. Het feit dat een stof op één van de REACH-lijsten voorkomt geeft aan dat de stof tot de categorie zeer zorgwekkend behoort. Dit betekent dat de emissie-eisen voor deze stoffen in verhouding moeten zijn met hun gevaarseigenschappen.

Als toepassing van de algemene emissie-eis leidt tot onderschrijding van de milieukwaliteitsnorm, dan kan de algemene eis voor de betreffende MVP stof worden voorgeschreven.
Als toepassing van de algemene emissie-eis leidt tot overschrijding van de milieukwaliteitsnorm, dan moet een lagere emissie-eis dan de algemene eis voor de betreffende MVP stof worden voorgeschreven, zodat wel wordt voldaan aan de beoogde milieukwaliteit.
Indien de vergunningaanvrager van oordeel is dat een hogere emissie dan de algemene eis voor de betreffende MVP-stof moet worden voorgeschreven dan moet een uitgebreide risico-analyse plaatsvinden, op grond waarvan blijkt dat het VR-niveau niet wordt overschreden.

Het stappenschema in het kort
Het stappenplan is nader uitgewerkt in bijlage 4.15: ‘Invulling van de minimalisatieverplichting’.

Stap 1: Vaststellen van de emissiesituatie van het bedrijf.
Het bedrijf levert gegevens aan over de stoffen die worden gebruikt, wat de emissiesituatie is en welke stoffen naar de lucht worden geëmitteerd. Het bedrijf maakt daarbij gebruik van stofgegevens die in het kader REACH beschikbaar zijn. Hierbij verstrekt het bedrijf de vergunningverlener tevens per emitterende MVP-stof of emitterende stof die op één van de 3 eerder genoemde REACH-lijsten staat een overzicht van stofeigenschappen, risico's en risicobeperkende maatregelen, welke gegevens onder meer in het kader van de REACH-registratie beschikbaar zijn of komen. Voor stoffen die niet geëmitteerd worden, maar die wel ontstaan als tussenstof of gebruikt worden, kan het bedrijf met een beperktere set stofinformatie volstaan. Tevens wordt bij de vergunningaanvraag aangegeven welke MVP stoffen vrijkomen en of de stoffen op één van de REACH-lijsten voorkomen. In de Handreiking consequenties van REACH voor de vergunningverlening is meer informatie opgenomen.

Stap 2: Vooronderzoek - inventariseren mogelijkheden.
De vergunningaanvrager maakt een overzicht van bestaande emissiereducerende en emissievermijdende technieken/maatregelen en mogelijkheden voor vervanging. Verschillende aspecten (milieuhygiënische, economische en haalbaarheids-) worden voor elke techniek kwalitatief in kaart gebracht. Op grond van artikel 9.3.3 van de Uitvoeringswet REACH (Stbld. 181, 2007) is het verboden te handelen in strijd met de bepalingen over onder andere autorisatie of beperkende maatregelen van REACH. Op grond van artikel 8.9 van de Wm is het bevoegd gezag dan verplicht te zorgen dat er geen strijd met deze bepalingen ontstaat. Dit betekent dat de vergunning geen bepalingen mag bevatten die in strijd zijn met de autorisatieplicht en/of beperkende maatregelen.

Stap 3a: Nader onderzoek – beperkte immissietoets.
De vergunningaanvrager stelt een kwalitatieve risicoevaluatie op. De immissie wordt getoetst aan de milieukwaliteitsnorm.

Stap 3b: Nader onderzoek – uitgebreide immissietoets.
Als uit stap 3a blijkt dat het immissieniveau de milieukwaliteitsnorm overschrijdt, dient de vergunningaanvrager een uitgebreide immissietoets uit te voeren. Het doel hiervan is nauwkeuriger vast te stellen wat de immissie is en of de milieukwaliteitsnorm wordt overschreden.

De vergunningaanvrager stelt een kwalitatieve risicoevaluatie op. De immissie wordt getoetst aan de milieukwaliteitsnorm.
De vergunningaanvrager voert een nader onderzoek uit voor een beperkt aantal veelbelovende technieken/maatregelen uit het vooronderzoek. Het doel hiervan is om aanvullende informatie te verzamelen, waardoor een gefundeerde keuze voor een techniek mogelijk is.

Stap 4: Implementatie van maatregelen.
Indien aan de milieukwaliteitsnorm wordt voldaan of indien het bevoegd gezag een immissie boven de milieukwaliteitsnorm toestaat (zie bijlage 4.15) kan de vergunning worden verleend.
Op grond van de informatie uit het vooronderzoek wordt een keuze gemaakt voor een techniek of maatregel. Indien het vooronderzoek onvoldoende informatie oplevert, dan moet door het bedrijf een onderzoeksplan worden opgesteld waarmee ontbrekende informatie wordt vergaard.

Stap 5: Onderzoeksverplichting en periodieke herbeoordeling.
De minimalisatieverplichting is een continu streven naar vermindering van de emissie. Dit wordt bereikt door 5 jaarlijks de bestaande informatie en mogelijkheden te evalueren en aan te vullen.

Risico evaluatie
De risico-evaluatie in stap 3 van het stappenschema omvat een kwalitatieve toetsing van de aangevraagde emissie aan de milieukwaliteitsnorm (MTR of VR niveau). De risico-evaluatie is kwalitatief van aard omdat in veel gevallen door gebrek aan informatie een kwantitatieve beoordeling niet mogelijk is, vaak is het gezien de omvang van de emissie ook niet van belang.

De risico-evaluatie gaat als volgt in zijn werk:
Bij het aanvragen van een vergunning wordt informatie gegeven over de vrijkomende stoffen. Het bevoegd gezag bepaalt de luchtkwaliteitsnorm. Indien voor de betreffende stof nog geen MTR of streefwaarde/VR is afgeleid kan het stoffenexpertisecentrum (SEC) van het RIVM een schatting maken van het MTR of VR voor de stof in kwestie. Deze waarde kan als indicatief VR (iVR) worden gehanteerd.

Daarnaast wordt bepaald welk immissieniveau hoort bij de emissie van een MVP-stof op het niveau van de algemene eis in de NeR. Indien de werkelijke emissie lager is dan de algemene eis, dan kan voor de emissietoets ook uitgegaan worden van de werkelijke emissie.
Het immissieniveau wordt getoetst aan de luchtkwaliteitsnorm. Blijft het immissieniveau onder de luchtkwaliteitsnorm dan kan de algemene emissie-eis in de vergunning worden opgenomen.
Indien voor het uitvoeren van de toets van de werkelijke emissie is uitgegaan, dan dient de werkelijke emissie in de vergunning opgenomen te worden. Is er sprake van een overschrijding van de luchtkwaliteitsnorm dan moeten aanvullende maatregelen worden genomen en moet een lagere waarde dan de algemene eis in de vergunning worden opgenomen. Indien de vergunningaanvrager van oordeel is dat een hogere emissie dan de algemene eis voor de betreffende MVP-stof moet worden voorgeschreven dan moet een uitgebreide risico-analyse plaatsvinden, op grond waarvan blijkt dat de beoogde milieukwaiteitsnorm niet wordt overschreden.

Voor het uitvoeren van de risico-evaluatie is een model ontwikkeld voor het schatten van het effect van de emissie op de milieukwaliteit. Dit model voor de beperkte immissietoets is beschikbaar op de website van InfoMil.
Daar zal ook een voorbeeldlijst met bekende waarden van MTR en VR niveau’s worden opgenomen.

Emissie-eisen
De stoffen in de categorie minimalisatieverplichte stoffen zijn ingedeeld in een van de twee stofklassen MVP 1 en MVP 2 (zie tabel). Bij deze stofklassen horen grenswaarden. Deze eisen geven aan welke emissieniveaus haalbaar zijn bij een maximale toepassing van de beschikbare maatregelen. Voor nieuwe situaties zijn deze waarden te beschouwen als een absolute bovengrens voor de te vergunnen emissieconcentratie. Voor bestaande situaties kan op grond van een afweging van de technische en economische mogelijkheden een hogere emissieconcentratie worden vergund dan de waarden van de MVP eisen. Hierbij geldt de voorwaarde dat de milieueffecten onder het niveau van de luchtkwaliteitsnorm blijven.
Ook als wordt voldaan aan de grenswaarden dient er een continu streven te bestaan naar vermindering van de emissie. Dit wordt nader ingevuld door middel van de onderzoeksverplichting.

Voor stoffen met een minimalisatieverplichting gelden de volgende emissie-eisen.

MVP 1: Bij een emissievracht van 0,15 gram per uur of meer geldt een emissie-eis van 0,05 mg/mo3.
De klasse MVP 1 is van toepassing op de emissie van vaste stoffen omdat met filtrerende afscheiders een zeer hoge reinigingsgraad voor vaste stoffen mogelijk is.

MVP 2: Bij een emissievracht van 2,5 gram per uur of meer geldt een emissie-eis van 1 mg/mo3.
De klasse MVP 2 is van toepassing op gas- of dampvormige stoffen. De emissiebovengrens van 1 mg/mo3 is haalbaar met bestaande reinigingstechnieken.

Stoffen uit de kandidatenlijst voor autorisatie, bijlage XIV en bijlage XVII uit REACH vallen onder de categorie zeer ernstige zorg. Als volgens de aanvraag, stoffen naar de lucht geëmitteerd worden die op deze lijsten voorkomen, maar (nog) niet in de MVP-categorie ingedeeld zijn, moet niettemin een emissie-eis worden opgelegd die rekening houdt met hun gevaarseigenschappen.

Overzicht MVP 1 stoffen

CAS nummer Chemische naam (Nederlands) Klasse
108-70-3 1,3,5-trichloorbenzeen MVP1 *
115-32-2 dicofol MVP1 *
118-74-1 hexachlorobenzeen MVP1 *
123-73-9 2-butanal MVP1
1313-99-1 nikkeloxide MVP1
1321-64-8 pentachloronaphthaleen MVP1 *
1321-65-9 naphthaleen, trichloor- MVP1 *
1335-32-6 Loodacetaat MVP1
1335-87-1 naphthaleen, hexachloor- MVP1 *
1335-88-2 naphthaleen, tetrachloor- MVP1 *
140-66-9 1,1,3,3-tetramethyl-4-butylfenol (4-tert-octylfphenol) MVP1 *
143-50-0 chlordecone MVP1 *
1582-09-8 trifluralin MVP1 *
16812-54-7 nikkel sulfide MVP1 3)
1825-21-4 pentachlooranisol MVP1 *
18450-29-9 chroom VI verbindingen MVP1 6)
189-55-9 dibenzo[a,i]pyreen (PAK) MVP1
191-24-2 benzo(ghi)peryleen (PAK) MVP1
191-30-0 dibenzo[a,l]pyreen (PAK) MVP1
192-65-4 dibenzo[a,e]pyreen (PAK) MVP1
192-97-2 benzo(e)pyreen MVP1
193-39-5 indeno(1,2,3-cd)pyreen (PAK) MVP1
194-59-2 dibenzo[c,g]carbazol (PAK) MVP1
204-211-0 di-ethylhexyl ftalaat (DEHP) MVP1
205-82-3 benzo[j]fluorantheen (PAK) MVP1
205-99-2 benz[e]acefenanthryleen (= benzo[b]fluorantheen) (PAK) MVP1
206-44-0 fluorantheen (PAK) MVP1
207-08-9 benzo[k]fluorantheen (PAK) MVP1
2104-64-5 EPN MVP1 *
218-01-9 chryseen (PAK) MVP1
2227-13-6 tetrasul MVP1 *
2234-13-1 octachloornaftaleen MVP1
224-42-0 dibenz[a,j]acridine (PAK) MVP1
226-36-8 dibenz[a,h]acridine (PAK) MVP1
23593-75-1 1H-imidazol, 1-[(2-chlorophenyl) diphenylmethyl]- MVP1 *
28680-45-7 heptachloornorborneen MVP1 *
294-62-2 cyclododecaan MVP1 *
301-04-2 looddiacetaat MVP1
309-00-2 aldrin MVP1 *
32241-08-0 nafthaleen, heptachloor- MVP1 *
32534-81-9 difenyl ether, pentabroom MVP1 *
330-54-1 diuron MVP1 *
3424-82-6 DDE, o,p- isomeer MVP1 *
36065-30-2 benzeen, 1,3,5-tribroom-2-(2,3-dibroom-2-methylpropoxy)- MVP1 *
37240-96-3 loodrhodiumoxide MVP1
41083-11-8 azocyclotin MVP1
465-73-6 isodrin MVP1 *
470-90-6 chlorfenvinphos MVP1 *
4904-61-4 1,5,9-cyclododecatrieen MVP1 *
50-29-3 DDT, 4,4’- isomer MVP1 *
50-32-8 benzo[a]pyreen (PAK) MVP1
512-04-9 spirost-5-en-3-ol, (3beta,25R)- MVP1 *
53-70-3 dibenz[a,h]anthraceen (PAK) MVP1
55525-54-7 ureum, N,N’-bis[(5-isocyanato- 1,3,3-trimethylcyclohexyl)methyl]- MVP1 *
56-55-3 benz[a]anthraceen (PAK) MVP1
603-35-0 fosfine, trifenyl- MVP1 *
608-93-5 pentachloorbenzeen MVP1 *
68515-42-4 1.2-benzeendicarboxylzuur, di-C7-11 vertakte en lineaire alkylesters MVP1
7440-41-7 beryllium en -verbindingen MVP1 5)
7486-35-3 tributyltin verbindingen MVP1 *
76-44-8 heptachloor MVP1 *
76-87-9 fentin hydroxide MVP1 *
77-47-4 1,3-cyclopentadieen, 1,2,3,4,5,5-hexachloor- MVP1 *
789-02-6 DDT, 2,4’- isomeer MVP1 *
793-24-8 1,4-benzeendiamine, N- MVP1 *
8001-35-2 (1,3-dimethylbutyl)-N’-fenyltoxafeen MVP1 *
84-74-2 dibutylftalaat (DBP) MVP1
85-22-3 benzeen, pentabroom- ethyl- MVP1 *
85535-84-8 C10-13,alifatische chloorkoolwaterstoffen MVP1 *
87-68-3 hexachloorbutadieen MVP1 *
87-86-5 pentachloorfenol MVP1 *
91-59-8 2-naftylamine MVP1
91-94-1 [1,1’-Bifenyl]-4,4’-diamine, 3,3’-dichloor- MVP1

Overzicht MVP 2 stoffen

CAS nummer Chemische naam (Nederlands) Klasse
106-89-8 oxiraan, chloormethyl-(epichloorhydrine) MVP2 1)
106-93-4 ethaan, 1,2-dibroom- MVP2 1)
106-99-0 1,3-butadieen MVP2 1)
107-06-2 ethaan, 1,2 dichloor MVP2 1)
107-13-1 2-propeennitril (acrylonitril) MVP2 1)
13463-39-3 nikkel tetracarbonyl MVP2
302-01-2 hydrazine MVP2
382-21-8 perfluorisobuteen MVP2
64-67-5 diethyl sulfaat ester MVP2
71-43-2 benzeen MVP2 4)
75-01-4 chlooretheen (vinylchloride) MVP2
75-21-8 oxiraan (ethyleen oxide) MVP2
75-56-9 methyloxiraan, (propyleenoxide) MVP2 1)
77-78-1 dimethylsulfaat MVP2
79-46-9 2-nitropropaan MVP2

* Voor deze stof was nog geen emissie-eis in de NeR opgenomen, of de stof was niet als afzonderlijke stof in de NeR genoemd maar onderdeel van een groep stoffen.

1) In 2004 ligt de detectielimiet voor meetmethodes op 2 mg/m3
2) Voor bestaande situaties geldt tot 2015 een concentratie-eis van 5 mg/m3 en een grensmassastroom van 25 g/u.
3) Voor bestaande situaties is het, na toetsing van de milieueffecten aan het IVR, mogelijk om op grond van technische en economische overwegingen een hogere emissieconcentratie toe te staan dan de MVP1-eis.
4) Voor bestaande situaties geldt tot 2015 een eis van 5 mg/m3 en een grensmassastroom van 25 g/u. Het ministerie van VROM zal zich inspannen om voor specifieke branches afwijkende eisen voor benzeen in de BREFs en/of oplegnotities bij de BREFs op te nemen.
5) Van de MVP1-eis kan worden afgeweken (tot maximaal de oude eis van C.1: 0,1 mg/m3), indien de MVP1-eis in specifieke situaties technisch of economisch niet haalbaar is.
6) Voor Chroom VI geldt voor bestaande en nieuwe situaties een emissieconcentratie-eis van 0,1 mg/m3 en een grensmassastroom van 0,5 g/u.

108025
108068
108045
108005
108027
108052
Digitale NeR

MTR-normen verdwenen?

Het RIVM heeft alle MTR-normen verwijderd die geen wettelijke of beleidsmatige status hadden. Inmiddels is voor 31 stoffen officieel een MTR-waarde vastgesteld door de Stuurgroep Stoffen. Zie voor meer informatie het nieuwsartikel hierover.

 

Kenniscentrum InfoMil