2 Werkingssfeer Bees A (artikelen 1 en 2)

Home > Onderwerpen > Klimaat, lucht, water > Stookinstallaties > Bees A > Leidraad Bees A > 2 Werkingssfeer Bees A (artikelen 1 en 2)

2 Werkingssfeer Bees A (artikelen 1 en 2)

Stookinstallaties

Inhoud pagina: 2 Werkingssfeer Bees A (artikelen 1 en 2)

2.1 Inrichtingen

Elke stookinstallatie, die behoort tot een inrichting als bedoeld in artikel 1.b van Bees A, valt onder dit Besluit. In bijlage 1 is een overzicht gegeven van deze categorieën van inrichtingen. Bepalend voor het van toepassing zijn van Bees A is dus of een stookinstallatie in een in Bees A aangewezen inrichting staat.

2.2 Stookinstallaties

Uit de definitie van stookinstallatie volgt dat ketels, procesfornuizen, gasturbines, gasturbine-installaties en zuigermotoren als stookinstallaties moeten worden aangemerkt. Eventuele voorzieningen voor de reiniging van het rookgas maken deel uit van de stookinstallatie en zijn dus niet als een zelfstandige stookinstallatie aan te merken. Het verstoken van brandstof heeft betrekking op het verstoken van brandstof in de installatie zelf en niet in de voorzieningen voor de reiniging van rookgas. Hierna volgt een omschrijving van onder Bees A vallende stookinstallaties en wordt ingegaan op de uitzonderingen van Bees A.

Een procesfornuis is een stookinstallatie die in hoofdzaak gebruikt wordt voor andere doeleinden dan het verhitten van water of stoom, het opwekken van kracht, dan wel een combinatie daarvan (artikel 1, onder z).

Deze definitie is breed en omvat ook thermische olie-ketels, waarbij de thermische olie fungeert als tussenmedium voor warmtetransport. Procesfornuizen worden toegepast in de (koolwaterstoffen) procesindustrie, met name de chemische industrie en de raffinaderijen. Procesfornuizen zijn er in diverse uitvoeringen en voor een uiteenlopend scala van processen. De belangrijkste toepassingsgebieden van procesfornuizen zijn:

  • lage temperatuur fysische processen, zoals het partieel verdampingsproces bij voedingsfornuizen van raffinaderijen;
  • hoge temperatuur chemische reactoren, waarbij het gaat om de energietoevoer ten behoeve van een endotherme reactie, zoals kraakfornuizen.

Een ketelinstallatie is een installatie die in hoofdzaak bedoeld is om warmte over te dragen aan water of stoom.

Een gasturbine is een krachtwerktuig, bestaande uit een compressor, één of meer verbrandingskamers en een turbine, waarin brandstof met behulp van door de compressor gecomprimeerde lucht wordt verstookt, waarna het geproduceerde verbrandingsgas in de turbine tot een lagere druk expandeert en daarbij arbeid afgeeft aan een roterende as.

Een gasturbine-installatie is een stookinstallatie, bestaande uit een of meer gasturbine(s) waarin een vloeibare of een gasvormige brandstof wordt gestookt, met een of meer bijbehorende ketel(s) waar de verbrandingsgassen van de gasturbine doorheen gevoerd worden teneinde warmte over te dragen aan een medium dat niet in contact treedt met die gassen; in de bijbehorende ketel(s) kan al dan niet een brandstof worden gestookt; alleen als dat zodanig gebeurt dat voor de verbranding geen extra lucht of nagenoeg geen extra lucht nodig is, is sprake van een gasturbine-installatie (artikel 1, onder n).

Een zuigermotor is een stookinstallatie, bestaande uit een toestel waarin een door verbranding verkregen gasmengsel een zuiger in beweging brengt voor aandrijving van een werktuig (artikel 1, onder o).

In artikel 2, onder a is omschreven wanneer een zuigermotor onder Bees A valt. Onder het Bees A vallen alleen zuigermotoren die

  • blijkens de vergunning niet experimenteel van aard zijn, en
  • op gasolie of gasvormige brandstoffen, uitgezonderd LPG wordt gestookt, en
  • dienen voor:
    • het aandrijven van een elektrische generator in een warmtekrachtinstallatie,
    • het aandrijven van een gascompressor in een warmtepomp, of
    • worden toegepast in een pomp of compressor die continu gebruikt wordt voor een installatie blijkens de vergunning ontworpen voor een bedrijfstijd van tenminste 5000 uur per jaar.

Van Bees A zijn uitgezonderd alle zuigermotoren die niet aan bovengenoemde omschrijving voldoen alsook ‘bestaande’ zuigermotoren gestookt op brandstof waarin minder dan 50% van de brandstof gas is. Algemene normstelling voor deze gevallen wordt niet opportuun geacht. Een voorbeeld is een zuigermotor die is geplaatst ten behoeve van noodstroomvoorziening. Hierbij gaat het alleen om de levering van elektriciteit en wordt de warmte niet nuttig gebruikt.

Biomassa bestaat uit producten of afvalstoffen van plantaardige oorsprong afkomstig uit de land- en bosbouw die als brandstof kunnen worden gebruikt om de opgewekte warmte te benutten of terug te winnen en verder de volgende afvalstoffen: vezelachtige afvalstoffen afkomstig uit de productie van papierpulp, plantaardige afvalstoffen afkomstig uit de levensmiddelen industrie, schoon hout en kurk.

Houtafval dat onderdeel is van constructie- of sloopafval en CCA-geïmpregneerd hout vallen onder de werkingssfeer van het Besluit verbranden afvalstoffen.

Stookinstallaties die zijn uitgezonderd van Bees A zijn (art. 2, onder b):

  • stookinstallaties die onder de werkingssfeer van het Besluit verbranden afvalstoffen vallen;
  • stookinstallaties voor drogen of behandelen van voorwerpen of materialen door rechtstreeks contact met verbrandingsgas, zoals cementovens, steenovens, glasovens, hoogovens, installaties voor het roosten van ertsen, pelletiseerinstallaties etc. Bij deze stookinstallaties treedt als regel vermenging op van verbrandings- en procesemissies. Het uitsluitend aan de verbrandingsemissies stellen van eisen is dus niet goed mogelijk. Daarom zijn deze uitgezonderd;
  • cokesovens; ook hierbij treedt vermenging op van verbrandings- en procesemissies;
  • ketelinstallaties, procesfornuizen, gasturbines en gasturbine-installaties voor vloeibare of gasvormige brandstoffen met een thermisch vermogen van 0,9 MW of minder, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de brandstof. De grens van 0,9 MW thermisch vermogen geldt per stookinstallatie. Het optellen van de vermogens van installaties onder die grens is dus niet aan de orde. Voor stookinstallaties op vaste brandstoffen is er geen ondergrens voor het thermisch vermogen;
  • stookinstallaties die blijkens de vergunning bestemd zijn voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of technieken ter bestrijding van de uitworp van SO2, NOx of stof. Voor deze experimentele installaties is uniforme normstelling niet geschikt;
  • installaties voor de vergassing van kolen of olie;
  • ketelinstallaties, procesfornuizen, gasturbines en gasturbine-installaties  die op offshoreplatforms worden gebruikt;
  • technische voorzieningen voor de zuivering van rookgassen door verbranding die niet als autonome installatie worden geëxploiteerd. Deze installaties kunnen wel onderdeel zijn van de stookinstallatie waar ze bijhoren, maar zijn op zichzelf niet als een individuele stookinstallatie aan te merken;
  • bestaande ketelinstallaties en procesfornuizen die blijkens een daarvoor geldende vergunning bestemd zijn voor tijdelijk bedrijf van niet meer dan 500 uur per jaar;
  • gasturbines en gasturbine-installaties, waarvoor voor 27 november 2002 vergunning is verleend met minder dan 500 bedrijfsuren per jaar;
  • gasturbines en gasturbine-installaties, waarvoor op of na 27 november 2002 vergunning is verleend, met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW met minder dan 500 bedrijfsuren per jaar (Gasturbines en gasturbine-installaties met minder dan 500 bedrijfsuren per jaar zijn bestaande installaties met een standby functie. Voor deze installaties zouden maatregelen relatief duur zijn en weinig milieuwinst opleveren. Omdat de LCP-richtlijn echter geen uitzondering maakt voor deze installaties, vallen installaties met een thermisch vermogen van 50 MW of meer die op of na 27 november 2002 zijn vergund wél onder het Bees A);
  • gasturbines en gasturbine-installaties met een asvermogen van ten hoogste 1 MW.
  • zuigermotoren die onder een van de uitzonderingen genoemd in de definitie van "zuigermotor" hierboven vallen.

Let op: Voor de vaststelling van het thermisch vermogen van een stookinstallatie wordt, behoudens tegenbewijs, uitgegaan van het in de vergunning vastgelegde vermogen. Het thermisch vermogen is de warmte-inhoud van de maximale hoeveelheid brandstof (gebaseerd op de onderwaarde van de brandstof) waarop de brander is afgesteld.

In bijlage 2 kan aan de hand van een stroomschema bepaald worden of een installatie onder Bees A valt.

lucht
 

Kenniscentrum InfoMil