4.2 Toepassing van factoren (artikelen 24 en 25)
Stookinstallaties
Inhoud pagina: 4.2 Toepassing van factoren (artikelen 24 en 25)
Alleen voor bestaande ketels en procesfornuizen (vergund vóór 29 mei 1987) kan of moet in sommige gevallen een factor op NOx -eisen toegepast worden.
Als een factor toegepast kan worden ligt de beslissing hieromtrent bij het bevoegd gezag. Hieronder volgt een overzicht van de factoren:
tabel 7: overzicht factoren
De hieronderstaande tabel geeft een globaal beeld van de factoren die moeten of kunnen worden toegepast. In de tabellen van bijlage 3 met emissie-eisen wordt exact aangegeven in welke gevallen een factor kan/moet worden toegepast (te weten bij een beperkt aantal bestaande installaties). Voor de exacte voorwaarden moeten de desbetreffende artikelen van Bees A worden geraadpleegd.
factor | formule | van toepassing op | Artikel |
|---|---|---|---|
vuurhaardtemperatuur (factor kan toegepast worden) | 1 + (T-760) / 555, waarbij T = de vuurhaardtemperatuur (oC) |
| 24 lid 1 |
luchtvoorverwarming (factor kan toegepast worden) | 1/ (1,18 – 0,0018 (tl+100)), waarbij tl = de temperatuur (oC) van de toegevoerde lucht |
| 24 lid 2 |
van standaardkwaliteit afwijkend aardgas (factor kan toegepast worden) | Sa / 38, waarbij Sa = de onderste verbrandingswaarde (MJ/kg) van het gebruikte aardgas. |
| 24 lid 3 |
stikstofgehalte vloeibare brandstof (factor moet toegepast worden) | 1,76 – 1,41e–2,06n
|
| 24 lid 4 |
samenstelling van een gasvormige brandstof (factor moet toegepast worden) | (1 + mol fractie C3+) (1 + mol fractie H2) waarbij C3+ staat voor koolwaterstoffen met meer dan drie koolstofatomen |
| 24 lid 5 |
Toepassing van een (of soms meer dan één) factor leidt tot verhoging van de getalwaarde van de emissie-eis, uiteraard afhankelijk van de in te vullen variabelen. Zo is bij luchtvoorverwarming tot 200 oC de factor 1,56 en wordt de NOx -emissie-eis bij een bestaande ketel of procesfornuis gestookt op gasvormige brandstof 150 maal 1,56 = 234 mg/m3. Als meerdere factoren van toepassing zijn wordt de basiseis met elk van deze factoren vermenigvuldigd. Er is echter bij elke emissie-eis een bovengrens aangegeven, die na toepassing van de relevante factor(en) niet overschreden mag worden. Indien bij een stookinstallatie zowel sprake is van een vuurhaardtemperatuur van hoger dan 760 ºC als van luchtvoorverwarming slechts de factor voor luchtvoorverwarming wordt toegepast.
Hieronder worden nog enkele voorbeelden uitgewerkt.
Hoge vuurhaardtemperatuur bij een bestaand procesfornuis, gestookt op gasvormige brandstoffen
Procesfornuizen zijn te onderscheiden in lage-temperatuur en hoge-temperatuur fornuizen. Maatgevend daarbij is de eindtemperatuur die het te verwarmen medium moet bereiken. De verbrandingstemperatuur is van invloed op de hoeveelheid stikstofoxiden die gevormd wordt. De bepalende factor voor de temperatuur is de temperatuur in de vuurhaard, daar waar het stralingsgedeelte overgaat in het convectiegedeelte. Deze temperatuur moet gemeten worden afgeschermd van de vlam. Alleen boven een vuurhaardtemperatuur van 760 oC kan deze factor toegepast worden. Ter illustratie enkele waarden van de factor:
vuurhaardtemperatuur (oC) | factor |
|---|---|
800 | 1,07 |
850 | 1,16 |
900 | 1,25 |
Luchtvoorverwarming, toegepast sinds een tijdstip gelegen vóór 15 oktober 1992, bij een bestaande ketel of procesfornuis gestookt op gasvormige en/of vloeibare brandstoffen
Er geldt hierbij geen ondergrens voor de temperatuur van de voorverwarmde lucht. Luchtvoorverwarming wordt toegepast om energie te besparen. Het betreft de laatste stap in de onttrekking van warmte aan de verbrandingsgassen. Deze zijn dan reeds afgekoeld van zo’n 1800 oC tot 300 à 400 oC. In een warmtewisselaar, meestal een roterend wiel, wordt het rookgas verder afgekoeld onder warmte-uitwisseling met de lucht die aan de brander(s) wordt toegevoerd. De verbrandingslucht warmt hierdoor op van omgevingstemperatuur tot zo’n 200 à 300 oC. Hierdoor wordt zo’n 10 à 15% extra warmte benut. De hogere verbrandingsluchttemperatuur heeft een hogere verbrandingstemperatuur tot gevolg, waardoor meer NOx wordt gevormd. Ter illustratie enkele waarden van de factor:
luchttemperatuur (oC) | factor |
|---|---|
100 | 1,22 |
150 | 1,37 |
200 | 1,56 |
Toepassing sinds een vóór 15 oktober 1992 gelegen tijdstip van van standaardkwaliteit afwijkende kwaliteit aardgas bij een bestaande ketel of een procesfornuis
Bij hogere verbrandingswaarde is de verbrandingstemperatuur hoger, waardoor meer NOx gevormd wordt. De factor voor de aardgaskwaliteit wordt berekend als Sa/38. Sa is de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof. De onderste verbrandingswaarde voor de standaardkwaliteit aardgas bedraagt 38 mj/kg. Bij een verbrandingswaarde van het ingezette aardgas van 42 mj/kg bedraagt de factor 1,11.
Toepassing van in de inrichting gegenereerde vloeibare brandstoffen met een stikstofgehalte groter dan 0,3% bij een bestaande ketel of procesfornuis
Naarmate het stikstofgehalte van de brandstof toeneemt wordt meer NOx gevormd. Ter illustratie enkele waarden van de factor:
stikstofgehalte (%) | factor |
|---|---|
0,5 | 1,26 |
0,7 | 1,43 |
0,9 | 1,54 |
Toepassing van in de inrichting gegenereerde gasvormige brandstoffen bij een bestaande ketel of procesfornuis
De factor hangt af van de volumepercentages voor de hogere koolwaterstoffen (C3+, vanaf C3H8 (propaan)) en waterstof. Bij een gemiddelde gassamenstelling van 40% H2, 35% CH4, 10% C2H6 en 15% C3+(C3H8 en hoger) bedraagt de toe te passen factor 1,61.
