5.1 Schoorstenen: opstelling en middeling
Stookinstallaties
Inhoud pagina: 5.1 Schoorstenen: opstelling en middeling
Meerdere installaties op één schoorsteen (artikel 6)
In een aantal gevallen worden meerdere stookinstallaties als één stookinstallatie beschouwd (artikel 6). Het thermische vermogen van zo’n stookinstallatie is dan de som van het thermisch vermogen van de samenstellende delen.
Van de optelregeling zijn uitgesloten:
- Bestaande stookinstallaties voor vaste of gasvormige brandstoffen;
- Bestaande stookinstallaties voor zware stookolie waarvoor voor 2 januari 1975 vergunning is verleend;
- Bestaande stookinstallaties voor zware stookolie waarbij het aandeel van zware stookolie in de warmte inhoud van de toegevoegde brandstoffen minder is dan 50%;
- Gasturbines en gasturbine-installaties waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend;
- Gasturbines en gasturbine-installaties met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW;
- Zuigermotoren.
Het is niet zo dat door de optelregeling installaties binnen de werkingssfeer van het Bees A kunnen vallen die daar vanwege hun vermogen als individuele installatie niet onder kunnen vallen. Zo kunnen bijvoorbeeld twee gasgestookte ketelinstallaties van 0,7 MW met één schoorsteen niet als één ketelinstallatie van 1,4 MW worden aangemerkt. Het Bees A is immers is niet van toepassing op ketelinstallaties met een vermogen van minder dan 0,9 MW (art. 2.b.3°), dus de optelregeling van artikel 6 is er ook niet op van toepassing.
Het uitzonderen van bestaande installaties is bedoeld om te voorkomen dat ze vanwege de optelling onder een zwaarder regime voor SO2-emissies komen te vallen. Voor bestaande stookinstallaties onder de 300 MW is namelijk in Bees A geen eis opgenomen voor SO2. Voor gasturbines en gasturbine-installaties met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW geldt dat de LCP-richtlijn de optelling niet toestaat. Hetzelfde geldt voor gasturbines en gasturbine-installaties waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend.
Bij optellen geldt altijd de voorwaarde dat de stookinstallaties moeten zijn gelegen binnen één inrichting en zijn aangesloten op één schoorsteen of blijkens vergunning technisch en economisch aanvaardbaar op één schoorsteen aangesloten kunnen worden.
Indien in de verschillende onderdelen van de ‘samengestelde’ stookinstallatie verschillende brandstoffen worden gestookt, is de regeling voor gemengd stoken van toepassing (zie artikel 6.2). Bij vaststelling van de uitworp van een ‘samengestelde’ stookinstallatie, die feitelijk op één schoorsteen is aangesloten, gelden de meetbepalingen ook als was er slechts één stookinstallatie. Zijn de onderdelen van een samengestelde stookinstallatie feitelijk niet op één schoorsteen aangesloten, dan zal meting op elke installatie afzonderlijk noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de concentratie.
Meerdere schoorstenen (artikel 10)
Als een aantal stookinstallaties dat op grond van de optelregeling als één stookinstallatie wordt beschouwd, meer dan één schoorsteen heeft dan geldt de emissie-eis voor de gemiddelde uitworp via die schoorstenen.
Het gemiddelde wordt bepaald op basis van de rookgasvolumina die via elk van de schoorstenen wordt geloosd (art.10). Hetzelfde geldt voor raffinaderijen, waar voor het totaal van de stookinstallaties waaruit de inrichting bestaat, één emissie-eis voor SO2 van toepassing is.
De bepaling van het rookgasdebiet wordt in de toelichting van de Regeling meetmethoden nader toegelicht. Het rookgasdebiet is te berekenen aan de hand van gegevens over de brandstofsamenstelling, het brandstofdebiet en de aan de installatie toegevoegde hoeveelheid verbrandingslucht (O2-meting).

