6.1 Meetregime
Stookinstallaties
Inhoud pagina: 6.1 Meetregime
In hoofdstuk 4 van Bees A is het meetregime aangegeven. De overige voorschriften betreffende meten zijn te vinden in de Regeling meetmethoden. Hoofdstuk 4 van het Bees A is als volgt opgebouwd:
| Artikelen 30a, 30b en 30c | de kwaliteitseisen die aan metingen op grond van Bees A, worden gesteld |
| Artikelen 31 tot en met 36 | meting van SO2-emissies van installaties die niet in raffinaderijen zijn opgesteld |
| Artikel 37 | meting van SO2-emissies van installaties bij raffinaderijen |
| Artikelen 38 en 38a | meting van NOx-emissies bij ketels en procesfornuizen |
| Artikelen 39 tot en met 42 | meting van NOx-emissies bij gasturbine(-installatie)s en WKK-zuigermotoren |
| Artikel 43 | meting van stofemissies |
| Artikel 43a, 43b en 44 | registratie, rapportage en opslag van meetgegevens |
In de betreffende artikelen is onder meer vastgelegd in welke gevallen een continue meting en in welke gevallen een niet-continue (afzonderlijke) meting moet worden uitgevoerd.
Continue metingen
Een continue meetverplichting is voorgeschreven voor:
- de SO2-, NOx- en stofemissie van stookinstallaties met een thermisch vermogen van tenminste 100 MW;
- de NOx-emissie van gasturbines en gasturbine-installaties wanneer ter bestrijding van de NOx-emissie injectie van stoom, water of een andere inert materiaal wordt toegepast ;
- de NOx-emissie van gecombineerde stookinstallaties in elektriciteitsproductiebedrijven, waarvan het thermische vermogen van de gasturbine kleiner is dan 40% van het totaal thermisch vermogen en ter bestrijding van de NOx-emissie injectie van stoom, water of een andere inert materiaal wordt toegepast.
(Indien op een andere wijze ten genoegen van het bevoegd gezag kan worden aangetoond dat de emissie-eis niet overschreden zal worden, is continue meting niet verplicht. Dit geldt bijvoorbeeld voor gasturbines, waarvoor kan worden aangetoond dat continu de stoominjectie voldoende is om overschrijding van de emissie-eis te voorkomen). - de NOx-emissie van de meeste stookinstallaties waarin in de inrichting zelf gegenereerde brandstoffen worden gestookt (zie artikel 38 lid 2).
Er geldt een uitzondering op de continue meetverplichting voor:
- de SO2-, NOx- en stofemissie van stookinstallaties met een thermisch vermogen tussen de 100 en 300 MW die na 27 november 2002 niet meer dan 10.000 uur in bedrijf zijn;
- de SO2- en stofemissie van stookinstallaties die op aardgas worden gestookt;
- de SO2-emissie van stookinstallaties zonder rookgasontzwaveling die op olie worden gestookt waarvan het zwavelgehalte bekend is;
- de SO2-emissie van stookinstallaties zonder rookgasontzwaveling die op biomassa worden gestookt waarvan het zwavelgehalte niet leidt tot een overschrijding van de emissiegrenswaarde ;
- de stofemissie van stookinstallaties gestookt op gasvormige brandstoffen die gezien de herkomst niet kunnen leiden tot een overschrijding van 10% van de emissie-eis.
Afzonderlijke metingen
Voor emissies van stookinstallaties waarvoor geen continue meetverplichting geldt, moet door middel van afzonderlijke metingen worden aangetoond dat de emissie-eis niet wordt overschreden. Afzonderlijke metingen moeten worden uitgevoerd binnen vier weken na het van toepassing worden van een emissie-eis en vervolgens:
NOx | SO2 | stof | |
| elk half jaar1 | elk half jaar1 | elk half jaar1 |
| geen | geen | geen |
| elk half jaar1 | elk half jaar1 | elk half jaar1 |
| elke vier jaar | elk half jaar1 | elk half jaar1 |
| elke vier jaar | geen | geen |
| elke vier jaar | elk half jaar1 | elk half jaar1 |
| elke vier jaar | geen | geen |
Uitzonderingen op het bovenstaande: afzonderlijke metingen hoeven niet te worden uitgevoerd voor:
- SO2, NOx en stof indien er geen emissie-eis van toepassing is;
- SO2, NOx en stof indien er een continue meting plaats vindt;
- SO2, bij stookinstallaties zonder ontzwavelingsinstallatie, indien uitsluitend brandstoffen worden gestookt die overschrijding van de emissie-eis uitsluiten;
- SO2 voor de in artikel 37 lid 2 nader gespecificeerde stookinstallaties in raffinaderijen indien de SO2-emissie van een installatie uitsluitend bepaald wordt door het zwavelgehalte van de ingezette brandstoffen en hiervan een register wordt bijgehouden;
- NOx indien uitsluitend typekeur branders zijn geïnstalleerd in een installatie voor het verhitten van water en stoom met een thermisch vermogen kleiner dan 7,5 MW, waarbij geen luchtvoorverwarming plaats vindt en de stoomdruk niet hoger is dan 1 MPa;
- NOx voor aardgasgestookte zuigermotoren waarvoor een typekeur is afgegeven door een door de Minister van VROM aangewezen instantie en waarvan het onderhoud conform de bedrijfsvoorschriften van de leverancier wordt uitgevoerd (een dergelijk keurmerk is tot op heden niet afgegeven);
- Stof indien de installatie wordt gestookt op aardgas of andere gasvormige brandstof die gezien de herkomst niet kan leiden tot een overschrijding van 10% van de emissie-eis.

