6.3.1 Kwaliteitsborging continue metingen

Home > Onderwerpen > Klimaat, lucht, water > Stookinstallaties > Bees A > Leidraad Bees A > 6 Metingen > 6.3.1 Kwaliteitsborging continue metingen

6.3.1 Kwaliteitsborging continue metingen

Stookinstallaties

Inhoud pagina: 6.3.1 Kwaliteitsborging continue metingen

De kwaliteitsborging van continue meetsystemen dient te worden uitgevoerd volgens de NEN-EN 14181. In deze norm wordt een viertal niveaus van kwaliteitsborging voor CEMS beschreven: QAL1, QAL2, QAL3 en de AST. In het kader van de emissiehandel zijn een aantal hulpmiddelen voor het toepassen van de NEN-EN 14181 ontwikkeld. Tevens is er een praktische invulling voor de vier kwaliteitsniveaus opgesteld voor PEMS. Deze hulpmiddelen en de informatie zijn te vinden op de website van de Nederlandse emissie autoriteit. Hieronder volgt een korte beschrijving van de kwaliteitsborgingniveaus voor CEMS.

(In de Nederlandse versie van de NEN-EN 14181 is het begrip QAL vertaald als KBN (kwaliteitsborgingniveau) en het begrip AST als JC (jaarlijkse controle)).

QAL1-procedure

Met behulp van de zogenaamde QAL1-procedure wordt onder meer op basis van de prestatiekenmerken van de monitor en de gegevens over de samenstelling van het rookgas de nauwkeurigheid van het meetresultaat berekend en vervolgens getoetst aan de gestelde onzekerheidseis. De onzekerheidseis uitgedrukt als 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele waarneming is voor de SO2- en NOx- concentratie 20% van de emissie-eis. Voor de stofconcentratie is dit 30% van de emissie-eis. Het resultaat van de toetsing is eenduidig, ongeacht het meetprincipe, maar is geen garantie voor een juiste meting.

QAL2-procedure

Met de QAL2-procedure worden de prestaties van de meetapparatuur na inbouw onder bedrijfscondities getoetst en het meetsysteem gekalibreerd ten opzichte van de referentiemethode. Een daartoe geaccrediteerd laboratorium voert een uitgebreide serie van tenminste 15 parallelmetingen in een periode van 72 uur uit om de kalibratiefunctie vast te leggen. Driejaarlijks, of na een belangrijke verandering in de bedrijfsvoering of veranderingen aan het meetsysteem, wordt de QAL2-procedure herhaald. Voorbeelden van wijzigingen die tot een hernieuwde QAL2-procedure leiden, omdat de prestaties van het meetsysteem hierdoor beïnvloed worden, zijn:

  • veranderingen in het verbrandingsproces die de rookgassamenstelling systematisch veranderen;
  • vervanging van onderdelen in het monitorsysteem.

QAL3-procedure

Lopende het jaar moet periodiek de gevoeligheid en de nulpuntinstelling van de meetapparatuur worden gecontroleerd en geregistreerd. Telkens wordt hierbij getoetst of de drift van het meetsysteem nog aan de gestelde criteria voldoet. Bij de niet-extractieve (in-situ) metingen moet het instrument beschikken over de mogelijkheid om een simulatie van de nul- en gevoeligheidsinstelling te doen, zodat daadwerkelijk de drift van het instrument kan worden vastgesteld. De werkwijze is beschreven in de QAL3-procedure in de NEN-EN 14181.

AST-procedure

Jaarlijks wordt de validiteit van de kalibratiefunctie, zoals die tijdens de QAL2-procedure is vastgelegd, gecontroleerd door het uitvoeren van tenminste 5 parallelmetingen in een periode van 24 uur. De werkwijze van deze procedure die ook wel de verificatietest wordt genoemd, komt overeen met die van de QAL2-procedure. Naast de toetsing op de validiteit van de kalibratiefunctie moeten er ook functionele testen op de meetapparatuur worden uitgevoerd, zoals een lektest en een lineariteitstest.

Parallelmetingen

Parallelmetingen die in het kader van de QAL2-procedure of de AST-procedure plaats vinden, moeten worden uitgevoerd door geaccrediteerde laboratoria. Laboratoria kunnen zich laten accrediteren door de Raad van Accreditatie of een andere instelling die is erkend door een of meer EU-lidstaten. Parallelmetingen worden uitgevoerd conform de Standaard Referentie Methode en duren tenminste een half uur. Voor de uitwerking van de parallelmetingen wordt ervan uitgegaan dat de meetwaarden van het laboratorium de beste schatting van de daadwerkelijke emissie zijn. Daarom wordt in de kalibratieprocedure en de verificatietest niet gecorrigeerd voor de meetonzekerheid van het laboratorium. De uitvoering van parallelmetingen moet tenminste twee weken voor aanvang worden gemeld bij het bevoegd gezag. Voor installaties die onder emissiehandel vallen moeten parallelmetingen ook worden gemeld bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). Wanneer een meting niet doorgaat, wordt het bevoegd gezag en eventueel de NEa hiervan op de hoogte gesteld.

lucht
 

Kenniscentrum InfoMil