6.4 Afzonderlijke metingen

Home > Onderwerpen > Klimaat, lucht, water > Stookinstallaties > Bees A > Leidraad Bees A > 6 Metingen > 6.4 Afzonderlijke metingen

6.4 Afzonderlijke metingen

Stookinstallaties

Inhoud pagina: 6.4 Afzonderlijke metingen

Een belangrijk kwaliteitsaspect van afzonderlijke metingen is de representativiteit van de bedrijfsvoering tijdens de metingen. Afhankelijk van het type stookinstallatie worden verschillende representatieve bedrijfsomstandigheden voorgeschreven:

  • Ketel of procesfornuis met een thermisch vermogen van tenminste 50 MW, waarvan de vergunning na 28 mei 1987 is verleend: eerste afzonderlijke meting bij vollast en vervolgmetingen bij meer dan 60% belasting;
  • Ketel of procesfornuis met een thermisch vermogen van tenminste 50 MW, waarvan de vergunning voor 29 mei 1987 is verleend: alle metingen meer dan 60% belasting;
  • Ketel of procesfornuis met een thermisch vermogen minder dan 50 MW: meer dan 60% belasting;
  • Zuigermotor: bij vollast;
  • Gasturbine: bij vollast;
  • Gasturbine-installatie met maximaal 10% bijstook van de ketel(s): vollast en de maximale bijstook van de ketel(s);
  • Gasturbine-installatie met maximaal meer dan 10% bijstook van de ketel: vollast met 10% bijstook van de ketel of indien dat niet mogelijk is de minimale bijstook van de ketel;
  • Stookinstallatie die voorzien is van een rookgasontzwavelingsinstallatie: stofconcentratiemetingen bij een ontzwavelingspercentage van tenminste 85%.

Een afzonderlijke meting bestaat uit een serie van drie deelmetingen van een half uur. Wanneer het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in een half uur uit te voeren, mag de meettijd verlengd worden tot maximaal 2 uur. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen bij het meten van lage stofconcentraties.

Afzonderlijke metingen moeten worden uitgevoerd door geaccrediteerde laboratoria. Laboratoria kunnen zijn geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie of een andere instelling die is erkend door een of meer EU-lidstaten. De monstername en analyse van afzonderlijke metingen moeten worden uitgevoerd volgens de Standaard Referentie Methode.

Afzonderlijke metingen moeten tenminste twee weken voor aanvang worden aangemeld bij het bevoegd gezag. Voor installaties die onder emissiehandel vallen moeten afzonderlijke metingen ook worden gemeld bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). Wanneer een meting niet doorgaat, wordt het bevoegd gezag en eventueel de NEa hiervan op de hoogte gesteld.

lucht
 

Kenniscentrum InfoMil