6.6 Toetsing van meetwaarden aan de emissie-eis

Home > Onderwerpen > Klimaat, lucht, water > Stookinstallaties > Bees A > Leidraad Bees A > 6 Metingen > 6.6 Toetsing van meetwaarden aan de emissie-eis

6.6 Toetsing van meetwaarden aan de emissie-eis

Stookinstallaties

Inhoud pagina: 6.6 Toetsing van meetwaarden aan de emissie-eis

Bij de toetsing van meetwaarden aan de emissie-eis mag de meetonzekerheid in het voordeel van de vergunninghouder worden uitgelegd. Dit betekent dat de meetonzekerheid voor toetsing mag worden afgetrokken van de meetwaarden. Voor de continue meting van de SO2- en NOx- concentratie mag 20% van de emissie-eis in mindering worden gebracht op de meetwaarden. Voor de stofconcentratiemeting is dit 30% van de emissie-eis. Voor afzonderlijke metingen mag de meetonzekerheid, zoals die door het geaccrediteerde laboratorium is aangetoond, worden afgetrokken de meetwaarde. De meetonzekerheid die een laboratorium opgeeft, mag niet groter zijn dan de hiervoor genoemde meetonzekerheden voor continue metingen.

Continue metingen

Voor continue metingen geldt dat periodes van opstarten, stoppen en storingen buiten beschouwing worden gelaten voor de toetsing aan de emissie-eis.

Afhankelijk van de leeftijd en het type van de installatie en de emissie kent het besluit vier regimes om te toetsen of aan de emissie-eis wordt voldaan, te weten:

  1. aan de emissie-eis word voldaan indien geen 24-uursgemiddelde de emissie-eis te boven gaat;
  2. aan de emissie-eis word voldaan indien geen kalendermaandgemiddelde de emissie-eis te boven gaat, en 97% van alle 48-uursgemiddelden in een kalenderjaar niet hoger is dan 110% van de emissie-eis;
  3. aan de emissie-eis word voldaan indien geen daggemiddelde hoger is dan de emissie-eis, en 95% van alle uurgemiddelden in een kalenderjaar niet hoger is dan 200% van de emissie-eis;
  4. aan de emissie-eis word voldaan indien geen kalendermaandgemiddelde de emissie-eis te boven gaat, en 95% van alle 48-uursgemiddelden in een kalenderjaar niet hoger is dan 110% van de emissie-eis.

In onderstaande tabel is aangegeven welk toetsingregime van toepassing is in de verschillende situaties.

Installatietype

Datum vergunningverlening

vermogen < 50 MWth

vermogen ³ 50 MWth

SO2

NOx

stof

SO2

NOx

stof

Ketel of procesfornuis

voor 29-5-1987

van 29-5-1987 tot 27-11-2002

op of na 27-11-2002

II1

II

II

IV

IV

IV

II

II

II

II1

II

III

IV

IV

III

II

II

III

zuigermotor

voor 29-5-1987

van 29-5-1987 tot 27-11-2002

op of na 27-11-2002

II1

II

II

I

I

I

II

II

II

II1

II

III

I

I

I

II

II

III

Overige installaties

voor 29-5-1987

van 29-5-1987 tot 27-11-2002

op of na 27-11-2002

II1

II

II

I

I

I

II

II

II

II1

II

III

I

I

I2

II

II

III

1) In afwijking hiervan geldt voor raffinaderijen regime I.
2) In afwijking hiervan geldt voor gasturbine-installaties regime III

Afzonderlijke metingen

Voor een afzonderlijke meting geldt dat geen van de drie deelmetingen de emissie-eis mogen overschrijden. Indien de emissie-eis wel wordt overschreden, mag een bedrijf door het binnen één week uitvoeren van een "nadere meetserie" als nog aantonen dat aan de emissie-eis wordt voldaan. Een "nadere meetserie" bestaat uit een serie van negen deelmetingen. Voor een "nadere afzonderlijke meting" geldt dat aan de emissie-eis wordt voldaan indien:

  • het gemiddelde van de deelmetingen lager is dan de emissie-eis, en
  • maximaal één deelmeting de emissie-eis overschrijdt.
lucht
 

Kenniscentrum InfoMil