7.5 Afwijken in specifieke gevallen (artikelen 26 t/m 28)

7.5 Afwijken in specifieke gevallen (artikelen 26 t/m 28)

Stookinstallaties

Inhoud pagina: 7.5 Afwijken in specifieke gevallen (artikelen 26 t/m 28)

Strengere eisen (art. 27)

Artikel 27 lid 2 en 3 geeft aan in welke gevallen de vergunningverlener strengere eisen mag stellen dan de standaard emissiegrenswaarden van het Bees A. In de tabellen van bijlage 3 is aangegeven wanneer artikel 27 strengere eisen toestaat.

Artikel 27 lid 1 geeft een bijzondere regeling voor gevallen waarin in het verleden een strengere eis voor een bepaalde installatie in de vergunning was opgenomen. Zie hierover paragraaf 7.4.

Ingevolge artikel 27, vierde lid mogen strengere concentratie-eisen worden gesteld:

  1. als de (toekomstige) vergunninghouder bereid en in staat is de verdergaande voorzieningen te treffen, of
  2. als volgens de stand der techniek aan een strengere eis kan worden voldaan, terwijl voor de betreffende stookinstallatie eerder op grond van artikel 28 een minder strenge eis was voorgeschreven dan wel voor een andere stookinstallatie in de inrichting is voorgeschreven.

De reden waarom een vergunninghouder bereid zou zijn om verdergaande voorzieningen te treffen (onderdeel a) is als volgt: Dit onderdeel van artikel 27 is in Bees A opgenomen voor gevallen waarin de lokale luchtkwaliteit in het geding is. Het bevoegd gezag zou in die gevallen kunnen overwegen om de vergunning voor een inrichting te weigeren of zelfs in te trekken omdat deze een te grote toename van immissies in de regio zou veroorzaken. Doordat de vergunninghouder instemt met strengere emissiegrenswaarden kan in voorkomende gevallen een te grote toename van immissies kunnen worden voorkomen.

Ruimere eis (artikel 28)

Specifieke technische omstandigheden bij bepaalde installaties kunnen het onmogelijk maken de emissies ver genoeg te beperken. In die gevallen kunnen Gedeputeerde Staten onder bepaalde voorwaarden een hogere emissiegrenswaarde toestaan. Het gaat hier om een bevoegdheid om in bepaalde bijzondere gevallen, incidenteel, uitzonderingen te kunnen maken op de algemene regel (art. 28).

Artikel 28 lid 1 tot en met 4 bevat een speciale regeling voor bepaalde bestaande installaties. Deze houdt in dat van het Bees A afwijkende voorschriften, die voor een bepaalde datum in de vergunning waren opgenomen (meestal vóór 29-5-87) blijven gelden. Deze afwijkende voorschriften hadden indertijd moeten zijn gemeld aan het Ministerie van VROM. Bij het Ministerie is hier echter niets over bekend, dus het is de vraag of er nog inrichtingen in Nederland zijn die een beroep kunnen doen op deze regeling. Daarom zijn deze uitzonderingen niet in de tabellen van bijlage 3 opgenomen.

Artikel 28 lid 5 tot en met 9 geeft specifieke gevallen aan waarin het bevoegd gezag ruimere eisen in de vergunning mag opnemen. In de tabellen van bijlage 3 is aangegeven wanneer dit het geval is.

Artikel 28 lid 10 geeft een algemene afwijkingsmogelijkheid voor het bevoegd gezag om soepelere eisen te stellen voor NOx, indien de vergunninghouder aantoont dat een bepaalde voor zijn stookinstallatie geldende NOx-eis van het BEES A zo streng is dat niet meer gesteld kan worden dat de emissie-eis gebaseerd is op de beste beschikbare technieken. Het bevoegd gezag mag bij het stellen van deze soepelere eis voor een installatie die valt onder de LCP-richtlijn (richtlijn 2001/80/EG) niet afwijken van de eisen van deze richtlijn.

Deze afwijkingsbevoegdheid is opgenomen met het oog op gevallen waarin de algemene eisen uit het BEES A in de praktijk te streng zijn gebleken. Het gaat hierbij om een beperkt aantal, meest grote, stookinstallaties waarbij de emissie-eisen voor stikstofoxiden vanwege de specifieke constructie van de installatie (net) niet kunnen worden gehaald. Daarnaast zijn er installaties, met name gasturbines, waarbij de voorzieningen die nodig zijn om aan de eisen uit het Bees A te voldoen, tot een verhoogde slijtage leiden en het rendement van de installatie negatief wordt beïnvloed.

De vergunninghouder moet aantonen dat de emissie-eis uit het Bees A voor de betreffende stookinstallatie technisch niet haalbaar is dan wel economisch tot onredelijk hoge kosten leidt. De economische haalbaarheid wordt objectief bepaald; de individuele liquiditeit van het betreffende bedrijf kan daarom geen rol spelen. De vergunninghouder moet tevens aangeven welke emissie-eis met de voor de installatie beste beschikbare technieken wel kan worden gehaald. Omdat het bevoegd gezag bij het uitoefenen van de afwijkingsbevoegdheid artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer in acht moet nemen, waarin de eis van het toepassen van de beste beschikbare technieken is neergelegd, is verzekerd dat er geen strijd kan ontstaan met de eisen van de IPPC-richtlijn. Indien zich situaties zouden voordoen dat de betrokken installatie een meer dan marginale invloed heeft op de lokale luchtkwaliteit en dus het verruimen van de emissie-eis een negatief effect heeft op die luchtkwaliteit, is het bevoegd gezag gehouden de bestaande emissie-eis te handhaven.

In sommige gevallen moet de regionale inspecteur voor de milieuhygiëne worden gehoord indien ruimere eisen op grond van artikel 28 in de vergunning worden opgenomen.

Het bevoegd gezag moet altijd de Minister van VROM op de hoogte stellen van beslissingen die op grond van artikel 28 zijn genomen.

lucht
 

Kenniscentrum InfoMil