Landbouw - Stank Richtlijn 1996 en Brochure 1985 : Dieren waarvoor geen vaste afstanden of omrekeningsfactoren zijn
Inhoud pagina: Landbouw - Stank Richtlijn 1996 en Brochure 1985 : Dieren waarvoor geen vaste afstanden of omrekeningsfactoren zijn
Vraag
Welke afstanden gelden voor dieren waarvoor geen omrekeningsfactoren gelden en ook geen vaste afstanden worden genoemd in de Richtlijn 1996?
Let op: de Wsv is vervallen. Per 1 januari 2007 is de Wet Geurhinder en Veehouderij het exclusieve toetsingskader voor geur afkomstig uit dierenverblijven bij veehouderijen.
Antwoord
Voor een aantal diercategorieën zijn omrekeningsfactoren of vaste afstanden in de Richtlijn 1996 opgenomen (zie vraag: Dieren met omrekeningsfactoren Richtlijn 96 en Brochure 85 en Dieren met vaste afstanden Richtlijn 1996 en Brochure 1985 ).
Voor een aantal diercategorieën is dit echter niet gebeurd: of ze zijn niet opgenomen in bijlage 1, of in bijlage 2 van de Richtlijn 1996 staat achter de diercategorie dat de afstand ‘niet vastgesteld’ is.
Voor paarden en struisvogels is er geen afstand vastgesteld. Dieren als herten worden helemaal niet genoemd in de Richtlijn 1996.
Eigen bestuurspraktijk
Als er geen afstand uit de Richtlijn kan worden afgeleid, moet het bevoegd gezag voor het beoordelen van de geurhinder eigen inzichten hanteren. In de jurisprudentie is hier al het nodige over gezegd. Er lijkt ruimte te zijn om als bevoegd gezag er een eigen bestuurspraktijk op na te houden.
Uitgangspunt in de jurisprudentie onder de Richtlijnen is dat een afstand van 50 meter ongeacht de omgevingscategorie in beginsel voldoende is (ABRvS, E03.95.2002 , 6 september 1996, Bernheze en ABRvS, 31 juli 2002, 200104029/1, Deurne).
Het bevoegd gezag heeft echter de mogelijkheid een strenger beleid te hanteren. Een vaste bestuursrechtpraktijk dat tot categorie I en II objecten een afstand van 100 meter vereist is en tot categorie III en IV objecten een afstand van 50 meter wordt door de Afdeling geaccepteerd (ABRvS 1 mei 2002, 200105230/1, Vlist, ABRvS 24 september 2003, 200302677/1, Noordenveld). In deze gevallen wordt dus aangesloten bij de vaste afstanden die ingevolge de Richtlijn 1996 voor melkrundvee gelden.
Ook het hanteren van een vaste bestuurspraktijk met een vaste afstand van 50 meter ongeacht de omgevingscategorie, is dus mogelijk, zie ABRvS, 200306671/1 van 19 mei 2004, Dongeradeel en ABRvS, 200408898/1, van 15 juni 2005, Gulpen-Wittem.
Soms zijn echter ook kortere afstanden toegestaan. Bijvoorbeeld als het gaat om een gering aantal dieren (ABRvS, 24 juli 2002, 200201181/1, Elburg: vier paarden op grond van bestaande rechten mochten verplaatst worden naar een afstand van ruim 25 meter, onder het stellen van voorschriften). Ook 13 paarden op een afstand van 21 meter was acceptabel (ABRvS 13 oktober 1998, E03.96.1159, Eemnes). Een ander voorbeeld is ABRvS 16 augustus 1999, E03.97.0243 (Wijchen): Een woning op 48 meter van het emissiepunt van de paardenstal (12 paarden) is acceptabel, onder een voorschrift dat ramen van de stal gesloten moeten worden gehouden. Zie ook de volgende uitspraken:
- ABRvS 14 oktober 1999, 199900105/2 , Mook en Middelaar
- ABRvS 24 oktober 2001, 199901800/1, Middenveld
- ABRvS 3 april 2001, 200100485/1, Zeevang
Het lijkt er zelfs op dat het bevoegd gezag in bepaalde gevallen niet slechts een mogelijkheid heeft om een kortere afstand dan 50 meter te vergunnen maar een verplichting hiertoe heeft. Het bevoegd gezag moet soms zelfs motiveren waarom een afstand van bijvoorbeeld 25 meter (in bijzondere gevallen) niet voldoende is, zo blijkt uit ABRvS 12 februari 2003, 200204460/1 , Maasdriel. (Het ging hier volgens appellant om een reeds lang bestaande situatie.) Uit deze uitspraak blijkt dat als appellant zich beroept op het feit dat een kortere afstand dan 50 meter milieuhygiënisch aanvaardbaar is, het bevoegd gezag niet kan volstaan met een verwijzing naar het feit dat een vaste afstand van 50 meter noodzakelijk is.
Dat de motivatie hierin een bepalende rol speelt blijkt ook overduidelijk uit de uitspraak ABRvS 200407863/1, 16 maart 2005, Coevorden. Daarin bleek een vergunning voor 6 paarden in een stal gelegen op 44 meter afstand van een woning, in afwijking van de door verweerders gehanteerde vaste bestuurspraktijk van een minimale afstand van 50 meter tot paardenstallen, onvoldoende gemotiveerd. De motivatie dat het hier slechts zou gaan om een geringe afwijking en dat de afstand tot de in de stal gesitueerde paardenboxen wel 50 meter bedraagt, kon hier niets aan afdoen.

