Landbouw - Stank Wsv : Landbouwhuisdieren

Landbouw - Stank Wsv : Landbouwhuisdieren

Inhoud pagina: Landbouw - Stank Wsv : Landbouwhuisdieren

Vraag

Welke dieren worden in bijlage 1 onder M1 van de Rsv bedoeld met landbouwhuisdieren?

Antwoord

Minimumafstanden

Voor landbouwhuisdieren die in veehouderijen worden gehouden, zijn in bijlage I van de Rsv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld. Volgens bijlage 2 van de Rsv gelden voor deze dieren minimumafstanden van 50 respectievelijk 100 meter. 

De vraag is welke dieren landbouwhuisdieren zijn. Als dieren geen landbouwhuisdieren zijn, dan is er geen sprake van een diercategorie in de zin van de Rsv en gelden geen minimale  afstanden op grond van de Wsv en Rsv. Het bevoegd gezag zal dan zelf gemotiveerd een afstand moeten vaststellen. Dit zal een redelijke  afstand  moeten zijn, waarbij voldoende motivering moet worden gegeven. Wat redelijk is, is niet op voorhand te zeggen. Wellicht kan worden aangesloten bij de jurisprudentie onder de Richtlijn 1996, zie daarvoor Dieren waarvoor geen vaste afstanden of omrekeningsfactoren zijn - Richtlijn 1996 en Brochure 1985.

Wat zijn landbouwhuisdieren?

De toelichting op de Rsv geeft  geen nadere duidelijkheid over de vraag welke dieren wel of niet als landbouwhuisdieren worden gehouden. Volgens het ministerie van VROM gaat het om dieren die in het  kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf (veehouderij) worden gehouden in verband met de produktie van bijvoorbeeld melk, vlees, wol, veren of eieren of in verband met bijvoorbeeld het berijden van dieren.
Voorbeelden: paarden, lama's, struisvogels en konijnen.
De categorie landbouwhuisdieren is bedoeld als 'vangnet'. Een limitatieve opsomming van de diercategorieën die onder de werkingssfeer van de wet vallen, is daarmee vermeden.

Geen landbouwhuisdieren zijn bijvoorbeeld dierentuindieren, wormen, muizen, cavia’s, duiven, katten,  honden en een dierenwinkel met vissen.

85541
87393
agrarisch

Zie ook

 

Kenniscentrum InfoMil