Interimwet ammoniak en veehouderij

Home > Onderwerpen > Landbouw, tuinbouw > Ammoniak en veehouderijen > Interimwet ammoniak en veehouderij

Interimwet ammoniak en veehouderij

Ammoniak en veehouderijen

Inhoud pagina: Interimwet ammoniak en veehouderij

Vanaf 1 januari 2002 is de Interimwet ammoniak en veehouderij (Iav) vervallen. Binnen de agrarische sector is de afgelopen jaren met name omtrent veehouderijen een overvloed aan jurisprudentie ontstaan. Het aspect ammoniak speelt in een groot aantal beroepszaken een prominente rol. Belangrijkste toetsingskader was de Interimwet ammoniak en veehouderij (Iav). Hieronder is een jurisprudentieoverzicht opgenomen met diverse uitspraken en wetenswaardigheden die op de toepassing van de Iav betrekking hebben.

Onderwerp
1. Verhouding tot de Wet milieubeheer/8.40 amvb's
2. Bepalen van de ammoniakemissie
3. Voor verzuring gevoelige gebieden
4. Omvang van vergunde rechten
5. Legalisatie
6. Ammoniakreductieplan
7. Toepassen saldomethode

1 Verhouding tot de Wet milieubeheer/8.40 amvb's

De toetsing van ammoniak voorafgaande aan het in werking treden van de Iav:
Voordat op 26 augustus 1994 de Interimwet ammoniak en veehouderij in werking trad werd het aspect ammoniak van de milieuvergunning, net als alle andere milieuaspecten getoetst aan het beoordelingskader van de Wet milieubeheer en voor 1 maart 1993 aan de Hinderwet.
Blijkens jurisprudentie diende in dat kader bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de door de veehouderij te veroorzaakte ammoniakdepositie niet alleen gekeken te worden naar de depositie van het bedrijf zelf maar ook naar de ter plaatse reeds heersende achtergronddepositie. Indien de achtergronddepositie te hoog was, was uitbreiding op bedrijfsniveau niet toegestaan. Indien in de toekomst, na het vervallen van de Iav, het aspect ammoniak weer aan de Wet milieubeheer getoetst moet worden, kan deze uitspraak weer relevant worden.

  1. AGRvS d.d. 30 december 1992, nr. G05.91.1665 (Ambt Delden) M en R 1993, nr. 22 "..De Afdeling overweegt dienaangaande dat, sedert de wijziging van de Hinderwet per 1 november 1981, zo blijkt uit de toelichting op art. 13 van de wet, bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning zoals deze aan de bestreden beschikking ten grondslag ligt, evenzeer de cumulatieve effecten van de beoogde activiteit naast de reeds aanwezige achtergrondbelasting van gevaar, schade en hinder - zoals het achtergronddepositieniveau van ammoniak - moeten worden betrokken. Indien deze beoordeling leidt tot de conclusie dat, in verband met de reeds aanwezige achtergrondbelasting, door de beoogde activiteit in onaanvaardbare mate gevaar, schade of hinder zal optreden, hetgeen niet door het stellen van voorschriften kan worden voorkomen dan wel in voldoende mate worden beperkt, moet de gevraagde vergunning worden geweigerd.."

Exclusieve toetsingskader Iav:

  1. ABRS 18 november 1994, G05.93.2718 (Denekamp)
    "..Gelet op artikel 2, eerste lid Iav, dient bij de bepaling van de ammoniakemissie en -depositie van veehouderijen de Iav en de Uav het exclusieve toetsingskader te vormen.."

Dit exclusieve toetsingskader betekent dat er geen ruimte is voor toepassing van de Wet milieubeheer. De consequenties hiervan zijn bijvoorbeeld terug te vinden in de volgende uitspraak. In deze uitspraak geeft de afdeling aan dat door het in werking treden van de Iav artikel 8.18 Wm (het vervallen van ammoniakrechten indien de inrichting niet binnen drie jaar is opgericht en in werking gesteld) niet geldt:

  1. ABRvS d.d. 15 januari 1998, nr. E03.96.0162 (Tubbergen)
    "..De afdeling stelt vast dat op het moment van in werking treden van de Interimwet de in artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer gestelde termijn van drie jaar sinds het onherroepelijk worden van de vergunning uit 1992 (nog) niet was verstreken. Gelet op het vorenstaande is ten aanzien van de uitstoot van ammoniak een mogelijk (gedeeltelijk) vervallen van de vergunning in dit geval niet aan de orde.."

In de volgende uitspraak wordt artikel 26 lid 1 Hinderwet (thans artikel 8.25 lid 1 aanhef en onder a Wet milieubeheer) niet toegepast vanwege het exclusieve karakter van de Iav. Consequentie van deze uitspraak is dat een vergunning niet ingetrokken kan worden indien de inrichting een ontoelaatbaar hoge ammoniakuitstoot of -depositie veroorzaakt:

  1. ABRvS d.d. 28 april 1997 nr. E03.95.1328 (Ambt Delden)
    ".. de beoordeling of de inrichting vanwege de ammoniakdepositie in ontoelaatbare mate schade veroorzaakt kan niet anders plaatsvinden dan aan de hand van de Iav....Naar het oordeel van de Afdeling kan de ammoniakdepositie die op grond van de voor de inrichting geldende vergunning is toegestaan, niet als ontoelaatbaar worden aangemerkt, onafhankelijk van de hoogte van de ammoniakdepositie die de inrichting veroorzaakt..."

Een andere consequentie van het feit dat de Iav een exclusief toetsingskader vormt, is dat indien de Iav geen mogelijkheid biedt om beperkingen aan de ammoniakemissie of -depositie te stellen, ammoniak geen weigeringsgrond kan zijn voor de vergunning. Voor de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat bedrijven op meer dan 3000 meter van voor verzuring gevoelig gebied, wat ammoniak betreft, vrijwel onbeperkt kunnen uitbreiden.

  1. ABRvS d.d. 18 september 1995, nr. E03.94.1848 (Helden)
    "..In de in bijlage 3 (v.d. Uav red.) opgenomen tabel met omrekeningsfactoren van ammoniakemissie naar de depositie wordt een maximale afstand .. gehanteerd van 3000 meter. Uit artikel 2, eerste lid, Iav volgt dat bij de beoordeling van de ammoniakdepositie van veehouderijen de Iav en de Uav het exclusieve toetsingskader vormen ..... Ten aanzien van de emissie van ammoniak merkt de Afdeling op dat deze geacht moet worden te zijn verdisconteerd in de Interimwet en de daarop gebaseerde Uav, zodat daarmee evenmin afzonderlijk rekening kan worden gehouden. Gezien het voorgaande is er geen ruimte voor de toepassing van andere inzichten met betrekking tot de bepaling en de beoordeling van ammoniakemissie en -depositie .. dan welke zijn neergelegd in de Interimwet ammoniak en veehouderij en de daarop gebaseerde Uav..".

Op de regel dat de Iav exclusief toetsingskader is voor het aspect ammoniak, zijn door de Afdeling bestuursrechtspraak twee uitzonderingen geformuleerd, namelijk de directe ammoniakschade en de ammoniakemissie en -depositie die niet wordt voor veroorzaakt door de aanwezige dieren en stalsystemen waarin deze dieren worden gehouden. Dit betekent dat voor die onderdelen de Wet milieubeheer het toetsingskader vormt.

  1. ABRvS d.d. 13 mei 1996, nr. E03.95.0885 (Maurik)
    "..Zij is bevreesd voor schadelijke gevolgen voor de nabij de inrichting gelegen boomkwekerij/boomgaard, nu de bij het besluit verleende vergunning leidt tot een toename van de ammoniakemissie. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat schade door ammoniak is te vrezen voor een nabij de inrichting gelegen boomgaard overweegt de Afdeling als volgt. In het kader van de toepassing van de Wet milieubeheer kan mogelijke schade aan bedoelde boomgaard door uitstoot van ammoniak van belang zijn.."
  2. ABRvS d.d. 6 april 1998, nr. E03.95.0624 (GS van Overijssel)
    "..Uit de vergunningaanvraag komt naar voren dat bij het groenafval runderdrijfmest wordt gemengd, welk mengsel vervolgens wordt gecomposteerd. De emissie van de composteerinstallatie bedraagt volgens de aanvraag 5200 kg NH3 per jaar. Blijkens de overwegingen van het bestreden besluit hebben verweerders bij de beoordeling van de emissie en de zuurdepositie die daarvan het gevolg is, de bepalingen van de Interimwet ammoniak en veehouderij analoog toegepast. De Afdeling heeft eerder overwogen dat de mogelijke schade door ammoniak, die afkomstig is uit een inrichting als deze, niet dient te worden beoordeeld aan de hand van de milieuhygiënisch inzichten die zijn neergelegd in de Interimwet ammoniak en veehouderij. Naar het oordeel van de Afdeling dient in dit geval bij de beoordeling van de aanvraag wat betreft schade door ammoniak de NER, en met name hoofdstuk 3, paragraaf 3.5/18, tot uitgangspunt te worden genomen..".
  3. ABRvS d.d. 29 juli 1999, nr. E03.96.1025 (Helden)
    "..Naar het oordeel van de Afdeling is gelet op de parlementaire geschiedenis van de Interimwet de strekking van artikel 2, eerste lid, van de Interimwet dat de Interimwet en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling het exclusieve toetsingskader vormen voor de beoordeling van de ammoniakdepositie van veehouderijen slechts voor zover het betreft de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door de in die veehouderij aanwezige dieren en stalsystemen waarin deze dieren worden gehouden..Mede gelet op het feit dat het aantal, de soort en de grootte van mestbassins of -silo's niet steeds in een vaste verhouding staan tot de gebruikte stalsystemen, leidt de Afdeling hieruit af dat de Interimwet geen betrekking heeft op de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door de emissie van ammoniak uit mestbassins die op een veehouderij aanwezig zijn. De Wet milieubeheer is voor de beoordeling hiervan het toetsingskader.."

2 Bepalen van de ammoniakemissie

De ammoniakemissie wordt ingevolge artikel 4 van de Uav berekend door het aantal aanwezige dierplaatsen te vermenigvuldigen met de in bijlage 4 van de Uav opgenomen emissiefactoren Ingevolge jurisprudentie moet echter van het aantal dieren uitgegaan worden en niet van dierplaatsen:

  1. ABRvS d.d. 13 juni 1996, nr. G05.93.0922 (Liempde)
    "..Uit de omstandigheid dat noch in de Interimwet zelve, noch in de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling, is aangegeven op welke wijze de verhouding tussen aantallen dieren en dierplaatsen in een veehouderij kan worden vastgesteld, moet het ervoor worden gehouden dat de besluitgever bij het opstellen van de Uitvoeringsregeling dieren en dierplaatsen voor de berekening van de ammoniakemissie gelijk heeft gesteld..De Afdeling constateert dat de op dit geschil van toepassing zijnde gewijzigde Uitvoeringsregeling evenmin aangeeft op welke wijze de verhouding tussen dieren en dierplaatsen kan worden vastgesteld. Mede gelet op de toelichting behorende bij de wijziging van de Uitvoeringsregeling, waaruit blijkt dat vanwege de ingewikkeldheid ervan vooralsnog is afgezien van het opnemen van een bepaling waarin precies wordt aangegeven hoe de berekening op basis van een aantal dierplaatsen zou moeten plaatsvinden, is de Afdeling van oordeel dat ook onder de gewijzigde Uitvoeringsregeling bij de berekening van de totale ammoniakemissie en -depositie niet van het aantal dierplaatsen, maar van het aantal dieren moet worden uitgegaan.."

Bij het bepalen van de omvang van in het verleden vergunde rechten dienen de ammoniakemissiefactoren gehanteerd te worden zoals die gelden ten tijde van het nieuw te nemen besluit:

  1. ABRvS d.d. 10 maart 1998, nr. E03.96.1505 (Hummelo en Keppel)
    "..Nu noch in de Iav, noch in de Uav een overgangsbepaling is opgenomen, inhoudende dat bij de vaststelling van bestaande rechten uit moet worden gegaan van de destijds geldende normen, dienen de bestaande rechten te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende bepalingen..".

Van de in bijlage 4 van de Uav opgenomen emissiefactoren mag niet afgeweken worden. Indien het een stalsysteem betreft dat niet als zodanig genoemd is dient aangesloten te worden bij een emissiefactor die wel in de Uav is opgenomen:

  1. ABRvS d.d. 2 juli 1998, nr. E03.96.0049 (Druten).
    "..De Afdeling stelt vast dat in bijlage 4 behorende bij de Uitvoeringsregeling, zoals deze gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, de bij het bestreden besluit voorgeschreven Groen Label-stal niet is vermeld. Zolang de Uitvoeringsregeling, naar aanleiding van bijvoorbeeld nieuwe technische ontwikkelingen, niet is gewijzigd, moet volgens de wet voor de berekening van de ammoniakemissie worden uitgegaan van de in bijlage 4 genoemde stalsystemen. Dit betekent in dit geval dat moet worden uitgegaan van "overige gedeeltelijke roostervloer" met een bijbehorende emissiefactor van 2,5 kg NH3 per vleesvarken per jaar....".

Diersoorten die niet genoemd worden in de Uav hebben, voor wat de Iav betreft geen ammoniakemissie en kunnen dus niet geweigerd worden vanwege het aspect ammoniak:

  1. ABRvS d.d. 16 februari 1996, nr. E03.93.0733 (Ede)
    "..In de Uav wordt geen emissiefactor voor ganzen gegeven. Derhalve dienen de ganzen buiten beschouwing te worden gelaten bij de beantwoording van de vraag of het verlenen van de gevraagde vergunning uit het oogpunt van ammoniakemissie toelaatbaar is.."

3 Voor verzuring gevoelige gebieden

Bosgebieden in het buitenland:
In de Uav wordt aangegeven welke gebieden voor verzuring gevoelig zijn. Gebieden in het buitenland zijn dit in ieder geval niet:

  1. ABRvS d.d. 15 januari 1996, nr. E03.95.002 (Groesbeek) (AB 1996, 333)
    "..Gelet op het stelsel van de Interimwet en de Uitvoeringsregeling is de Afdeling van oordeel dat een natuurgebied buiten Nederland niet als een voor "verzuring gevoelig gebied" in de zin van de Interimwet kan worden aangemerkt.."

Aanwijzingscriteria:
De criteria waaraan een gebied moet voldoen wil het aangemerkt worden als voor verzuring gevoelig zijn niet altijd even duidelijk te hanteren. Dit blijkt uit het volgende overzicht:

  1. ABRvS d.d. 12 juni 1997, nr. E03.95.1274 (Sas van Gent) (Nieuwsbrief StAB 97-60)
    "..Dienaangaande overweegt de afdeling dat de bovenste 80 cm van de bodem in de regel bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een voor verzuring gevoelig gebied..."
  2. ABRvS d.d. 19 november 1998, nr. E03.97.0689 (Ambt Delden)
    "..De omstandigheid dat twee bospercelen van elkaar worden gescheiden door een zandweg, die inclusief de bermen ongeveer 10 meter breed is, betekent in dit geval niet dat niet meer kan worden gesproken van hetzelfde bosgebied. De scheiding van de gebieden door de zandweg is niet van een zodanige aard en omvang dat daardoor twee bossen ontstaan. Het desbetreffende gebied moet als één bos worden beschouwd..."
  3. ABRvS d.d. 3 november 1998, nr. E03.97.0669 (Voorst)
    ".. De stelling dat een bos met een oppervlakte van ten minste 5 ha ook van rechtswege beschermd is, wanneer het gedeelte dat op voor verzuring gevoelige grond ligt minder dan 5 ha bedraagt, berust op een onjuiste interpretatie van artikel 2, lid 1, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij. Behoudens de in artikel 2, lid 2, genoemde uitzondering wordt enkel bescherming geboden aan bosgebieden en andere landschapselementen voor zover deze zijn gelegen op voor verzuring gevoelige grond.."

Schraallanden:
Met name bij de zogenaamde schraallanden is het vaak moeilijk te bepalen of het een voor verzuring gevoelig gebied betreft. Dit zal te maken hebben met het ontbreken van een duidelijke definitie van schraalland en met het feit dat schraalland ook beschermd dient te worden indien het niet op voor verzuring gevoelige bodem is gelegen. De volgende twee uitspraken illustreren dit:

  1. ABRvS d.d. 14 december 1998, nr. E03.96.1111 (agriselect 1, maart 1999, nr. 4.4)
    ".. de omstandigheid dat het gebied niet is aangegeven op de signaleringskaart richtlijn Ammoniak en Veehouderij 1991 betekent niet dat dit gebied geen schraalland kan zijn. Die kaart is bedoeld als hulpmiddel en geeft niet altijd de actuele situatie weer."
  2. ABRvS d.d. 19 december 1997, nr. E03.96.0346 (Kerkwijk) en
  3. ABRvS d.d. 14 december 1998, nr. E04.96.1111 (Zevenaar)
    " .. Naar het oordeel van de Afdeling is echter niet genoegzaam aannemelijk, dat het betreffende gebied kon worden aangemerkt als schraalland. Weliswaar komt binnen het gebied mogelijk graslanden voor met een vegetatiesamenstelling die ze in potentie als schraalland kenmerkt, en is het beheer er op gericht deze eigenschappen te beschermen, doch een en ander vormt onvoldoende grond om er van uit te gaan, dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van een schraalland in de zin van de Uav.."

Convenant:
Voor verzuring gevoelige gebieden verliezen hun voor verzuring gevoelige status indien er met betrekking tot de instandhouding en ontwikkeling van het gebied een convenant wordt afgesloten. Het is waarschijnlijk dat een dergelijk convenant niet mag inhouden dat een zelfde gebied voor het ene bedrijf wel voor verzuring gevoelig is en voor het andere niet.

  1. Vz. ABRvS d.d. 11 mei 1999, nr. F03.99.0071 (Borger-Odoorn)
    "..Verzoeker meent dat in bepaling 2 van het Convenant ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen rundveebedrijven en intensieve veehouderijen, omdat het naar zijn mening voor de ammoniakdepositie niet uitmaakt door welke dieren deze wordt veroorzaakt. Hij meent dat die bepaling onverbindend is. De Voorzitter acht het niet uitgesloten dat een onderscheid als in bepaling 2 van het Convenant is gemaakt, zich niet verdraagt met de uitgangspunten van de Interimwet en de Uitvoeringsregeling.."

4 Omvang van vergunde rechten

Bij het bepalen wat nog de omvang is van in het verleden vergunde ammoniakrechten zijn drie verschillende wettelijke regimes relevant. Namelijk de Hinderwet, de Wet milieubeheer en de Interimwet ammoniak en veehouderij.
Ingevolge de Hinderwet die tot 1 maart 1993 van toepassing was, verviel een vergunning van rechtswege indien de inrichting niet binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning voltooid en in werking was gebracht. Verder bepaalde de Hinderwet dat de vergunning (gedeeltelijk) van rechtswege vervalt indien de inrichting gedurende drie achtereenvolgende jaren (gedeeltelijk) buiten werking is geweest. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtsgeldigheid van vergunningen die voor 1 maart 1990 onherroepelijk zijn geworden, voor wat betreft de periode tot 1 maart 1993, plaats dient te vinden aan de hand van deze bepalingen uit de Hinderwet.
Uit jurisprudentie blijkt dat de stallen niet alleen binnen drie jaar gerealiseerd moeten zijn maar dat ook de vergunde dieren aanwezig moeten zijn. Indien binnen drie jaar slechts een gedeelte van de vergunde dieren aanwezig is geweest, vervalt de vergunning voor het niet aanwezige gedeelte.

  1. ABRvS d.d. 19 maart 1999, nr. E03.97.0297 (Oldebroek)
    "..De onderliggende vergunning van 17 oktober 1989, die onherroepelijk is geworden op 7 december 1989, heeft betrekking op het houden van 300 mestkalveren en 200 mestvarkens..Op grond van de stukken stelt de Afdeling vast dat deze twee mestkalverenstallen binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning van 17 oktober 1989 zijn gerealiseerd...Uit de meitellingen van de jaren 1989 - 1992 blijkt niet dat in de genoemde periode ooit meer dan 317 mestkalveren en 96 mestvarkens in de inrichting aanwezig waren. Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat de inrichting vanaf 1989 drie achtereenvolgende jaren voor een gedeelte buiten werking is geweest. De onderliggende vergunning van 17 oktober 1989 is derhalve op grond van artikel 27, derde lid, van de Hinderwet, gedeeltelijk vervallen.."

Indien de stal niet gerealiseerd is, maar de voor de stal bestemde dieren zijn elders in de inrichting gehouden, vervalt de vergunning toch voor deze dieren.

  1. AGRvS d.d. 28 oktober 1993, nr.G05.92.0368 (Veghel) Nieuwsbrief BABM, 4e kwartaal 1993, 93-75
    "..Onbetwist is dat de fokvarkensstal en drie berenhokken niet zijn gerealiseerd. De Afdeling is van oordeel dat de vergunning in zoverre ingevolge artikel 27, derde lid, van de Hinderwet is komen te vervallen. De omstandigheid dat de dieren, in afwijking van de vergunning, in een ander gedeelte van de inrichting zijn gehouden kan er naar het oordeel van de Afdeling..niet toe leiden dat voor wat deze dieren betreft aanspraak kan worden gemaakt op bestaande rechten.."

Indien de stal wel gerealiseerd is en alle dieren gehouden zijn, maar ze zijn gedeeltelijk gehouden in andere tot de inrichting behorende stallen, dan lijkt de Afdeling niet zo gauw het vervallen van rechten aan te nemen.

  1. ABRvS d.d. 22 juni 1999, nr. E03.97.1020 (Aalten)
    "..Door verweerders is niet betwist dat een gedeelte van de 1.286 vergunde biggen niet is gehuisvest in overeenstemming met de..vergunning van 1989. In stal 14,.. bedoeld voor de huisvesting van 350 biggen, zijn slechts 180 biggen gehouden. Op grond van de stukken ...is komen vast te staan dat in de inrichting voldoende plaatsen waren om het vergunde aantal dieren te houden en dat de 170 vergunde biggen die niet in stal 14 zijn gehouden in andere stallen zijn gehouden, waarop de onderliggende vergunningen eveneens betrekking hebben. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunde rechten voor dat gedeelte zijn komen te vervallen..."

Indien vervolgens gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar geen of minder dieren aanwezig waren, vervalt de vergunning van rechtswege voor het niet gehouden gedeelte.

  1. ABRvS d.d. 13 januari 1995, nr. G05.93.1454 (Neede)
    "..Op grond van de meitellingen moet de Afdeling ..vaststellen dat..gedurende meer dan drie jaren geen mestvarkens zijn gehouden... De opvatting van de vergunninghouder, dat bestaande rechten niet verloren gaan wanneer in elke stal steeds althans enig vee aanwezig is geweest, berust op een onjuiste interpretatie van de jurisprudentie van de AGRvS en de ABRvS..In verband hiermee zijn de onderliggende vergunningen voor het houden van 300 mestvarkens komen te vervallen..".

Vanaf 1 maart 1993 wordt de rechtsgeldigheid van de vergunning beoordeeld aan de hand van de Wet milieubeheer. Onder het regime van de Wet milieubeheer vervalt een vergunning niet meer van rechtswege indien gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar geen of minder dieren aanwezig zijn geweest. Wel kan de gemeente in voorkomend geval ambtshalve en op verzoek een procedure tot (gedeeltelijke) intrekking van de vergunning volgen. Onder de Wet milieubeheer vervalt een vergunning alleen nog van rechtswege indien de inrichting niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning is voltooid en in werking gebracht. Anders dan onder de Hinderwet neemt de afdeling al gauw aan dat een inrichting is voltooid.

  1. ABRvS d.d. 27 februari 1998. nr. E03.96.0361(Tubbergen) (JM 1998, nr. 71):
    "..is komen vast te staan dat binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van het besluit.. minstens drie muren en het dak van deze stal waren gerealiseerd...Nu voorts vast staat dat er sprake was van een constructie bedoeld en geschikt om als stal te worden gebruikt, moet geoordeeld worden dat de inrichting in zoverre is voltooid..."

Verder geldt onder de Wet milieubeheer ook niet meer dat de vergunning gedeeltelijk van rechtswege vervalt indien binnen drie jaar slechts een gedeelte van de vergunde dieren aanwezig is geweest. Waar het om gaat is dat er in de stal bedrijfsmatig dieren gehouden moeten zijn. Is dat het geval dan is de inrichting volledig in werking gebracht.

  1. ABRvS d.d. 27 februari 1998, nr. E03.96.0160 (Tubbergen) (JM 1998, nr. 70):
    "..Aangezien in elk van deze stallen voorts op bedrijfsmatige dieren zijn gehouden is de inrichting eveneens in werking gebracht, zij het op beperkte schaal...Gelet op het vorenstaande concludeert de afdeling dat de onderhavige inrichting is voltooid en in werking gebracht als bedoeld in artikel 8.18 lid 1 Wet milieubeheer, zodat van een (gedeeltelijk) vervallen van de vergunning geen sprake kan zijn..."

Indien echter een stal in zijn geheel niet gebouwd is vervalt de vergunning van rechtswege. Dit is ook het geval indien de betreffende dieren elders in de inrichting zijn gehouden. Wat dit betreft is er niets veranderd ten opzichte van het Hinderwet regime (zie ook uitspraak b.)

  1. ABRvS d.d. 5 juli 1996, nr. E03.94.0975 (Nieuwsbrief BABM 3e kwartaal 96-84)
    "...De Afdeling stelt vervolgens vast dat een van de stallen niet is gerealiseerd ..Aangezien op het moment van het in werking treden van de Interimwet de ..in artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer genoemde termijn van 3 jaar.. was verstreken, moet worden geconcludeerd dat deze vergunning, voor zover de niet gerealiseerde stal en de daarin te houden dieren betreft, is komen te vervallen... De omstandigheid dat deze dieren elders in de inrichting zouden zijn gehouden, kan de Afdeling niet tot een ander oordeel leiden.."

Omdat de op 26 augustus 1994 in werking getreden Interimwet ammoniak en veehouderij het exclusieve toetsingskader vormt voor het beoordelen van de ammoniakemissie en -depositie (zie 1.1) wordt vanaf die datum de rechtsgeldigheid van de vergunning, voor wat betreft de ammoniakrechten, beoordeeld aan de hand van de Interimwet. Volgens de afdeling betekent dit dat indien op 26 augustus 1994 de termijn van drie jaar voor het voltooien en in werking brengen van de inrichting nog niet is verstreken, de vergunde ammoniakrechten niet meer van rechtswege kunnen vervallen. De vergunning voor een niet gebouwde stal kan dus niet van rechtswege vervallen (althans voor wat betreft de vergunde ammoniakrechten.

  1. ABRvS d.d. 15 januari 1998, nr. E03.96.0162 (Tubbergen)
    "..De afdeling stelt vast dat op het moment van in werking treden van de Interimwet de in artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer gestelde termijn van drie jaar sinds het onherroepelijk worden van de vergunning uit 1992 (nog) niet was verstreken. Gelet op het vorenstaande is ten aanzien van de uitstoot van ammoniak een mogelijk (gedeeltelijk) vervallen van de vergunning in dit geval niet aan de orde.."

De vraag is of deze uitspraak betekent dat de vergunning ook voor wat betreft bijvoorbeeld het stankaspect nog volledig van kracht is. Het lijkt mij van wel. Aan de bepaling van de ammoniakemissie en -depositie ligt altijd een hoeveelheid dieren ten grondslag. Als er nog ammoniakdepositie vergund is, dan moeten er dus ook nog dieren vergund zijn met de daarmee corresponderende mestvarkeneenheden.
De rechtsgeldigheid van een na 26 augustus 1994 wordt ook beoordeeld aan de hand van de Interimwet. Uit de volgende uitspraak blijkt dat in die situatie de met de, na 26 augustus 1994 onherroepelijk geworden, vergunning corresponderende ammoniakdepositie in de plaats treedt van de ammoniakdepositie die op het moment van in werking treden van de Iav vergund was.

  1. ABRvS d.d. 4 augustus 1998, nr. E03.97.0425
    "..Ingevolge artikel 5 van de Interimwet geldt voor een veehouderij waarvoor op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, een onherroepelijke vergunning gold, - behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 6 - als waarde voor de ammoniakdepositie: de waarde van de depositie die op die datum ingevolge die vergunning ten hoogste was toegestaan. Indien deze waarde minder bedraagt dan 15 mol, geldt als waarde ten hoogste 15 mol......Met betrekking tot de betekenis van artikel 5 van de Interimwet oordeelt de Afdeling dat deze bepaling het kader voor toetsing van een vergunningaanvraag aan eerder vergunde rechten geeft. Hierbij heeft de wetgever kennelijk (met name) het kader voor toetsing van het eerste met toepassing van de Interimwet te nemen besluit voor ogen gehad. Een redelijke wetsuitleg brengt echter mee dat nadat eenmaal met toepassing van de Interimwet een besluit inzake de verlening dan wel wijziging van een vergunning is genomen, het desbetreffende besluit wordt betrokken bij een daarna te nemen besluit ten aanzien van de desbetreffende inrichting.."

Aan welk regime de rechtsgeldigheid van de vergunning getoetst moet worden voor wat betreft de ammoniakrechten is dus afhankelijk van de datum waarop de vergunning onherroepelijk wordt. Uit onderstaand schema kan, uitgaande van de datum van onherroepelijk worden van de vergunning, afgeleid worden aan de hand van welke regeling beoordeeld moet worden of de inrichting op tijd is voltooid en in werking gesteld.

Toetsingskader Hinderwet Wet milieubeheer Iav Wet milieubeheer datum

Voor het beoordelen van de rechtsgeldigheid van een vergunning zijn gegevens nodig. Gedacht kan worden aan meitellingen, diertellingkaarten, accountantgegevens, bedrijfscontroleverslagen. Zonder gegevens kan moeilijk geconcludeerd worden dat een vergunning van rechtswege vervallen is.
Een agrariër is, indien hij een aanvraag indient, niet zonder meer verplicht tellinggegevens aan de gemeente ter beschikking te stellen.

  1. ABRvS d.d. 4 augustus 1998, E03.96.1462 (Wijchen)
    "...Verweerders hebben de aanvraag buiten behandeling gelaten omdat appellant heeft geweigerd de hem .. gevraagde meitellingen en mestboekhoudgegevens over te leggen. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat deze gegevens nodig zijn om te kunnen beoordelen of sprake is van vervallen rechten... Zij vermoeden dat hiervan sprake is.." De afdeling overweegt vervolgens als volgt: "...Het standpunt van verweerders steunt immers uitsluitend op het vermoeden dat de onderliggende vergunning... is vervallen, welk vermoeden enkel is gebaseerd op een uitlating van appellant, die door hem wordt ontkend. Niet gebleken is dat dit vermoeden steunt op enig ander argument. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is..."

Pas als er een gegrond vermoeden is dat de vergunning van rechtswege vervallen is, is er voor het bevoegd gezag reden om hier onderzoek naar te doen. Ook indien in een (voorbereidings)procedure van een milieuvergunning door derden gesteld wordt dat de onderliggende vergunning vervallen is, zullen deze derden voor deze stelling een begin van bewijs moeten leveren. Indien dit lukt, dient het bevoegd gezag onderzoek te doen naar het vervallen zijn van de vergunning.

  1. ABRvS d.d. 1 juni 1994, nr. G05.93.2026 (Heythuisen) (Nieuwsbrief BABM 2e kwartaal 1994, nr. 94-33)
    "..Zoals verweerders terecht stellen zijn meitellingen momentopnamen.. Tevens merken verweerders terecht op, dat het in het kader van de vergunningverlening in beginsel aan bezwaarmaker is om aan te tonen dat een eerder ten behoeve van de inrichting verleende vergunning geheel of gedeeltelijk is vervallen. Nu de meitellingen in evenwel dit geval een sterke aanwijzing geven dat gedurende langere tijd geen dieren dan wel minder dan het vergunde aantal dieren in de inrichting aanwezig zijn geweest, hadden verweerders zelf moeten onderzoeken of de vergunning.. geheel of gedeeltelijk was vervallen..".
  2. ABRvS d.d. 24 juni 1999, nr. E03.97.1425 (Wierden)
    "..Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Hinderwet, vervalt, wanneer een gedeelte van de inrichting gedurende drie achtereenvolgende jaren buiten werking is geweest, de vergunning voor dat gedeelte..De Afdeling overweegt dat het in beginsel op de weg ligt van appellante om feiten en omstandigheden aan te voeren welke althans een begin van bewijs opleveren voor de juistheid van de stelling dat de onderliggende vergunning gedeeltelijk is vervallen. De mededeling van appellante dat dit blijkt uit - niet door haar overgelegde - meitellingen, biedt voor de juistheid van deze stelling onvoldoende steun.."

Op het moment dat er reden is om een onderzoek uit te voeren naar de rechtsgeldigheid van een vergunning, dan hoeven tellingen niet allesbepalend te zijn voor het bepalen van de rechtsgeldigheid van de vergunning.

  1. ABRvS d.d. 26 februari 1999, E03.97.0865 (Renswoude)
    "..Appellante heeft betoogd dat uit de meitellingen.. blijkt..dat er structureel minder dieren zijn gehouden dan vergund. Met name het aantal mestvarkens, waarvan in 1978 220 stuks waren vergund, was in de jaren 1981-1983 zeer laag; respectievelijk 21, 0 en 0, aldus appellante. Op grond van het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat de meitellingen in de periode 1978-1983 geen juist beeld geven omtrent de vergunde mestvarkens, omdat deze werden gehouden op basis van een contract met een veevoederfabrikant, hetwelk ertoe leidde dat de mestvarkens niet werden weergegeven in de meitellingen. Ter nadere zitting heeft appellant ook niet anderszins aannemelijk gemaakt dat structureel minder varkens in de inrichting zijn gehouden. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat de vergunning ... gedeeltelijk is komen te vervallen.."

Indien overigens door het bevoegd gezag tellingen gebruikt worden in de vergunningprocedure, dan dienen deze ook ter inzage worden gelegd voor derden.

  1. ABRvS d.d. 18 juni 1999, nr. E03.96.1010 (Denekamp)
    "..Nu verweerders controle (van de rechtsgeldigheid van de onderliggende vergunning red.) nodig hebben geoordeeld en daarbij gebruik hebben gemaakt van meitellingen, kunnen de daarin vervatte gegevens niet als grondslag voor het besluit worden gebruikt zonder dat deze documenten ter inzage worden gelegd. De afdeling acht in dit verband niet van belang dat de tellinggegevens geen deel uit maken van de aan de onderwerpelijke vergunning ten grondslag liggende aanvraag..".

Vergunde rechten amvb bedrijven:
Volgens de letterlijke tekst van artikel 5 Iav kan alleen ammoniakdepositie die volgens een vergunning is toegestaan als vergund recht aangemerkt worden. Dit zou betekenen dat alle bedrijven die onder het besluit melkrundveehouderijen vallen en vergunningplichtig worden, omdat ze bijvoorbeeld willen uitbreiden, geen bestaande depositierechten hebben voor het tot dan toe legaal gehouden veebestand.
Uit de volgende uitspraak blijkt echter dat in die situaties het op 26 augustus 1994 gehouden veebestand als vergund recht aangemerkt kan worden.

  1. ABRvS d.d. 12 oktober 1995, nr. E03.94.1925 (Terschelling)
    "..dient vooreerst de vraag te worden beantwoord of artikel 5 Iav mede betrekking heeft op gevallen waarin op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer geen vergunning is vereist. Gelet de strekking van artikel 5, te weten het bieden van bescherming aan gevallen waarin legaal vee is gehouden, dient deze naar het oordeel van de Afdeling bevestigend beantwoord te worden...De afdeling is van oordeel dat het veebestand dat ten tijde van het in werking treden van de Iav, op 26 augustus 1994, in de inrichting werd gehouden beschouwd dient te worden als het veebestand dat ten tijde van het in werking treden van de Iav krachtens een onherroepelijke vergunning binnen de inrichting werd gehouden..."

Het besluit melkrundveehouderijen is pas eind 1996 aangepast aan de Iav. Tot die tijd was onder dit besluit nieuwvestiging (tot 15 mol) of uitbreiding (tot 30 mol) mogelijk, ook in gebieden waar andere veehouderijen die vergunningplichtig waren vanwege de Iav geen uitbreidingsmogelijkheden hadden. Het lijkt er op dat bedrijven die na 26 augustus 1994 op grond van het besluit zijn opgericht of uitgebreid, deze depositie niet om kunnen zetten in vergunde rechten.

  1. Vz. ABRvS d.d. 13 augustus 1998, nr. F03.98.0469 (Coevorden)
    "..Voor de toepassing van artikel 5 Iav moet het veebestand dat aanwezig was ten tijde van het in werking treden van de Iav op 26 augustus 199 worden beschouwd als het veebestand dat ten tijde van het in werking treden van de Iav krachtens een onherroepelijke vergunning binnen de inrichting werd gehouden. De voormalige eigenaar ...heeft eerst op 28 maart 1995 - derhalve na het in werking treden van de Iav - bij de gemeente een melding op grond van het besluit gedaan... Door deze melding te betrekken in haar besluitvorming heeft de gemeente de omvang van de bestaande rechten miskend en derhalve een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 5 Iav..".

Andere dieren aanwezig dan vergund:
Zowel onder de Hinderwet als onder de Wet milieubeheer leidt het houden van andere dieren dan vergund niet automatisch tot het vervallen van de vergunning. Van belang voor het beoordelen van het vervallen van rechten is of de met de dieren corresponderende ammoniakemissie aanwezig is geweest:

  1. ABRvS d.d. 23 januari 1995, nr. G05.93.3064 (Wijchen)
    "..Vast staat dat in de inrichting niet..de daarbij vergunde 40 melkkoeien zijn gehouden. Verweerders hebben echter aangegeven dat voor deze melkkoeien andere dieren zijn gehouden. De ammoniakemissie van de veestapel die feitelijk.. is gerealiseerd, is volgens verweerders niet minder geweest dan de ammoniakemissie..die is vergund. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling vervalt in een dergelijk geval, waarin de ammoniakemissie van de veestapel gelijk blijft aan hetgeen vergund is, de vergunning niet..."
  2. ABRvS d.d. 13 juli 1999, nr. E03.97.1021 (Aalten)
    "... Niet in geschil is dat een gedeelte van het eerder vergunde aantal vleeskuikens nooit is gehouden in een van deze stallen, maar dat hiervoor in de plaats wel een groter aantal fokzeugen in deze stal is gehouden, als gevolg waarvan de totaal vergunde ammoniakemissie wel altijd is gerealiseerd. Onder deze omstandigheden bestaat er geen grond voor het oordeel dat de vergunde rechten voor een deel zijn komen te vervallen..."

5 Legalisatie

Alleen bedrijven van voor 1 januari 1987 komen voor legalisatie in aanmerking. indien de inrichting na 1986 tijdelijk beëindigd is, is legalisatie niet mogelijk:

  1. ABRvS d.d. 24 januari 1995, nr. E03.94.0738 (Voorst) (M en R 1995/117)
    "..Gebleken is ...dat de betrokken veehouder in 1988 is gestopt ... en eerst in 1993 zijn bedrijf heeft hervat. Hoewel dit niet met zoveel woorden is gesteld, dient naar het oordeel van de afdeling, gelet op het doel en de strekking van de Iav, ervan te worden uitgegaan dat artikel 6 .. slechts ziet op situaties waarin een veehouderij.. reeds voor 1 januari 1987 is opgericht en nadien is blijven voortbestaan.."

Peildata artikel 6 Iav
Voor wat betreft de aan te tonen waarde van de depositie over 1986 mag de inrichtinghouder zelf een tijdstip aanwijzen. De andere peildatum is 1 maart 1993, tenzij de depositie op die datum geen getrouw beeld geeft van de gebruikelijke depositie. De volgende uitspraak toont aan dat een grote fluctuatie van het veebestand een reden kan zijn van de datum 1 maart 1993 af te wijken. Bovendien geeft deze uitspraak aan dat het moet gaan om dieren die op een bepaald tijdstip feitelijk aanwezig waren en dat niet een gemiddelde genomen mag worden:

  1. ABRvS d.d. 6 januari 1997, nr. E03.95.1523 (Hengelo)
    "..Gezien de aanmerkelijke fluctuaties in het dierenaantal in de genoemde periode konden verweerders naar het oordeel van de Afdeling aannemen dat sprake is van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder b van de Interimwet. In aanmerking genomen dat vergunning moet worden verleend voor het aantal dieren dat maximaal in de inrichting mag worden gehouden, geeft, anders dan appellante heeft betoogd, de ammoniakdepositie van het gemiddelde aantal dieren dat over de genoemde periode in de inrichting is gehouden in de onderhavige situatie geen getrouw beeld van de gebruikelijke ammoniakdepositie. Hiervan is wel sprake bij de depositie van het maximale aantal dieren dat gebruikelijk in deze periode in de inrichting aanwezig was. Uit de diertellingkaarten blijkt voorts dat het aantal dieren dat op 1 maart 1993 in de inrichting is geteld niet aan dit criterium voldoet. Op grond van het bepaalde in artikel 3, onder b, van de Interimwet dient dan ook een door vergunninghouder aan te tonen waarde op een tijdstip, gelegen tussen 1 maart 1992 en 1 maart 1993, te worden genomen dat wel een getrouw beeld geeft van de gebruikelijke ammoniakdepositie die de veehouderij in die periode veroorzaakte. Verweerders hebben niet onjuist gehandeld door uit te gaan van de door vergunninghouder aangegeven peildatum van 1 januari 1993, waarop blijkens de hiervoor vermelde tellingen in de inrichting het aantal dieren aanwezig was dat aansluit bij het maximale gebruikelijke aantal. Verweerders hebben bij het nemen van het bestreden besluit het aantal dieren dat op dat moment in de inrichting aanwezig was aan hun beoordeling ten grondslag kunnen leggen..".

De tellingen die gebruikt worden om de waarde van de ammoniakdepositie op de peildata aan te tonen dienen met de rest van de vergunning ter inzage te worden gelegd:

  1. ABRvS 30 maart 1999, nr. E03.97.0791 (Raalte)
    "..De Afdeling overweegt allereerst dat het in het kader van de toepassing van artikel 6, tweede en derde lid, van de Interimwet, waarop verweerders vergunningverlening hebben gebaseerd, van belang is te bepalen hoeveel dieren er in de inrichting werden gehouden op enig moment in 1986 en op 1 maart 1993. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de gegevens redelijkerwijs nodig waren voor de beoordeling van het ontwerp en dat de op verzoek van verweerders verstrekte stukken moeten worden aangemerkt als een rapport als bedoeld in artikel 3:21, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat op grond van dat onderdeel van artikel 3:21 terinzagelegging was verplicht.."

Invulling van de depositiereductie verplichting:
Indien na legalisatie de depositie boven de 15 mol komt geldt de depositie reductie-eis van artikel 7 Iav. De volgende uitspraken hebben betrekking op de wijze waarop de reductie eis ingevuld moet worden.
Bij het bepalen van de reductie moet een concrete afweging gemaakt worden en dienen concrete maatregelen voorgeschreven te worden:

  1. ABRvS d.d. 27 november 1995, nr. E03.94.1544 (Amersfoort) Nieuwsbrief BABM 4e kwartaal 1995, 95-181.
    "..Uit artikel 7, tweede lid, van de Interimwet blijkt dat verweerders bij het voorschrijven van ammoniakreducerende maatregelen een concrete afweging moeten maken...Verder hebben verweerders niet aangegeven welke concrete maatregelen moeten worden getroffen en welke reductie van de ammoniakdepositie moet worden bereikt.."

De concrete maatregelen die ter uitvoering van de reductie moeten worden uitgevoerd, hoeven niet direct in de vergunning te worden voorgeschreven. Dit mag ook later gebeuren, bijvoorbeeld in een plan van aanpak. Mits de termijn van 5 jaar waarbinnen de reductie moet plaats vinden maar in acht genomen wordt. Wel moeten in de vergunning zelf waarborgen opgenomen zijn dat uiteindelijk binnen 5 jaar aan de reductie eis van artikel 7 Iav wordt voldaan. Het enkel voorschrijven van een bedrijfsplan in de vergunning is dus niet voldoende. Dit blijkt uit de volgende twee uitspraken.

  1. ABRvS d.d. 6 januari 1997, nr. E03.95.1523 (Hengelo):
    "..De Afdeling overweegt verder dat de tekst alsmede de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7 van de Interimwet de mogelijkheid openlaat dat niet direct in de vergunning wordt voorgeschreven op welke wijze en tot hoever de ammoniakemissie en depositie moet worden gereduceerd.... het bevoegd gezag kan kiezen of het doel- dan wel middelvoorschriften wil opleggen, waarbij het uitgangspunt is dat in beginsel de voorkeur moet worden gegeven aan doelvoorschriften (TK 1993/94, 23221, nr. 5, p. 22). Gelet op een en ander acht de Afdeling het niet onaanvaardbaar indien de middelen om de vereiste reductie te bereiken niet in de vergunning worden neergelegd, mits de voorschriften er op zijn gericht dat de depositie binnen 5 jaar wordt verminderd tot de laagste waarde die in het betrokken geval in redelijkheid kan worden gevraagd..."
  2. ABRvS d.d. 15 juli 1999, nr. E03.97.0564 (Putten)
    "..Uit artikel 7, tweede lid, van de Interimwet blijkt dat verweerders bij het voorschrijven van ammoniakreducerende maatregelen een concrete afweging moeten maken om te komen tot de laagste waarde die .. in redelijkheid kan worden gevergd..Weliswaar is in onderdeel V van het dictum een bedrijfsplan voorgeschreven, maar niet is aangegeven welke concrete maatregelen moeten worden getroffenen welke reductie van de ammoniakdepositie moet worden bereikt. In haar uitspraak van 6 januari 1997, nr. E03.95.1523 (zie onder e. red.) heeft de Afdeling onder meer overwogen dat de ..Interimwet...de mogelijkheid open laat dat niet direct in de vergunning wordt voorgeschreven op welke wijze en tot hoever de ammoniakemissie en -depositie moet worden gereduceerd. Dit betekent echter niet dat bij het verlenen van een vergunning kan worden volstaan met het bepalen dat binnen drie jaar een bedrijfsplan moet worden overgelegd zonder dat doel- en/of middelvoorschriften in de vergunning zijn opgenomen die waarborgen dat uiteindelijk, binnen 5 jaar, aan de eisen van artikel 7 van de Interimwet wordt voldaan.."

De reductieplicht van artikel 7 ziet toe op het gehele vergunde veebestand en niet slechts op het gedeelte dat gelegaliseerd wordt. Toch mag in de praktijk rekening gehouden worden met eerder vergunde rechten. De reductiemaatregelen hoeven geen betrekking te hebben op deze eerder vergunde rechten:

  1. ABRvS d.d. 17 juli 1998, nr. E03.95.1895 (Hengelo)
    "..De Afdeling is van oordeel dat verweerders, doordat zij ervan zijn uitgegaan dat de reductieverplichting van artikel 7 slechts betrekking heeft op het te legaliseren deel van het veebestand, in het bestreden besluit een onjuiste toepassing hebben gegeven aan artikel 7 van de Interimwet. Met appellante is de Afdeling van oordeel dat de in artikel 7 bedoelde reductieverplichting dient te worden betrokken op het gehele bij het bestreden besluit vergunde veebestand.... Dit laat onverlet dat het niet onredelijk is te achten indien bij het voorschrijven van ammoniakreducerende maatregelen wordt uitgegaan van de eerder vergunde rechten.."
  2. ABRvS d.d. 4 augustus 1998, nr. E03.95.1160 (Nijkerk)
    "..De verplichting tot ammoniakreductie heeft evenwel betrekking op 50% van het te legaliseren deel van de door de inrichting veroorzaakte ammoniakemissie. De afdeling overweegt dat artikel 3, eerste lid, in samenhang met artikel 5 vergunningverlening op grond van bestaande rechten mogelijk maakt zonder dat daarbij ammoniakreducerende maatregelen worden voorgeschreven. gelet op deze artikelen acht de Afdeling het.. uitgangspunt van verweerders ..niet onredelijk.."

Bij de afweging welke reductie redelijk is dienen in ieder geval de in artikel 7 lid 2 Interimwet genoemde aspecten betrokken te worden. De enkele omstandigheid dat een veehouder geen geld heeft om reductiemaatregelen te nemen is niet voldoende om helemaal van reductie af te zien:

  1. ABRvS d.d 19 november 1998, nr. E03.97.0615 (Putten)
    "..De Afdeling is, mede gezien de wetsgeschiedenis (TK 1992-1993, 23 221, no. 3, p. 18-19) van oordeel dat bij de toepassing van artikel 7 van de Interimwet niet vanwege de enkele omstandigheid dat de economische draagkracht van de individuele veehouder onvoldoende is, geconcludeerd kan worden dat geen voorschriften als bedoeld in artikel 7 van de Interimwet behoeven te worden gesteld..."

Indien er wel een bepaalde reductie opgelegd wordt, maar de na reductie resterende depositie blijft boven de 15 mol of boven een reeds vergunde depositie, dan moet gemotiveerd worden waarom in het betrokken geval in redelijkheid geen verdergaande maatregelen mogelijk zijn:

  1. ABRvS d.d. 4 augustus 1998, nr. E03.95.1160 (Nijkerk)
    "..De afdeling stelt vast dat de ammoniakdepositie ..boven het niveau van de vergunde rechten zal blijven. Verweerders hebben niet gemotiveerd waarom zij in afwijking van hun uitgangspunt een hogere waarde hebben aangehouden en waarom in dit geval niet in redelijkheid verdergaande maatregelen kunnen worden voorgeschreven.."

Het is denkbaar dat in bepaalde omstandigheden in alle redelijkheid geen reductiemaatregelen behoeven te worden voorgeschreven. Zie hiervoor de volgende twee uitspraken.

  1. ABRvS d.d. 29 april 1999, nr. E03.96.1602 (Apeldoorn)
    "...Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat in dit geval op bedrijfsniveau in redelijkheid geen voorschriften of beperkingen als bedoeld in artikel 7 van de Interimwet kunnen worden gevergd. In dit verband hebben verweerders betoogd dat maatregelen als het voorschrijven van een ander stalsysteem en/of het toepassen van nageschakelde technieken niet mogelijk zijn en gelet op de toekomstverwachting van vergunninghouder een afbouwregeling niet in aanmerking komt...Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich.. terecht op het standpunt hebben gesteld dat een vermindering van de ammoniakdepositie als bedoeld in artikel 7 van de Interimwet in dit geval in redelijkheid niet kan worden gevergd.." (in casu ging het om vleeskalveren red.)
  2. ABRvS d.d. 29 juli 1999, nr. E03.96.1647 (Raalte)
    "..Een reductie van ammoniakdepositie zou uitsluitend kunnen worden bewerkstelligd door een verkleining van de veestapel (het betrof melkgeiten waarvoor in de Uav maar één emissiefactor is opgenomen ongeacht het stalsysteem red.). Op grond van het verhandelde ter zitting acht de afdeling aannemelijk dat de veestapel waarvoor thans vergunning is verleend van zodanige omvang is, dat een verkleining van deze veestapel ertoe leidt dat een rendabele exploitatie van de inrichting niet mogelijk is. De Afdeling is van oordeel dat verweerders... gelet op het feit dat een reductie van de veestapel een weigering van de vergunning impliceert, zich op goede gronden op het standpunt hebben gesteld dat een vermindering van de ammoniakdepositie..in dit geval in redelijkheid niet kan worden gevergd.."

6 Ammoniakreductieplan

De Interimwet geeft gemeenten of gemeenten gezamenlijk de mogelijkheid een ammoniakreductieplan (ARP) vast te stellen. In het plan kan worden bepaald dat op het ene bosgebied de depositie toeneemt indien in onmiddellijke samenhang daarmee de depositie op een ander gebied afneemt. De afname moet in principe groter zijn dan de toename. Er is behoorlijk veel jurisprudentie tot stand gekomen over de vraag wat wel en niet in een ARP geregeld mag worden.

In concentratiegebieden zijn oprichtingen en uitbreidingen van veehouderijen alleen mogelijk indien er een ARP is, aldus artikel 9 Iav. In principe is bepalend of op het moment van behandeling bij de Raad van State er een goedgekeurd ARP ligt. Dus niet het moment van besluitvorming door de gemeente is bepalend.

  1. ABRvS d.d. 4 april 1996, nr. E03.94.1468 (Deurne)
    "..De afdeling stelt vast dat de gemeente Deurne inmiddels beschikt over een ammoniakreductieplan, waarmee gelet op artikel 14, vierde lid Iav, thans rekening moet worden gehouden.."

In een ARP zelf kan echter een afwijkende regeling opgenomen worden. Zo kan in het ARP bepaald worden dat het plan niet geldt voor reeds ingediende aanvragen.

  1. ABRvS d.d. 15 februari 1999, nr. E03.97.1651 (Heumen)
    "..In het ARP is een overgangsregeling opgenomen inhoudende dat vergunningaanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van het ARP worden beoordeeld aan de hand van de Interimwet. In de Interimwet zijn geen bepalingen opgenomen die met zich meebrengen dat het opnemen van een overgangsregeling zoals in dit ARP is voorzien, niet is toegestaan. Derhalve kan niet geoordeeld worden dat het ARP op dit punt onverbindend is..".

Indien een ARP (dat voldoet aan de Iav) van toepassing is geldt de blokkade van artikel 9 Iav, voor oprichtingen en uitbreidingen niet meer. De vraag is of dit betekent dat vervolgens zonder meer de norm van 15 mol die in de artikelen 4 en 5 als minimumnorm genoemd wordt van toepassing is. Met andere woorden kan een ARP vervolgens nog beperkingen stellen aan uitbreidingen tot 15 mol (b.v. de verplichting tot aankoop van ammoniakemissie). Uit de volgende uitspraak zou afgeleid kunnen worden dat deze mogelijkheid niet bestaat:

  1. ABRvS d.d. 7 april 1998, nr. E03.96.0700 (Ede) (agriselect nr.1, maart 1999, 4.12)
    "..Nu de gemeente ten tijde van het besluit beschikte over een goedgekeurd ammoniakreductieplan, is artikel 9 van de Interimwet ammoniak en veehouderij niet van toepassing en geldt ingevolge artikel 5, tweede volzin, een depositiewaarde van 15 mol, tenzij in het plan een hogere waarde is genoemd. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op ...... Aangezien de waarde van 15 mol in geen enkele fase wordt overschreden, verzet de Interimwet zich niet tegen vergunningverlening en bestond voor verweerders derhalve geen aanleiding te onderzoeken of en zo ja in hoeverre bestaande rechten zijn komen te vervallen..." (In casu was het van rechtswege vervallen zijn van rechten van belang omdat het ter plaatse geldende ARP voorschrijft dat voor uitbreidingen tot 15 mol ammoniak van elders verworven dient te worden. red.).

De vraag is echter hoe deze uitspraak zich verhoudt met een uitspraak van iets oudere datum, waarin heel duidelijk gesteld werd dat het ARP ook in situaties onder de 15 mol toegepast dient te worden:

  1. ABRvS d.d. 8 augustus 1996, nr. E03.94.0833 (Nijkerk)
    "..De afdeling overweegt dat art. 9 Iav niet zo kan worden uitgelegd dat het enkele feit dat een ammoniakreductieplan in zijn algemeenheid aan de eisen van art. 8, lid 1, voldoet reeds voldoende is om binnen de in art. 4 van de wet genoemde waarde (= 15 mol red.) een oprichtingsvergunning te verlenen. Een redelijke wetsuitleg brengt met zich dat de vergunning ook in overeenstemming met het geldend ammoniakreductieplan moet zijn..." (Ook in dit geval schrijft het ARP voor dat voor uitbreidingen tot 15 mol ammoniak van elders verworven dient te worden. red.).

Een ARP mag alleen maar regels vastleggen voor het plangebied waarop het betrekking heeft. Zo volgt uit:

  1. ABRvS d.d. 1 februari 1999, E03.96.1152 (Didam)
    "..Het aan de orde zijnde ammoniakreductieplan is uitsluitend vastgesteld door de gemeenteraad van Didam. De in dit plan opgenomen regels moeten derhalve strekken tot beperking van ammoniakdeposities en -emissies die worden veroorzaakt door binnen het grondgebied van deze gemeente gelegen veehouderijen. Het plan maakt echter..... juist een toename van door binnen de gemeente Didam gelegen veehouderijen veroorzaakte ammoniakdeposities onder omstandigheden mogelijk, ook al worden de door buiten deze gemeente gelegen veehouderijen veroorzaakte ammoniakdeposities en -emissies beperkt. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 8, eerste lid, van de Interimwet.."

In die zelfde uitspraak geeft de Afdeling duidelijk aan dat in een ARP gewaarborgd moet zijn dat binnen het plangebied zowel de ammoniakdepositie als de ammoniakemissie per saldo afnemen:

    "...Indien in een ammoniakreductieplan krachtens dit artikellid een regeling wordt getroffen voor het vaststellen van een hogere waarde (verder: een saldomethode), moet onder meer gewaarborgd zijn dat per saldo de ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeenten daalt..."


Indien het ARP alleen een afname van de ammoniakemissie waarborgt zonder dat er ook een afname van de depositie gewaarborgd is, dan is dit plan onverbindend:

  1. ABRvS d.d. 18 mei 1999, E03.97.1719 (Meerlo Wanssum) agriselect, nr.3, 4.4
    "..De Afdeling overweegt dat uit de opzet van het plan naar voren komt dat het plan primair is gericht op het terugdringen van de ammoniakemissie in het plangebied. Aanvullend daarop worden in het plan ten aanzien van bepaalde voor verzuring gevoelige gebieden beperkingen gesteld aan de ammoniakdepositie...Niet kan worden staande gehouden dat het plan met deze regels is gericht op het beperken van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden, zoals dat wordt vereist in artikel 8, eerste en vierde lid, van de Interimwet. Weliswaar voorziet artikel 3.1.3 van het plan in een kortingsregeling bij een toename van de ammoniakemissie van een bedrijf, maar daarbij wordt niet gewaarborgd dat ook de ammoniakdepositie afneemt. Het plan schept op die manier de mogelijkheid dat vergunningen worden verleend die een grotere ammoniakdepositie op bepaalde voor verzuring gevoelige gebieden mogelijk maken dan volgens de in de Interimwet opgenomen normstelling is toegestaan. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het plan zoals dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit niet kan worden aangemerkt als een ammoniakreductieplan als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet..."

Een ARP kan geen regels stellen voor bedrijven gelegen op meer dan 3000 meter van voor verzuring gevoelig gebied:

  1. ABRvS d.d. 9 april 1999, E03.98.0906
    "..Nu de Iav zich niet tegen vergunningverlening verzet, komt aan het ARP... voor zover daarin voor bedrijven die op een grotere afstand dan 3000 meter van een voor verzuring gevoelig gebied liggen nadere eisen aan de emissie zijn gesteld..geen betekenis toe..."

Ook over de normstelling (depositie- en emissiegrenswaarden) die in een ARP mogelijk is, is veel jurisprudentie verschenen.
Depositiegrenswaarden:
Gemeenten mogen in een ARP van de Interimwet afwijkende depositiewaarden vaststellen, zowel hogere als lagere waarden:

  1. ABRvS d.d.11 september 1998, nr. E03.96.1640 (Barneveld)
    "...In de Memorie van Toelichting wordt bevestigd dat het in artikel 8 van de Interimwet gaat om afwijkende depositiewaarden. Het tweede lid beperkt zich blijkens de Memorie van Toelichting tot die mogelijkheid om andere depositiewaarden vast te stellen; er mogen bijvoorbeeld geen peiljaren worden vastgesteld in afwijking van de wettelijke bepalingen. Uitdrukkelijk is hier vermeld: "De verlaging die dit lid toestaat, heeft dus alleen betrekking op het aangegeven minimumniveau van 15 mol" (TK 1992/1993, 23 221, nr. 3, p. 21 en 22). Indien gemeentebesturen bijvoorbeeld wensen rekening te houden met achtergronddepositie en daartoe grenswaarden in het ammoniakreductieplan willen opnemen, volgt uit het bovenstaande dat zij daartoe de weg dienen te bewandelen dat afwijkende depositiegrenswaarden worden vastgesteld...".

Bij het vaststellen van een hogere depositiegrenswaarde moet artikel 8 lid 3 Iav niet zo gelezen worden dat in een ARP geen hogere waarde dan 30 mol opgenomen kan worden:

  1. ABRvS d.d. 30 november 1998, nr. E03.97.0686 (Ambt Delden)
    "...De Afdeling volgt appellante niet in haar stelling dat de "hogere waarde" waarvan in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet sprake is maximaal 30 mol mag zijn. Het vierde lid moet in dit verband los worden gezien van het derde lid van artikel 8 van de Interimwet. De twee leden passen ook op een verschillende manier in de systematiek van de Interimwet en regelen een ander onderwerp. Hierbij is verder van belang dat het derde lid de mogelijkheid biedt tot een hogere waarde voor bedrijven als bedoeld in artikel 5 van de Interimwet, terwijl de saldomethode in het vierde lid ook ziet op bedrijven als bedoeld in de artikelen 4 en 6 van die wet. In dit verband zij gewezen op de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8, derde lid, (TK 1992-1993, 23 221, nr. 3, pagina 22) waarin is vermeld dat voor nieuwe bedrijven krachtens het derde lid in het plan geen hogere maximum-waarde kan worden vastgesteld. Het standpunt van appellante dat de in het vierde lid bedoelde hogere waarde maximaal 30 mol mag zijn, is derhalve onjuist...."

Verder is het niet zo dat in een ARP een absolute waarde als plafond voor de ammoniakdepositie moet zijn opgenomen:

  1. ABRvS d.d. 28 mei 1999, nr. E03.98.0866 (Renswoude) agriselect, nr. 3,
    "...De Afdeling acht het opnemen van een berekeningsmethode zonder een bepaalde absolute waarde als plafond bij het voorzien in een regeling van de saldomethode een geoorloofde invulling van de in artikel 8, vierde lid, Interimwet geboden mogelijkheid om te bepalen dat een hogere waarde geldt, indien onder de daar gestelde voorwaarden de saldomethode wordt gehanteerd. Dit artikel vereist niet dat het arp een plafond hiervoor stelt..."

Emissiegrenswaarden:
In een ARP kunnen geen emissiegrenswaarden opgenomen worden:

  1. ABRvS d.d.11 september 1998, nr. E03.96.1640 (Barneveld)
    ".. De Afdeling concludeert, gezien het bovenstaande, dat in een ammoniakreductieplan als bedoeld in artikel 8 wel van artikel 4, 5 en 7 afwijkende depositiegrenswaarden kunnen worden opgenomen, maar dat het opnemen van emissiegrenswaarden in een dergelijk plan in strijd is met het systeem van de Interimwet, hetgeen onder meer bevestiging vindt in de Memorie van Toelichting..".

Uit die zelfde uitspraak wordt ook duidelijk dat ammoniakemissie wel een rol kan spelen bij de vraag of aan de voorwaarden van saldering wordt voldaan (bijvoorbeeld de verplichting om ammoniakemissie aan te kopen, of een verplaatsingskorting). De ammoniakemissie is dan echter een salderingsvoorwaarde en geen toetsingsnorm. Een toetsingsnorm moet altijd een depositienorm zijn:

  1. ABRvS d.d.11 september 1998, nr. E03.96.1640 (Barneveld)
    "..Overigens merkt de Afdeling op dat bij een in een ammoniakreductieplan opgenomen saldomethode zoals geregeld in artikel 8, vierde lid - ammoniakemissie wel een rol van betekenis kan spelen, namelijk ter beantwoording van de vraag of aan de voorwaarden voor saldering is voldaan; ook dan blijft echter overeind dat de vergunning niet wordt getoetst aan emissiegrenswaarden..."

De Interimwet en dus daarmee ook het ARP geven niet de mogelijkheid om een vergund depositieniveau aan te tasten. Dit betekent dat bedrijven die Groen Label stallen toepassen de hiermee bereikte afname van de ammoniakdepositie weer mogen aanvullen tot het oude niveau. Ook een bepaling in het ARP die voorschrijft dat het aanvullen tot het oude depositieniveau alleen kan indien elders in het plangebied emissierechten verworven worden, is niet mogelijk:

  1. ABRvS d.d. 2 oktober 1997, nr. E03.95.2055 (Uden) (JM 1997, nr. 57)
  2. ABRvS d.d. 8 december 1997, nr. E03.97.0066 (Sevenum) (JM 1998, nr. 29)
    "...Naar het oordeel van de Afdeling kunnen met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Interimwet, de op grond van een onherroepelijke vergunning bestaande rechten voor de ammoniakdepositie als bedoeld in artikel 5, eerste volzin, dan ook niet worden ingeperkt of worden gebonden aan de eis dat de als gevolg van emissiebeperkende maatregelen toegestane uitbreiding van het veebestand wordt gecompenseerd door een afname van het veebestand in één of meer andere veehouderijen in hetzelfde gebied...."

7 Toepassen saldomethode

In artikel 8 lid 4 van de Iav wordt de mogelijkheid geboden om in een ARP te regelen dat er een hogere depositie op een bosgebied mogelijk is indien in onmiddellijke samenhang daarmee de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij afneemt. Hoe het een en ander afgestemd moet worden om aan de eis van "onmiddellijke samenhang" te voldoen blijkt uit het volgende overzicht.
Uitgangspunt is dat, indien de rechten uit een andere gemeente betrokken worden, eerst het intrekkingsbesluit van die andere gemeente genomen moet zijn voordat de vergunning op de locatie van uitbreiding verleend kan worden:

  1. ABRvS d.d. 15 februari 1999, nr. E03.96.1456 (Ambt Delden)
    "..Uit de stukken blijkt dat ..ten tijde van het nemen van het besluit nog geen intrekkingsbesluiten waren genomen zodat op dat moment niet werd voldaan aan de eis...van "onmiddellijke samenhang" als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet..".

Het lijkt er op dat een dergelijk intrekkingsbesluit niet eerst onherroepelijk van kracht moet zijn voordat op de locatie van uitbreiding een besluit genomen kan worden op de vergunningaanvraag. Artikel 8.16 onder a Wet milieubeheer biedt de mogelijkheid om aan de vergunning op de uitbreidingslocatie het voorschrift te verbinden dat bepaalde dieren in een bepaalde stal (corresponderend met de ammoniakemissie die nog niet onherroepelijk is ingetrokken) pas gehouden mogen worden als het intrekkingsbesluit onherroepelijk van kracht is. De mogelijkheid daartoe wordt o.a. in de volgende uitspraak genoemd:

  1. ABRvS d.d. 1 februari 1999, nr. E03.96.1352 (agriselect, nummer 1, maart 1999, 4.8)
    "... Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was echter nog geen besluit tot intrekking van de vergunning...genomen. Verder hebben verweerders in verband met de door hen beoogde toepassing van de saldomethode aan de vergunning geen voorschriften verbonden- bijvoorbeeld middels toepassing van artikel 8.16, onder a, van de Wet milieubeheer, ten aanzien van het veebestand. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat ...niet werd voldaan aan de eis van de "onmiddellijke samenhang"..".

Indien op grond van artikel 8.16, onder a, Wm een voorschrift aan de vergunning verbonden wordt, dan vereist de rechtszekerheid dat in dit voorschrift concreet aangegeven worden welke dieren in welke stal niet gehouden mogen worden tot het intrekkingsbesluit onherroepelijk van kracht is. In de volgende uitspraak was namelijk een constructie min of meer gelijk aan een voorschrift op basis van 8.16 Wm gemaakt, waarin echter niet duidelijk aangegeven werd welke dieren in welke stal niet gehouden mochten worden indien een intrekking onverhoopt niet tot stand kwam:

  1. ABRvS d.d. 28 mei 1999, nr. E03.98.0866 (Renswoude) (agriselect nr. 3, 4.7c)
    "..Voorts overweegt de Afdeling dat in het geval van de door verweerders in het dictum van het bestreden besluit gekozen constructie, dat indien op een verzoek tot intrekking van een vergunning (gedeeltelijk) negatief wordt beslist, de vergunning voor een evenredig deel niet van kracht wordt, niet vaststaat welke rechtsgevolgen dit voor het bestreden besluit heeft wat betreft het soort en het aantal in de inrichting te houden dieren en de wijze waarop deze zijn gehuisvest. Onduidelijk is immers wat moet worden verstaan onder "evenredig deel"..".

Indien overigens de saldering volledig binnen dezelfde gemeente plaats vindt dan dienen de totstandkomingsprocedures voor beide besluiten gecombineerd plaats te vinden en uit te monden in één besluit omtrent zowel de vergunning als de intrekking:

  1. ABRvS d.d. 8 augustus 1996, nr. E03.94.0833 (Nijkerk)
    "..Naar het oordeel van de afdeling moet in het algemeen als eis gelden dat een verzoek om vergunning voor een oprichting of uitbreiding ..gelijktijdig wordt gedaan met een verzoek om intrekking ..van de vergunning voor de veehouderij waarvan...de benodigde emissierechten afkomstig zijn. De totstandkomingsprocedures voor beide besluiten kunnen vervolgens gecombineerd plaats vinden en uitmonden in één besluit omtrent zowel de vergunning als de intrekking.."

De ammoniakrechten die ingetrokken worden mogen niet eerst in een depositiebank opgeslagen worden, voordat ze bij een uitbreiding betrokken worden:

  1. Vz. ABRvS d.d.11 augustus 1998, nr. F03.98.0314 (Meerlo-Wanssum)
    "..Uit het bestreden besluit blijkt dat ten behoeve van de onderhavige vergunningverlening vanuit de zogeheten depositiebank het benodigde aantal mol ter beschikking is gesteld..In dit geval neemt de depositie..toe, terwijl -nu depositierechten van de depositiebank zijn betrokken- onzeker is of in onmiddellijke samenhang met die toename de depositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij...afneemt. Uit de stukken blijkt niet of de van de depositiebank betrokken depositierechten afkomstig zijn van inrichtingen waarvan de vergunningen ten behoeve van de oprichting van de in geding zijnde inrichting zijn ingetrokken of gewijzigd. Gelet hierop alsmede op de omstandigheid dat depositierechten anderhalf jaar in de bank kunnen worden gehouden , betwijfelt de Voorzitter of in dit geval sprake is van onmiddellijke samenhang als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet..."

Alle ammoniakrechten waarvoor op het moment van intrekking een rechtsgeldige vergunning aanwezig is, mogen voor saldering gebruikt worden. Het is niet zo dat de rechten nog recentelijk benut moeten zijn of dat de stalinrichting nog aanwezig moet zijn. Dit volgt uit:

  1. ABRvS d.d. 15 februari 1999, nr. E03.96.1456 (Ambt Delden)
    "..Er is derhalve sprake van een vermindering van de ammoniakdepositie die door een veehouderij wordt veroorzaakt in de zin van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet, indien sprake is van het intrekken of wijzigen van de vergunning met het oog op het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen daarvan, ongeacht of van die vergunning nog gebruik wordt gemaakt.."

Verder kan het van rechtswege vervallen zijn van ammoniakrechten die benut worden voor een uitbreiding, alleen in de procedure tot intrekking van de betreffende vergunning aan de orde gesteld worden. In de vergunningprocedure voor het bedrijf dat uitbreidt kan dit niet meer aan de orde komen:

  1. ABRvS d.d. 14 januari 1999, nr. E03.97.1376 (Ambt Delden)
    "..Appellante betoogt verder dat gesaldeerd is met rechten die ten tijde van het nemen van het intrekkingsbesluit al van rechtswege waren vervallen ingevolge artikel 27 van de Hinderwet. De Afdeling stelt op basis van de stukken vast dat geen beroep is ingesteld tegen het besluit tot intrekking van de vergunning voor de veehouderij waarvan ammoniakrechten zijn overgenomen. Het intrekkingsbesluit is aldus onherroepelijk geworden en heeft formele rechtskracht verkregen. Hetgeen appellante in deze procedure naar voren heeft gebracht omtrent dat intrekkingsbesluit kan daarom bij de beoordeling van het bestreden besluit niet aan de orde komen..".

Indien een vergunninghouder eenmaal een verzoek tot intrekking van ammoniakrechten heeft ingediend, teneinde deze te gebruiken voor saldering (art. 8.26 Wm), mag de gemeente niet meer de betrokken rechten intrekken om redenen dat de vergunning langer dan 3 jaar niet is gebruikt (art. 8.25 lid 1 Wm). Dit is dan namelijk in strijd met het fair-play beginsel:

  1. ABRvS d.d. 30 maart 1999, nr. E03.97.0967 (Son en Breugel)
    "..Appellant heeft er belang bij dat toepassing wordt gegeven aan artikel 8.26 van de Wet milieubeheer aangezien artikel 8 van de Interimwet ammoniak en veehouderij vereist dat de intrekking van een vergunning van een veehouderij ten behoeve van de uitbreiding van een andere veehouderij op verzoek van de drijver van de veehouderij geschiedt. Het is met het oog daarop dat appellant zijn verzoek om intrekking heeft gedaan. Door ambtshalve de vergunning gedeeltelijk in te trekken, hebben verweerders deze belangen van appellant als het ware gepasseerd, terwijl diens verzoek om intrekking ruim voordien was ingediend bij verweerders en zij gehouden waren daarop te beslissen."

Het buiten behandeling laten van het verzoek om intrekking en het in plaats van het nemen van een beslissing daarop ambtshalve intrekken van de vergunning, moet in strijd worden geoordeeld met het beginsel van fair play, dat inhoudt dat een bestuursorgaan de burger zorgvuldig bejegent in die zin dat, voorzover relevant in het voorliggende geval, het bestuursorgaan het verkrijgen van wat een burger als zijn recht ziet niet door het uitstellen of het niet nemen van een beslissing waarbij de burger belang heeft, mag bemoeilijken of frustreren..".
De intrekking van ammoniakrechten dient middels een intrekkings- of wijzigingsprocedure te geschieden en mag niet met een 8.19 melding:

  1. ABRvS d.d. E03.97.1372 (Middenveld) (Nieuwsbrief StAB 1e kwartaal 1999, nr. 99-13)
    "...De afdeling overweegt dat door het doen van een melding niet wordt voldaan aan ...het ammoniakreductieplan, in samenhang met artikel 8, vierde lid van de Interimwet...Ingevolge deze bepalingen...dient immers sprake te zijn van een intrekking of wijziging van de vergunning van die andere veehouderij..op een aanvraag om een besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning.."
agrarisch
 

Kenniscentrum InfoMil