Landbouw - Overige: Beoordeling opslag vaste mest voor stank en ammoniak

Landbouw - Overige: Beoordeling opslag vaste mest voor stank en ammoniak

Inhoud pagina: Landbouw - Overige: Beoordeling opslag vaste mest voor stank en ammoniak

Vraag

Hoe moet de ammoniak- en stankemissie afkomstig van de opslag van vaste mest bij vergunningplichtige inrichtingen worden beoordeeld?

Antwoord

Ammoniak

In de meeste gevallen valt de opslag van mest niet onder een categorie van de Rav en is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) niet van toepassing. De beoordeling van de ammoniakemissie moet dan plaatsvinden op basis van de Wet milieubeheer.

In een klein aantal gevallen is de Wav wel toetsingskader. De opslag van mest is in geval van pluimvee in een aantal gevallen onderdeel van het huisvestingssysteem en de ammoniakemissie is meegenomen in de emissiefactor van het stalsysteem. In een aantal gevallen is sprake van een nageschakelde techniek (categorie E.6) en moet de ammoniakemissie worden opgeteld bij de ammoniakemissie van het huisvestingssysteem. Het Besluit huisvesting stelt ook een maximale emissiewaarde aan deze nageschakelde technieken. Zie de vraag en antwoord 'Besluit huisvesting: opslag van mest'.

Jurisprudentie ammoniak: toetsing op grond van de Wm

Uitspraak ABRvS nr. E03.95.0848 van 18 juli 1996 (Denekamp), M&R 1997/75, ging over een zelfstandige opslagplaats voor vaste stromest. Het toetsingskader was de Hinderwet. De opslagplaats was gelegen in een mestoverschotgebied met een hoog ammoniak-achtergronddepositieniveau. Op 70 meter van de mestopslagplaats lag een voor verzuring gevoelig loofbos waarin tevens een bedreigde boomkikker huisde. Nu in deze ecologisch waardevolle omgeving door de ammoniakemissie van de opslagplaats de depositie toenam ten opzichte van de bestaande situatie, kon een toename van depositie niet zonder meer aanvaardbaar worden geacht, zeker nu gebleken was dat door het stellen van weinig ingrijpende voorschriften de toename goeddeels kon worden voorkomen. 

Uitspraak ABRvS nr. E03.96.0323 van 26 september 2000 (Laarbeek) ging over een opslag van 80.000 m3 kippenmest. In deze vergunning was een voorschrift voor een maximale hoeveelheid ammoniakemissie opgenomen.  Tevens waren er voorschriften aan de vergunning verbonden voor de analyse en bemonstering van de mest. Deze laatste voorschriften zijn door de Afdeling vernietigd. Wel bleek terecht een algemeen voorschrift voor een eenmalige onderzoeksverplichting te zijn opgelegd. Hierbij achtte de Afdeling het van belang dat er nog geen duidelijkheid bestond over de vraag of kon worden volstaan met het afdekken van de opgeslagen pluimveemest met een dekzeil van kunststoffolie.

Uit deze uitspraken blijkt dat zeker bij grotere hoeveelheden opgeslagen vaste mest rekening moet worden gehouden met de ammoniakemissie uit de opslag bij de beoordeling van een vergunningaanvraag indien de opslag dichtbij voor verzuring gevoelige natuur plaatsvindt. Het voorschrijven van het afdekken van de vaste mestopslag zou in bepaalde situaties in overweging genomen kunnen worden.

Stank

Voor stank is er voor de opslag van vaste mest geen beoordelingsmethodiek op grond van wet- of regelgeving als het gaat om vergunningplichtige inrichtingen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is alleen van toepassing op dierenverblijven en niet op de opslag van vaste mest.

Het ligt voor de hand om aan te sluiten bij het Besluit landbouw milieubeheer. Hierin is een afstand van 50 meter c.q. 100 meter opgenomen tot geurgevoelige objecten. Deze afstanden worden als voldoende beschouwd om geurhinder te voorkomen.

Jurisprudentie stank: op grond van ‘oude’ amvb’s

Uit jurisprudentie onder de ‘oude’ amvb’s (melkrundveehouderijen en akkerbouwbedrijven) is gebleken, dat niet zonder meer aangesloten mag worden bij de amvb's. Een goede motivatie waarom tot die betreffende voorschriften of afstanden is gekomen, is noodzakelijk. In ABRvS nr. E03.96.0810 van 6 september 1998 (Loon op zand) ging het om het houden van geiten waarvoor een minimale afstand van 50 meter tot aan een woning cat. III moest worden aangehouden. Voor de opslag van vaste mest plus afdekking was een minimale afstand van 25 meter voorgeschreven, een en ander met verwijzing naar het Besluit melkrundveehouderijen. De Afdeling achtte dit echter in dit geval onvoldoende gemotiveerd. 

Jurisprudentie stank: op grond van Richtlijn stankhinder/Brochure veehouderij

Onder de oude stankwet- en regelgeving is in een aantal gevallen  aansluiting gezocht bij de afstanden die op grond van de stankrichtlijnen aangehouden moeten worden. Dit bleek niet in alle gevallen acceptabel.

In de uitspraak van de ABRvS nr. E03.97.0305 van 16 augustus 1999 (Emmen) (JM 2000/ 8) was door verweerders aansluiting gezocht bij de afstand die nodig is voor veehouderijen. Dit was op zich mogelijk, echter het bevoegd gezag had dit in dit specifieke geval onvoldoende gemotiveerd. Het ging om een veranderingsvergunning voor een kuikenmesterij waarbij onder meer een afgedekte mestplaat is vergund. Gebleken is dat de afstand van deze mestplaat tot aan de dichtstbijgelegen burgerwoning van derden 20 meter bedraagt. Gelet op het in de inrichting gehouden veebestand dient in deze omgeving echter een afstand van 180 meter te worden aangehouden. De aanleg van de mestplaat betekende een uitbreiding ten opzichte van de al eerder vergunde situatie. De motivering dat met deze afstand voldaan wordt aan de afstandsnorm van de Brochure 1985 was volgens de Afdeling dan ook niet juist.

Dat het in ieder geval in bestaande en reeds vergunde situaties mogelijk is om af te wijken van de vereiste afstanden van de Richtlijn 1996 en de Brochure 1985, bleek uit ABRvS nr. 199903257/1 van 20 oktober 2000 (Heerlen). Het ging hier om dieren waarvoor omrekeningsfactoren gelden. Er was een revisievergunning verleend voor het verplaatsen van de mestopslag voor vaste mest, waardoor deze op een afstand van minimaal 50 meter in plaats van 25 meter van een woning van derden komt te liggen. Nu de inrichting is gelegen in de bebouwde kom dient op grond van de Richtlijn 1996 de afstand minimaal 100 meter te bedragen. Nu de mestopslag is gelegen op 50 meter kan aan de vereiste afstand dus niet worden voldaan. Nu hier de situatie echter niet verslechtert, en de mestopslag bovendien ondergronds wordt gerealiseerd is de situatie uit het oogpunt van stankhinder niet zodanig dat de aan de vergunning verbonden voorschriften aangescherpt zouden moeten worden.  

Ook in ABRvS nr. 200305734/1 van 7 april 2004 (Bergen op Zoom) stelt de Afdeling dat in een situatie waarbij niet aan de vereiste minimumafstand wordt voldaan, slechts een revisievergunning kan worden verleend, indien vaststaat dat de nieuwe situatie uit een oogpunt van stankhinder voor de directe omgeving geen nadeliger consequenties heeft. De mestopslag was hier in de eerder vergunde situatie gelegen op een afstand van 30 meter. De situering van de mestplaat is gewijzigd ten opzichte van de eerder vergunde situatie maar de afstand bleef 30 meter. De mestopslag is kleiner, de hoeveelheid mest is kleiner, de mest moet sneller (wekelijks) worden afgevoerd, en de nieuwe ligging is uit een oogpunt van de heersende windrichting gunstiger. Er hoeft volgens de Afdeling in die situatie niet voor een toename van de stankhinder te worden gevreesd.  Verder zijn verweerder en vergunninghouder nog overeengekomen dat de mestopslag moet zijn afgedekt met een zeildoek behoudens het bijvullen en ledigen van de opslagplaats. De Afdeling heeft zelf in de zaak voorzien door een voorschrift op die manier te wijzigen.    

ABRvS nr. 200104292/1 van 22 januari 2003 (Leusden) is een soortgelijke uitspraak voor dieren waarvoor geen omrekeningsfactoren golden en waarvoor geen vaste afstanden waren vastgesteld, namelijk paarden. Voor deze dieren is volgens vaste jurisprudentie een afstand van 50 meter in principe genoeg, maar zijn onder omstandigheden ook kortere afstanden toegestaan. Uit de uitspraak blijkt dat ook voor de opslag van vaste mest een kortere afstand mogelijk is, Het ging hier om een revisievergunning voor een manegebedrijf. Het oppervlak van de mestopslag neemt toe van 50 m2 naar 140 m2.  De afstand tot aan de dichtstbijgelegen woning neemt echter ook toe van 35 meter naar 45 meter. Ter voorkoming van stankhinder is er een voorschrift aan de vergunning verbonden waarin onder meer is voorgeschreven dat de mestopslag moet zijn afgedekt met zeildoek, dat zodanig moet zijn aangebracht dat opvallend regenwater buiten de mestopslag blijft (een en ander omdat droge mest minder geurhinder veroorzaakt dan natte mest). De Afdeling achtte dit voorschrift toereikend om onaanvaardbare stankhinder ten gevolge van de mestplaat te voorkomen.

agrarisch

Zie ook

 

Kenniscentrum InfoMil