Landbouw - Overige : Beoordeling uitloop voor stank en ammoniak

Landbouw - Overige : Beoordeling uitloop voor stank en ammoniak

Inhoud pagina: Landbouw - Overige : Beoordeling uitloop voor stank en ammoniak

Vraag

Hoe moet een uitloop voor wat betreft stank en ammoniak worden beoordeeld?

Antwoord

Eerst zal moeten worden bepaald of een uitloop onderdeel uitmaakt van een inrichting. Onder bijzondere omstandigheden kan dat het geval zijn. Zie vraag 'behoort een uitloop tot de inrichting'  Als de uitloop geen onderdeel uitmaakt van de inrichting, kan het wat betreft stank en ammoniak buiten beschouwing blijven. Maakt de uitloop wél onderdeel uit van de inrichting, dan is de vraag hoe de beoordeling voor stank en ammoniak moet plaatsvinden.

Ammoniak

Voor ammoniak geldt de Wav. In de Handreiking ammoniak en veehouderij van InfoMil (LA04) staat in paragraaf 3.4 aangegeven dat een uitloop die moet worden aangemerkt als een -onderdeel-  van een dierenverblijf, moet worden meegenomen als dierenverblijf bij de afstandsmeting. Er moet dus worden gemeten vanaf de rand van de uitloop.   

Stank

Beoordeling geur Wgv en Rgv

In ABRvS nr. 200802217/1 van 1 oktober 2008  is een overkapte uitloop geen ondereel van het dierenverblijf: "Gelet op de genoemde artikelen van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij in samenhang bezien met de toelichting op de Regeling geurhinder en veehouderij, heeft het college terecht gesteld dat de overkapte uitloop niet als onderdeel van het dierenverblijf moet worden aangemerkt. Gelet hierop neemt de afstand tot de dichtst bij de inrichting gelegen woning niet af. Het college heeft, voor zover het geurhinder betreft, dan ook in redelijkheid kunnen oordelen dat de verandering van de inrichting geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Het college heeft het bezwaar van [appellanten] in zoverre terecht ongegrond verklaard."

Beoordeling stank van een uitloop Wsv en Rsv

Onder de Wsv en de Rsv is het van belang om te weten of een uitloop als een dierenverblijf is te beschouwen om te kunnen bepalen vanaf waar moet worden gemeten. Verwezen wordt hier naar vraag 'Afstandsmeting - Wsv'

Beoordeling stank van een uitloop stankrichtlijnen 
 
Als de uitloop onderdeel uitmaakt van de stal, moet er in ieder geval een beoordeling van de stankhinder van die uitloop plaatsvinden, blijkt uit ABRvS, E03.97.1417, 15 februari 1999, Barneveld, JM 2000-1/7. Vanaf  10.00 uur ’s morgens tot eind van de middag liep ongeveer 10% van de kippen buiten. Verweerders hebben hiermee ten onrechte geen rekening gehouden. 

Een andere relevante uitspraak is ABRvS, 200105119/1, 21 augustus 2002, Maasbree,  Nieuwsbrief StAB 2002-4/K65, over een uitloopweide voor zeugen. De Afdeling oordeelde dat de weide deel uitmaakte van de inrichting (zie vraag  'behoort een uitloop tot de inrichting').
Vervolgens kwam aan de orde de vraag hoe de stankhinder moest worden beoordeeld. De Afdeling oordeelt als volgt: 'De Richtlijn gaat voor het meten van de afstand tot stankgevoelige objecten uit van het emissiepunt van natuurlijk of mechanisch geventileerde stallen. Voor in de buitenlucht gehouden dieren wordt in de Richtlijn geen wijze van afstandsmeting gegeven. Verweerders zijn echter, zonder nadere motivering, voor het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting zoals bedoeld in de Richtlijn uitgegaan van de grens van het weiland. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.'
De uitspraak gaat overigens ook in op het aspect fosfaat, ook van de uitloop. Verwezen wordt hiervoor naar de tekst van de uitspraak.

De Afdeling geeft in beide uitspraken  niet aan hoe die beoordeling moet plaatsvinden. Uit beide uitspraken wordt alleen duidelijk dát rekening moet worden gehouden met de uitloop bij het bepalen van de stankhinder, en dat niet zonder nadere motivering mag worden uitgegaan van de grens van het weiland als emissiepunt.

In recente uitspraken is de beoordeling van stankhinder bij een uitloop wel aan de orde gekomen.

Zo is in de uitspraak Westerveld, ABRvS,  200205738/1, 27-8-2003, hierop ingegaan. Hier werden tussen 11.00 en 20.00 uur circa 4.800 (scharrel)kippen in een buitenverblijf gehouden. Ter voorkoming van stankhinder heeft verweerder twee voorschriften aan de vergunning verbonden. Op grond van voorschrift 12.8 dient de afstand van het buitenverblijf van de scharrelkippen tot woningen van derden 50 meter te bedragen. Op grond van voorschrift 12.9 dient de afrastering van het buitenverblijf onaantrekkelijk te zijn voor het verblijf van de scharreldieren.  Verder is gebleken dat het mesten van de kippen voornamelijk plaats vindt in de stallen (als gevolg van het tijdstip van voeren en het tijdstip waarop de kippen in het buitenverblijf aanwezig zijn). In die omstandigheden kan volgens de Afdeling met deze voorschriften onaanvaardbare stankhinder voldoende worden voorkomen dan wel beperkt.
De bijdrage van deze kippen aan de cumulatie van stank is ook niet zodanig gebleken dat de vergunning daarom (gedeeltelijk) had moeten worden geweigerd.
 
Ook in de uitspraak van Veere,  200302055/1, 24-09-2003,  is hierop ingegaan. Hier hadden 16.500 kippen toegang tot een uitloop tussen 10.00 en 17.00 uur. Naar schatting zou 10 procent gebruik maken van deze uitloopmogelijkheid. Het meest stankgevoelige object is gelegen op 130 meter van de uiterste grens van de inrichting, zijnde de uiterste grens van de uitloop. 
De gemeente heeft aansluiting gezocht bij de Richtlijn 1996, omdat een toepasselijk beoordelingskader niet is opgesteld. Vervolgens heeft de gemeente geconstateerd dat voldaan werd aan de twee mogelijke afstanden: de minimum afstand tussen stal en gevoelig object (16.500 kippen is 86,4 meter) én de minimumafstand tussen grens van de inrichting en het stankgevoelig object ( 50 meter). Daarnaast waren er nog twee voorschriften aan de vergunning verbonden. Ingevolge het ene voorschrift  dient eenmaal per twee weken de kippenmest die zich heeft opgehoopt in de uitloop en de weide te worden afgevoerd naar de gesloten mestopslag. Ingevolge een ander voorschrift mogen in de uitloop niet meer dan 16.500 kippen aanwezig zijn.
Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat deze voorschriften toereikend zijn om stankhinder door de kippen in de uitloop te voorkomen.

In de uitspraak Sluis, ABRvS, 200410216/1, 20 juli 2005, gaat het om een biologische pluimveehouderij met uitloop. Het veebestand komt overeen met 200 mestvarkeneenheden. Volgens de bij de Richtlijn behorende afstandsgrafiek moet een afstand van 66 meter wroden aangehouden tussen het dichtstbijgelegen emissiepunt en het dichtstbijgelegen stankgevoelige categorie III-object. Gebleken is dat de (categorie III) woningen op respectievelijk 70 en 108 meter zijn gelegen.  
Wat de kippenuitloop betreft overweegt de Afdeling dat de Richtlijn uitgaat van de emissiepunten van natuurlijk of mechanisch geventileerde stallen en niet van in de open lucht gehouden dieren. De Afdeling neemt verder in aanmerking dat de afstand tussen de uitloop en de dichtstbijzijnde woning 80 meter bedraagt en dat de kippen blijkens de stukken slechts 10 % van de tijd in de uitloop aanwezig zijn.  Voor onaanvaardbare stankhinder vanwege het houden van dieren behoeft niet te worden gevreesd.

Aan de hand van deze uitspraken lijkt het er dus op dat met het stellen van voorschriften waaronder een minimale afstand van 50 meter vanaf de uiterste grens van de uitloop in ieder geval in voldoende mate stankhinder afkomstig van kippen in een uitloop  kan worden gereguleerd.

agrarisch

Zie ook

 

Kenniscentrum InfoMil