Brijvoer

Brijvoer

Geur en veehouderijen

Inhoud pagina: Brijvoer

Bij verschillende varkenshouderijen wordt gebruik gemaakt van brijvoer als voermethode. Met het gebruik van brijvoer moet bij vergunningverlening rekening worden gehouden. Hoe dat moet, wordt hieronder behandeld.     

Voor brijvoer kunnen bijproducten worden gebruikt, die kunnen leiden tot geurhinder voor de omgeving. Onderzoek over de exacte aard en omvang van de geurhinder ontbreekt vooralsnog, maar klachten uit de omgeving van veehouderijen die bijproducten gebruiken, wijzen op een serieus probleem.

De Wet milieubeheer biedt diverse mogelijkheden om via de vergunningverlening geurhinder van het gebruik van brijvoer te voorkomen en te bestrijden. Ook in de de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak worden deze mogelijkheden erkend. Allereerst moet de aanvraag voldoende informatie bevatten over het toepassen van brijvoer. In de vergunning kunnen diverse middel- en doelvoorschriften over de toepassing van brijvoer opgenomen worden. Indien er aanleiding is te veronderstellen dat er geuroverlast vanwege het gebruik van brijvoer kan optreden, is het zelfs mogelijk om aan de vergunning een voorschrift te verbinden dat de vergunninghouder verplicht om in geval van klachten een geuronderzoek uit te voeren. Indien in een reeds vergunde situatie geuroverlast optreedt ten gevolge van het gebruik van brijvoer, kan het bevoegd gezag met toepassing van artikel 2.30 of 2.31 van de Wabo aanvullende voorschriften aan de vergunning verbinden. 

De opslag van brijvoer is vergunningplichtig op grond van categorie 28.10 onder a, onderdeel 5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bij een opslag van meer dan 1.000 m3 en bij een verwerking van meer dan 4.000 ton per jaar op grond van categorie 28.10 onder c, onderdeel 5 van het Bor.

1. Wat is brijvoer?

Brijvoer is een voermethode die al een groot aantal jaren wordt toegepast in de varkenshouderij sector. Tot voor enkele jaren geleden werd brijvoer hoofdzakelijk gebruikt op grote varkensbedrijven. De laatste jaren wordt brijvoer ook steeds vaker op traditionele varkenshouderijen (gezinsbedrijven) en middelgrote bedrijven toegepast als voermethode.
Brijvoer is een veelomvattend begrip. Onder brijvoer wordt onder meer begrepen:

  • droogvoer dat met water in een brijvoermengtank wordt gemengd;
  • droogvoer dat met natte bijproducten in een brijvoermengtank wordt gemengd;
  • bijproducten (droge en natte) en een voederkern die in een brijvoermengtank worden gemengd

Bijproducten:
De bijproducten die worden toegepast in brijvoer zijn zeer divers van aard. Sommige bijproducten worden gefermenteerd of aangezuurd aangeleverd om de houdbaarheid te bevorderen. Voorbeelden van bijproducten zijn:

  • bijproducten uit de humane industrie (vis, aardappel, zuivel, suiker, enz);
  • producten uit de humane industrie (chips, soep (droog), frites, enz.);
  • geteelde landbouwproducten (tarwe, korrelmais, enz.);
  • producten waarvan de houdbaarheidsdatum is overschreden (bier, chocolade, koekjes, enz.);
  • voorbewerkte bijproducten van leverancier (Profarm Cehave).

De natte en droge bijproducten worden opgeslagen in silo's of bunkers. De silo's zijn vaak afgesloten en voorzien van een ontluchting. De bunkers betreffen grote betonnen bakken die van boven open zijn en die meestal in een overdekte ruimte zijn geplaatst. De silo's en bunkers hebben vaak een opslagcapaciteit van minimaal 50 ton. De reden hiervoor is dat het gebruik van bijproducten vooral financieel aantrekkelijk is, indien het product met grote hoeveelheden tegelijk wordt aangevoerd. De silo's en/of bunkers staan meestal in de nabijheid van de brijvoerkeuken. De brijvoerkeuken is een speciale ruimte waar de verschillende componenten gemengd worden. Afhankelijk van de omvang van het varkensbedrijf en van het type brijvoerinstallatie wordt er met één mengtank of meerdere mengtanks gewerkt. Na het prepareren van het voedsel in de brijvoerkeuken wordt het voedsel, vaak via een brijvoerinstallatie, aan de dieren gevoerd.

2. Brijvoer als bron van geuroverlast

De ervaring leert dat met name bedrijven die met bijproducten werken geuroverlast voor de omgeving veroorzaken. Mogelijke bronnen voor deze geuroverlast zijn:

  • Veel bijproducten geven een andere geurcomponent aan het voer dan droogvoer. Om deze reden kan de geur van het met bijproducten geprepareerde brijvoer vaak onderscheiden worden van gewoon voer. Overigens betekent een andere geur niet automatisch dat er sprake is van geuroverlast. Dit lijkt regelmatig het geval te zijn, maar niet altijd.
  • Het soort bijproduct dat wordt gevoerd. Het ene bijproduct stinkt meer dan het andere. Zo heeft uiensap doorgaans een onaangenamere geur dan aardappelproducten. Verder is het ene bijproduct gemakkelijker verteerbaar dan het andere, hetgeen mede bepalend is voor de geur van de mest. Op basis van ervaringen kan gesteld worden dat vismeelproducten, uienproducten, maiskweekwater en aardappeldiksap vanwege de aard van het product vaak stinken. Producten als wei, vla, ijs, vevotex, vevocel, etc. zijn bederfelijke producten die om die reden tot stank kunnen leiden. Bij producten als tarwezetmeel, aardappelproducten, vetten en andere relatief droge producten zijn er doorgaans weinig stankproblemen. In zijn algemeenheid veroorzaken natte bijproducten dus eerder geuroverlast dan droge bijproducten.
  • Het mengen van brijvoer in de opslagvoorziening. Dit is noodzakelijk bij sommige producten om ze homogeen te houden. Bij veel mengen kan fermentatie (gisting) plaats vinden wat weer tot geuroverlast kan leiden.
  • Het vullen en legen van de brijvoer opslag.
  • Het mengen van brijvoerproducten in de mengtank. Door de bewerking kan geuroverlast ontstaan.
  • Overige vormen van slecht management. Bijvoorbeeld morsverlies bij het bereiden van brijvoer, slechte reiniging van de brijvoerkeuken, het niet direct gebruiken van brijvoer dat uit de silo gehaald wordt, leidingbreuk, trogvervuiling, bevuiling hokvloer, etc.

3. De aanvraag

Toetsingskader bij de vergunningverlening voor de aanvaardbaarheid van het gebruik van brijvoer in relatie tot mogelijke geuroverlast zijn artikel 2.12 en 2.14 Wabo. De Wet geurhinder en veehouderij is niet van toepassing op geur afkomstig van brijvoer. De meest voor de hand liggende manier om de toetsing aan artikel 2.12 en 2.14 Wabo uit te voeren is het toepassen van de Nederlandse Emissie Richtlijn (NeR). Hoofdstuk 3.6 van de NER geeft een systematiek voor de beoordeling van geurhinder. Om het gebruik van brijvoer te kunnen beoordelen op eventuele geurhinder, is het van belang dat het bevoegd gezag over voldoende gegevens beschikt. Deze gegevens moeten in de aanvraag vermeld worden. De volgende gegevens zijn relevant:

  1. Wordt voor het voeren van de dieren (tevens) brijvoer gebruikt?
    Door in de vergunningaanvraag expliciet te vragen of er op het bedrijf brijvoer gemaakt en of gebruikt wordt, wordt voorkomen dat later onduidelijkheid kan ontstaan over de vraag of het bedrijf wel brijvoer mag voeren.

  2. Welke vormen van brijvoer worden gebruikt?
    Met name van belang is of er (op grote schaal) bijproducten gebruikt worden.

  3. Indien er bijproducten worden gebruikt, welke producten zijn dit dan, hoeveel wordt er maximaal opgeslagen en betreft het natte - en/of droge bijproducten?
    Omdat geuroverlast in veel gevallen veroorzaakt lijkt te worden door het gebruik van bijproducten en dan specifiek natte bijproducten, is het van belang te weten welke bijproducten gebruikt worden en of dit natte of droge producten betreft. Van de aanvrager wordt verwacht zo exact als redelijkerwijs mogelijk is aan te geven welke producten (of welke soort producten) gebruikt worden.

  4. Op welke wijze worden bijproducten en/of brijvoer opgeslagen (bv. silo of bunker), wat is de maximale opslagcapaciteit en welke maatregelen worden er eventueel genomen om geuroverlast van de opslag te voorkomen?
    Het is natuurlijk van belang te weten hoeveel van de verschillende producten opgeslagen wordt en op welke manier opslag plaats vindt. Indien een bedrijf 'stankgevoelige' producten opslaat zal het bedrijf soms op eigen initiatief maatregelen nemen om eventuele geuroverlast van de opslag zoveel mogelijk te voorkomen. De meest eenvoudige voorziening, die in feite bij elke vorm van opslag al vereist is, is een afdekking van de opslag.

  5. Hoe vaak worden (aantal keren per week, maand of jaar) er bijproducten of brijvoer aangevoerd en op welke wijze vindt aanvoer plaats (bv. vrachtwagen of tankwagen)?
    De frequentie waarmee brijvoer wordt aangevoerd is niet alleen van belang met het oog op het geluidsaspect maar ook in verband met eventuele geur. Het vullen van de silo's kan immers tot geurpieken en dus geuroverlast aanleiding geven.

  6. Is er een brijvoerkeuken aanwezig (aangeven op tekening) en hoe vaak (aantal keren per dag of week) wordt er brijvoer gemengd?
    Indien mogelijk, aangeven op welke tijdstippen er doorgaans gemengd wordt en hoelang het mengen duurt.
    Een andere potentiële bron van geuroverlast is de brijvoerkeuken. Door aan te geven hoe vaak de keuken gebruikt wordt, hoe vaak er gemengd wordt en met name ook hoe lang het mengen duurt en op welke tijdstippen de keuken gebruikt wordt kan, indien er later onverhoopt klachten komen over geuroverlast uit de omgeving, beter vastgesteld worden of de geuroverlast iets te maken heeft met het gebruik van de brijvoerkeuken.

  7. Hoeveel brijvoer wordt er dagelijks geproduceerd en/of hoeveel brijvoer wordt aan de dieren gevoerd (in kg per dag)?
    Deze informatie is nodig om te bepalen hoe lang het duurt totdat de opgeslagen producten allemaal gebruikt zijn. Dit is zeker van belang bij het gebruik van bederfelijke producten.

  8. Worden er maatregelen genomen en zo ja welke om mogelijke geuroverlast van de opslag, bereiding en het gebruik van brijvoerproducten zoveel mogelijk te voorkomen?
    Met deze vraag wordt het bedrijf gestimuleerd na te denken over mogelijke maatregelen die het bedrijf zelf al kan nemen ter voorkoming van eventuele geurhinder.

Naast een antwoord op deze vragen kan het in bepaalde gevallen noodzakelijk zijn om extra gegevens over mogelijke geurhinder van het gebruik van brijvoer te vragen. Indien er een redelijk vermoeden bestaat van geurhinder is het op grond van de Regeling omgevingsrecht in principe mogelijk een geuremissie onderzoek te verlangen (dit volgt uit artikel 4.1 onder e en f van de Regeling). In ABRvS nr. 200607833/1 van 6 juni 2007 (Gelderland) maakte een geuronderzoek onderdeel uit van de aanvraag.  

Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 augustus 2000, nr. 199902663 (Zevenhuizen - Moerkapelle) blijkt in welke situatie een geuronderzoek bij de aanvraag niet nodig is. Volgens de Afdeling was in die zaak, waarin blijkbaar vooruitlopend op de vergunningverlening al feitelijk brijvoer gevoerd werd, terecht afgezien van een diepgaander onderzoek voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag, omdat uit onderzoek naar klachten was gebleken dat deze niet waren te herleiden tot het gebruik van de brijvoerinstallatie. Ook overigens achtte het bevoegd gezag de mogelijkheid van geuroverlast hier niet zodanig dat een diepgaander onderzoek had moeten plaatsvinden.
Of in een specifiek geval een geuremissie rapport gevraagd kan worden zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Aspecten als het soort bijproduct dat gebruikt wordt, de hoeveelheid bijproduct die gebruikt wordt en de afstand tot geurgevoelige objecten spelen bij deze afweging in ieder geval een rol.

4. De vergunning

Op basis van de gegevens in de vergunningaanvraag zal het bevoegd gezag moeten beoordelen of vergunningverlening voor het gebruik van brijvoer mogelijk is. Voor de beoordeling van de geur van brijvoer bestaat geen concrete toetsingswaarde. Dit betekent dat het bevoegd gezag zal moeten inschatten onder welke voorwaarden een afdoende beschermingsniveau voor de omgeving aanwezig is. Het bevoegd gezag kan de voorwaarden die nodig zijn om een voldoende beschermingsniveau te bereiken middels voorschriften aan de vergunning verbinden.

ABRvS nr. 200507955/2 van 9 november 2005 (Zeeland) over stankhinder: "Wat de brijvoerinstallatie betreft, overweegt de Voorzitter dat de afstand van deze installatie tot de dichtstbijzijnde woning van derden circa 450 meter bedraagt. Verder zijn aan de vergunning de voorschriften 3.4.1 tot en met 3.4.13 verbonden inzake de opslag van brijvoer. In deze voorschriften is onder meer bepaald dat de brijvoeders en/of bestanddelen van brijvoeders uitsluitend mogen worden bewaard in goed afgesloten opslagruimten en dat ter voorkoming van stankhinder geen uiensap, bloed, ingewanden en kippenslik mogen worden bewaard of verwerkt.
De Voorzitter is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare stankhinder niet behoeft te worden gevreesd. De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekers voor het overige op dit punt hebben aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel."

ABRvS nr. 200000110/1 van 24 juli 2002 (Tholen) over stankhinder: "De voorschriften 6.9-6.33 van de vergunning hebben betrekking op de brijvoederinstallatie. In deze voorschriften is onder andere bepaald dat de producten die als basis voor het brijvoer worden gebruikt alsmede het voer/brijvoer zelf, zodanig dienen te worden opgeslagen en de ventilatie van de brijvoerkeuken op zodanige wijze dient plaats te vinden, dat geen onaanvaardbare stankhinder wordt ondervonden door omwonenden. Uiensap, vismeel, bloed, ingewanden en kippenslik mogen niet in de inrichting in het voer verwerkt worden dan wel aan de dieren binnen de inrichting gevoerd worden. Voorts is bepaald dat indien naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat de mate van de door de brijvoederinstallatie of door de bereiding en de distributie van het voer, veroorzaakte geurhinder onacceptabel is, het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aangaande de bedrijfsvoering en eventuele voorzieningen ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder kan voorschrijven. Verder dient het bij het spoelen van de brijvoerinstallatie ontstane spoelwater te worden opgevangen in een vloeistofdichte put en mag dit spoelwater niet in contact staan met de buitenlucht.
In aanmerking genomen dat de brijkeuken op circa 210 meter afstand van de dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde voorschriften toereikend zijn om onaanvaardbare stankhinder als gevolg van de brijvoederinstallatie te voorkomen. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel."

Door de Afdeling bestuursrechtspraak zijn inmiddels verschillende vergunningen voor het gebruik van brijvoer met de daaraan verbonden voorschriften beoordeeld (ABRvS d.d. 30 maart 1999, nr. E03.95.0422 (Steenbergen); ABRvS d.d. 29 april 1999, nr. E03.98.0695 (Tholen); ABRvS d.d. 30 juli 1999, nr. 199900248/2 (Borsele); ABRvS d.d. 28 oktober 1999, nr E03.97.1047 (Veere); ABRvS d.d. 3 augustus 2000, nr. 199902663 (Zevenhuizen -Moerkapelle).

In Bijlage 1 zijn de belangrijkste door de Afdeling geaccepteerde voorschriften op een rijtje gezet. Behalve voorschriften die al door de Raad van State getoetst zijn, bevat Bijlage 1 ook nog andere voorbeeldvoorschriften.

Het bevoegd gezag kan in voorkomend geval deze voorschriften aan een vergunning verbinden. Daarbij moet, wellicht ten overvloede, vermeld worden dat elke vergunning anders is en dus steeds weer beoordeeld moet worden of een bepaald voorschrift noodzakelijk en redelijk is. Ook kan het zijn dat er misschien andere voorschriften noodzakelijk zijn die niet in Bijlage 1 genoemd worden.

Opmerkelijk is de bovengenoemde uitspraak d.d. 28 oktober 1999 (Veere). Hierin wordt namelijk door de Afdeling een voorschrift geaccepteerd, waarin een koelinstallatie is voorgeschreven voor de opslagplaats van (bederfelijke) (bij)producten die deel uitmaken van het brijvoer of producten die direct kunnen worden gevoerd.

Een voorschrift dat voor zover bekend in de jurisprudentie over brijvoer nog niet aan de orde is geweest, is een voorschrift dat de vergunninghouder verplicht om in een logboek bij te houden op welke dagen en tijdstippen bepaalde concreet genoemde handelingen, waarvan het bevoegd gezag inschat dat deze handelingen tot geuroverlast kunnen leiden, verricht worden. Indien het bevoegd gezag inschat dat bij het mengen van bijproducten in de mengmachine er mogelijk geuroverlast voor de omgeving kan optreden, dan kan zij in een voorschrift bepalen dat gedurende bijvoorbeeld een jaar vanaf het in gebruik nemen van mengmachine in een logboek bijgehouden moet worden wanneer de mengmachine gebruikt wordt. Bij eventuele klachten over geuroverlast kan dan vrij eenvoudig vastgesteld worden of er een mogelijk verband is tussen het gebruik van de mengmachine en het ontstaan van klachten.

Onder omstandigheden is het ook mogelijk om in een voorschrift voor te schrijven dat in geval van klachten een geuronderzoek uitgevoerd moet worden, zo blijkt uit ABRvS d.d. 3 augustus 2000, nr. 199902663 (Zevenhuizen -Moerkapelle). In die zaak was het niet geheel uitgesloten dat het in werking hebben van de brijvoerinstallatie geurhinder kon veroorzaken. Gelet hierop had het bevoegd gezag in redelijkheid naast het stellen van middelvoorschriften ten aanzien van de vloeistofdichte uitvoering van de brijvoerinstallatie, tevens gedragsvoorschriften en een onderzoeksverplichting in geval van geuroverlast, aan de vergunning kunnen verbinden. Ingevolge het onderzoeksvoorschrift dient vergunninghouder indien klachten hiertoe aanleiding geven en het bevoegd gezag hierom verzoekt een geurrapport ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te zenden. Het bevoegd gezag mag maximaal een keer per drie jaar om een geuronderzoek vragen en het rapport moet binnen een termijn van 3 maanden na dagtekening van een zodanig verzoek overlegd worden. Het geurrapport moet een overzicht bevatten van bronnen, emissies, mogelijke maatregelen, kosten en afschrijvingstermijnen.

5. Klachten over geuroverlast

Als het goed is zal op een bedrijf pas brijvoer toegepast gaan worden op het moment dat de milieuvergunning van kracht is. Pas dan zal duidelijk worden of de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn. Indien er toch klachten komen over geurhinder doet het bevoegd gezag er in ieder geval verstandig aan om elke klacht goed te registreren (naam klager, adres klager, tijdstip klacht, aard van de geur, duur van de hinder). Vervolgens zal het bevoegd gezag duidelijk moeten krijgen van welk bedrijf de geurhinder afkomstig is en of de geurhinder met het gebruik van brijvoer, en met welke handeling die met het brijvoer verricht wordt, samenhangt. Een eventueel in de vergunning opgenomen verplichting voor het bedrijf om bepaalde potentieel stankveroorzakende handelingen te registreren wanneer deze verricht worden, kan helpen bij het achterhalen van de oorzaak. Indien duidelijk is dat de stankklachten veroorzaakt worden door het gebruik van brijvoer dient allereerst nagegaan te worden of het bedrijf aan de bestaande vergunningvoorschriften voldoet. Is dit niet het geval dan moet het bevoegd gezag overwegen tot handhaving over te gaan.

Wordt wel aan de bestaande voorschriften voldaan en aan de vergunning is het voorschrift verbonden dat in geval van stankklachten een geuronderzoek gevraagd kan worden, dan kan het bevoegd gezag de vergunninghouder om een dergelijk onderzoek vragen.
Indien een dergelijk voorschrift niet aan de vergunning verbonden is kan het bevoegd gezag met toepassing van artikel 2.30 of 2.31 van de Wabo de bestaande voorschriften wijzigen of nieuwe voorschriften aan de vergunning verbinden.

In de uitspraak van ABRvS d.d. 23 mei 2000, nr. E03.98.1037 (Gemert Bakel) en in de uitspraak ABRvS d.d. 5 september 2000, nr. E03.99.0063 (Middelharnis) wordt nader ingegaan op het verbinden van extra voorschriften aan de vergunning op grond van artikel 8.23 Wm. Uit de uitspraak Middelharnis blijkt dat ook bij de toepassing van artikel 8.23 Wm de motivatie en onderbouwing van het besluit een bepalende rol speelt. Het bevoegd gezag had in de zaak Middelharnis ter beperking van geurhinder voorgeschreven dat de voederopslagen van boven dienen te zijn afgedicht middels een overkapping. Er was echter geen onderzoek verricht in welke mate er in de omgeving ook geuroverlast vanwege de voederopslag optrad. Zo had er geen inventarisatie en registratie van klachten van omwonenden plaatsgevonden. Verder waren de klachten afkomstig van inwoners van de bebouwde kom op 1000 meter afstand van de opslag, terwijl op kortere afstand van de bebouwde kom ook andere geurveroorzakende bedrijven waren gevestigd. Het was volgens de Afdeling niet voldoende aannemelijk geworden dat de stankhinder ook daadwerkelijk door de brijvoeropslag werd veroorzaakt. Het besluit berustte derhalve niet op een draagkrachtige motivering.

agrarisch
 

Kenniscentrum InfoMil