Welke bedrijven hebben te maken met het Besluit glastuinbouw?
Glastuinbouw
Inhoud pagina: Welke bedrijven hebben te maken met het Besluit glastuinbouw?
Een inrichting valt op grond van artikel 2a onder het Besluit glastuinbouw al uitsluitend of in hoofdzaak op bedrijfsmatig wijze gewassen worden geteeld onder een permanente opstand van glas of kunststof (lees: een kas) en er geen uitsluitingsgrond van artikel 2b van toepassing is. Er wordt in het Besluit geen minimum teeltoppervlak aangegeven.
In het besluit is omschreven welk type bedrijf, met glastuinbouwactiviteiten, te maken heeft met welk deel van het besluit. Niet alle onderdelen van het besluit zijn van toepassing voor alle bedrijven met glastuinbouwactiviteiten.
Reikwijdte van het besluit glastuinbouw
Het Besluit glastuinbouw stelt regels aan alle bedrijven met glastuinbouwactiviteiten. Een glastuinbouwbedrijf is een inrichting die behoort tot categorie 9.1. onder f uit bijlage 1 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit en is bestemd voor het uitsluitend of in hoofdzaak onder een permanente opstand van glas of kunststof telen van gewassen. Het telen van gewassen is ruim gedefinieerd (zie Stb. 2002, nr. 109, pagina 79). Hieronder vallen o.a. alle mogelijke groente-, bloem- en bladgewassen die één of meermalig worden geoogst, of als compleet gewas worden afgeleverd (bijvoorbeeld in potten). Ook de teelt van uitgangs- en vermeerderingsmateriaal, zoals stek, moerplanten en zaaigoed valt volgens de toelichting van het Besluit glastuinbouw onder het begrip "telen van gewassen".
In de volgende situaties is het besluit van toepassing:
- Een bedrijf dat als hoofdactiviteit gewassen teelt onder een permanente opstand van glas of kunststof (zie Figuur 1 voor schematische weergave van de reikwijdte en meer informatie):
- en niet voldoet aan de uitsluitingsbepalingen van artikel 2 lid b en ten aanzien van de lozingssituatie type II;
- aan minimaal één van de uitsluitingsbepalingen van artikel 2 lid b voldoet en ten aanzien van de lozingssituatie type II.
- Gemengde bedrijven met als hoofdactiviteit het telen van gewassen in het open veld, waarbij glastuinbouw een nevenactiviteit is en welke beschikken over een vaste opstand van glas en/of kunststof (zie Figuur 2 voor schematische weergave van de reikwijdte en meer informatie):
- van minder dan 2.500 m2 en lozen type II;
- van meer dan 2.500 m2 en lozen type II.
Bedrijven die een permanente opstand van glas of kunststof niet gebruiken voor het telen van gewassen, vallen nadrukkelijk niet onder het Besluit glastuinbouw, zoals bijvoorbeeld onderzoeksbedrijven, tuincentra en caravanstallingen. Voor die bedrijven is dan een Wm-vergunning nodig, tenzij sprake is van kleinschalige nevenactiviteiten.
In ABRvS nr. 200704183/1 en 200704183/2 van 18 juli 2007 (Beemster) wordt een caravanstalling bij een glastuinbouwbedrijf als nevenactiviteit gezien: "2.2.3. Uit de stukken, alsmede het verhandelde ter zitting, blijkt dat de inrichting sinds enige jaren zowel voor glastuinbouw als voor de stalling van caravans wordt gebruikt. Het stallen van caravans binnen de inrichting vindt plaats op een oppervlakte van 3750 m2 van in totaal 9194 m2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat, hoewel in de inrichting ook caravans worden gestald, de glastuinbouw de belangrijkste activiteit binnen de inrichting vormt."
Uitsluitingsgronden
In artikel 2b van het Besluit glastuinbouw zijn uitsluitingsgronden opgenomen. Uitsluitingsgronden zijn bijvoorbeeld het gebruiken van een andere brandstof dan aardgas propaan, butaan, gasolie (= diesel of rode/witte gasolie of lichte stookolie) of petroleum voor ruimteverwarming (art. 2b 2), een ketelinstallatie (art. 2b 6) voor ruimteverwarming met een groter thermisch vermogen dan 7.500 kW of een te korte afstand tot gevoelige objecten (art. 2 onder b onder 20). Als een uitsluitingsgrond van artikel 2b van toepassing is het bedrijf vergunningplichtig.
Een glastuinbouwbedrijf waarvoor een uitsluitingsgrond geldt, moet wel aan bijlage 1 (registratieverplichting en verplichting tot het terugdringen van het gebruik van energie, meststoffen en (chemische) gewasbeschermingsmiddelen) en 3 (het Wvo-deel) van het Besluit glastuinbouw voldoen, zie artikel 10 van het Besluit. Voor het overige geldt het Besluit niet; dit moet in de vergunning worden geregeld.
Akkerbouwbedrijven met zowel open grondteelt als teelt in kassen
Bijlage 1 en 3 van het Besluit glastuinbouw zijn ook van toepassing als het gaat om bedrijven die in hoofdzaak bedrijfsmatig gewassen telen op het open veld (bijvoorbeeld een akkerbouw bedrijf of boomkwekerij) en tevens gewassen telen in een permanente opstand van glas of kunststof van meer dan 2500 vierkante meter, zie artikel 10 van het Besluit. Voor het overige geldt het Besluit niet; dit moet in de Wm-vergunning geregeld worden. Het Besluit landbouw is ook niet van toepassing vanwege de permanente opstand van glas of kunststof van meer dan 2500 vierkante meter.
Wordt bij een bedrijf dat in hoofdzaak bedrijfsmatig gewassen teelt op het open veld minder dan 2500 vierkante meter gewassen geteeld onder een permanente opstand van glas of kunststof, dan kan het Besluit landbouw milieubeheer van toepassing zijn én dient de inrichting met betrekking tot het de permanente opstand van glas of kunststof tevens te voldoen aan bijlage 3 (het Wvo-deel) van het Besluit glastuinbouwbedrijven (zie artikel 11 van het Besluit en schema’s uit Hoofdstuk 10 van de nota van toelichting van het Besluit).
Veredelingsbedrijven
Veredelingsbedrijven vallen buiten de reikwijdte van het besluit, als "uitsluitend of in hoofdzaak" wordt gezocht naar nieuwe rassen. Veredelingsbedrijven kunnen wel onder de reikwijdte van het Besluit glastuinbouw vallen, als de producten van de veredeling ook op het bedrijf worden vermeerderd. "Vermeerderen" valt wel onder de definitie van ‘het telen van gewassen’. Wanneer het vermeerderen op dezelfde locatie plaatsvindt, moet het bevoegd gezag Wm bepalen welke activiteit hier in hoofdzaak wordt bedreven: onderzoek, of teelt. Is de veredeling de hoofdactiviteit, dan dient een Wm-vergunning te worden opgesteld/aangevraagd, waarbij bijlage 1 niet van toepassing is. De reductie van grondstoffengebruik wordt dan via de vergunning geregeld. Als de nadruk ligt op de vermeerdering, dan is het Besluit glastuinbouw volledig van toepassing. Ook voor het veredelingsgedeelte.
Witlof- en eetbare paddenstoelenteeltbedrijven
Op grond van het Besluit glastuinbouw vallen tuinbouwbedrijven die witlof dan wel eetbare paddestoelen telen na 1 april 2002, niet meer onder de definitie van een glastuinbouwbedrijf. Dit blijkt nadrukkelijk uit artikel 2a van het Besluit glastuinbouw. Voor de inwerkingtreding van het besluit glastuinbouw vielen deze categorie bedrijven onder het Besluit tuinbouwbedrijven bedekte teelt milieubeheer. In artikel 19, tweede lid van het Besluit glastuinbouw was geregeld dat het Besluit tuinbouwbedrijven van toepassing bleef voor reeds bestaande bedrijven. Sinds 6 december 2006 vallen deze bedrijven onder het Besluit landbouw milieubeheer.
Meer informatie over het overgangsrecht.
Overigens waren alle bedrijven die na 1 april 2002 of overstappen op, of starten met het voornamelijk of in hoofdzaak telen van eetbare paddestoelen of witlof vergunningplichtig. Dit blijkt ook uit de toelichting (pagina 153) van het Besluit glastuinbouw. Of deze vergunningen van rechtswege zijn vervallen nu het Besluit landbouw in werking is getreden, hangt af van de reikwijdte van het besluit en de activiteiten van het bedrijf.

