Landbouw - Juridisch : Bevoegd gezag bij brijvoer
Inhoud pagina: Landbouw - Juridisch : Bevoegd gezag bij brijvoer
Vraag
Onder welk bevoegd gezag valt een veehouderij waar gebruik wordt gemaakt van brijvoer?
Antwoord
Het gebruik maken van brijvoer is een voermethode die al een groot aantal jaren wordt toegepast in de varkenshouderijsector. Brijvoer is vochtrijk veevoer dat bestaat uit droogvoer en natte en/of droge bijproducten. Deze bijproducten zijn vaak afkomstig van de zuivel-, tarwe-, vismeel-, aardappel-, maïs-, of bietenproductie of van slachtafval. Meer informatie over brijvoer.
Vergunningplicht
Op grond van categorie 28.10 van bijlage 1, onderdeel c van het Bor is de opslag van brijvoer vergunningplichtig bij een opslag van meer dan het 1.000 kubieke meter en het als diervoeder binnen de inrichting gebruiken en voor dit gebruik geschikt maken van plantaardige restproducten uit de land- en tuinbouw en uit de voedselbereiding en -verwerking uitgezonderd voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens, met een maximale opslagcapaciteit van 4.000 ton per jaar.
Bevoegd gezag
Over het algemeen is de gemeente bevoegd te beslissen op aanvragen om vergunning voor een veehouderij, op grond van onder andere categorie 8 van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Bij het opslaan van afvalstoffen (bijproducten) zoals bedoeld in categorie 28.4 van bijlage 1, onderdeel c van het Bor kan de provincie het bevoegd gezag zijn. De meeste bijproducten zijn te bestempelen als afvalstoffen (zie jurisprudentie ). Voor de opslag en verwerking van bijproducten boven een bepaalde capaciteit is de gemeente het bevoegd gezag maar moet de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgeven. Dit is het geval indien er geen sprake is van een gpbv-installatie, het Besluit risico's zware ongevallen 1999 niet van toepassing is, en:
- indien de opslagcapaciteit voor afvalstoffen (bijproducten) meer dan 1.000 m3 bedraagt en deze afvalstoffen afkomstig zijn van buiten de inrichting (categorie 28.4,a, 6o van bijlage I onderdeel C van het Bor).
- indien jaarlijks meer dan 15.000 ton afvalstoffen (bijproducten) afkomstig van buiten de inrichting wordt gebruikt voor de bereiding van brijvoer (categorie 28,4,c,1o van bijlage I onderdeel C van het Bor).
Als de genoemde grenzen worden overschreden terwijl er wel sprake is van een gpbv-installatie of het Besluit risico's zware ongevallen 1999 wel van toepassing is, dan is de provincie bevoegd gezag voor de vergunning.
Stroomschema Bevoegd gezag bij bereiding brijvoer.
Jurisprudentie
Dat bijproducten afvalstoffen zijn, wordt bevestigd in jurisprudentie. In de uitspraak van ABRvS nr. 200203938/1 van 14 mei 2003 (Buren) ging het om een veehouderij waar onder andere een brijvoerkeuken en voerbunkers werden aangevraagd. In de inrichting is onder meer kaaswei, bierbostel en bietenpulp aanwezig. Deze bijproducten zijn van buiten de inrichting afkomstig. De Afdeling zegt dat deze bijproducten zijn aan te merken als een afvalstof: "Vaststaat derhalve dat vergunning is aangevraagd voor een inrichting die over de capaciteit beschikt om meer dan 50 m³ van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen op te slaan(..)."
De vraag of brijvoer een afvalstof betreft komt ook aan de orde in de uitspraak ABRvS nr. 200304321/1 van 2 september 2003 (Sluis). Hier ging het om de opslag van aardappelstoomschillen, biergist en wei dat als gemengd bijproduct werd toegepast in de inrichting. Uit de aanvraag bleek echter niet dat de bijproducten als gereed product na het ondergaan van een verwerkingsproces van een veevoederproducent afkomstig waren. "Nu in de aanvraag informatie met betrekking tot de herkomst van de bijproducten ontbreekt is onduidelijk of in de inrichting afvalstoffen tot brijvoer worden verwerkt."
Zie ook de uitspraak ABRvS nr. 00805165/1/M2 van 5 augustus 2009 (Utrecht). De aanvraag heeft betrekking op een inrichting voor de productie van 400.000 ton veevoer. De residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelensector en producten die oorspronkelijk waren bestemd voor menselijke consumptie, zijn afvalstoffen. De aanvraag bevat geen beperkingen met betrekking tot het aandeel van een grond- of hulpstof in de totale jaarlijkse productie van het veevoer, zodat dat de aanvraag betrekking heeft op een inrichting voor de verwerking tot veevoer van 15.000 ton afvalstoffen of meer per jaar. Hierdoor is het een inrichting als bedoeld in categorie 28.4, onder c, sub 1, van bijlage I behorende bij het Ivb, met als bevoegd gezag het college van gedeputeerde staten.
In dit kader is ook de uitspraak ABRvS nr. 200206735/1 van 9 juli 2003 (Best) van belang. De Afdeling geeft aan dat in situaties waarbij het duidelijk is dat er geen van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden opgeslagen en er slechts bijproducten worden gebruikt die oorspronkelijk zijn bestemd om als veevoer te dienen, er in de vergunning expliciet moet worden opgenomen dat geen van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden opgeslagen. Met een dergelijk voorschrift is duidelijk dat categorie 28.4 Ivb niet van toepassing is en gedeputeerde staten geen bevoegd gezag zijn. Hier ging het om graanproducten (of gewassen) afkomstig van de eigen landerijen (of die van de buurman).

