Landbouw - Juridisch : Oprichtings- of revisievergunning
Inhoud pagina: Landbouw - Juridisch : Oprichtings- of revisievergunning
Vraag
Wanneer moet voor een veehouderij een oprichtingsvergunning verleend worden en wanneer een omgevingsvergunning voor de gehele inrichting (revisievergunning)?
Antwoord
Het is mogelijk dat op een locatie waarop al een omgevingsvergunning rust, geheel nieuwe agrarische activiteiten zullen gaan plaats vinden. De vraag die dan rijst is of hier kan worden volstaan met een revisievergunning (artikel 2.6 Wabo) of dat hiervoor een oprichtingsvergunning (artikel 2.1 Wabo) zou moeten worden verleend.
Uit jurisprudentie uit het verleden bleek dat met name relevant was in hoeverre de milieugevolgen van de nieuwe activiteit van geheel ander aard zijn en in hoeverre hierdoor de aard van de inrichting wordt gewijzigd. Als de aard van de inrichting of van de milieugevolgen hetzelfde blijft, kon (en kan) worden volstaan met een revisievergunning. Inmiddels blijken de aard van de milieugevolgen of de aard van de inrichting niet meer alleen bepalend. Het verlenen van een revisievergunning voor een inrichting van geheel andere aard is mogelijk.
In ABRvS 200100206/2 van 20 maart 2002 (Horst aan de Maas) ging het om een opfokkippenhouderij annex poeliersbedrijf met mestopslag waar geen bereiding van voedsel plaats vond, dat een geldige vergunning daarvoor had. Vervolgens werd een aanvraag om een revisievergunning ingediend voor een inrichting voor het bereiden en verkopen van vlees en eiproducten. De Afdeling oordeelt als volgt: "(...)De onderhavige vergunning heeft betrekking op een inrichting van een geheel andere aard dan de inrichting waarop de onderliggende vergunning betrekking heeft. De systematiek van de Wet milieubeheer en met name artikel 8.4 verzetten zich er niet tegen dat in een dergelijk geval een revisievergunning wordt verleend. De wet geeft geen indicatie dat bepaalde veranderingen wel en andere veranderingen niet in het kader van een revisievergunning kunnen worden verwezenlijkt. Het verlenen van een revisievergunning voor een wezenlijk andere inrichting dan die waarop de onderliggende vergunning ziet is derhalve mogelijk, ook al zijn de milieugevolgen van een andere aard of intensiteit dan de milieugevolgen die op grond van de onderliggende Hinderwetvergunning waren toegestaan. Het bevoegd gezag moet in dat geval de aanvraag beoordelen als betrof het een oprichtingssituatie. (...)",
Ook in ABRvS, 200202996/1, 3 december 2003, overwoog de Afdeling dat "(..) indien voor een inrichting eerder een vergunning is verleend en de aangevraagde wijzigingen zodanig zijn, dat feitelijk sprake is van een nieuwe inrichting dan wel van een inrichting van een geheel andere aard, het systeem van de Wet milieubeheer, met name gelet op de tekst van artikel 8.4, derde lid, zich er niet tegen verzet dat een revisievergunning wordt verleend. Het verlenen van een revisievergunning voor een wezenlijk andere inrichting dan die waarop de onderliggende vergunning ziet, is mogelijk, ook al zijn de milieugevolgen van een andere aard of intensiteit dan de milieugevolgen die op grond van de onderliggende milieuvergunning waren toegestaan. Het bevoegd gezag moet in een dergelijk geval de aanvraag beoordelen als betrof deze een oprichtingssituatie."
Uit de laatste zinsnede blijkt dat het toch van belang is om te bepalen of het wel of niet gaat om een oprichtingssituatie. Daardoor blijft de oude jurisprudentie over dit onderwerp (zie Historie) toch van belang.
Historie
Uit jurisprudentie uit het verleden bleek dat met name relevant was in hoeverre de milieugevolgen van de nieuwe activiteit van geheel ander aard zijn en in hoeverre hierdoor de aard van de inrichting wordt gewijzigd. Als de aard van de inrichting of van de milieugevolgen hetzelfde blijft, kon (en kan) worden volstaan met een revisievergunning:
- Het omzetten van een akkerbouwbedrijf met mestkuikens naar een varkensmesterij kon met een revisievergunning ( ABRvS, E03.94.1402, 13 juli 1999, Delfzijl, M&R 1999/114, 30203, Koninklijke Vermande Stank 3.3.3c-2).
- Het omzetten van een (intensieve) legkippenhouderij in een dierenpension met konijnenhouderij kon met een revisievergunning. Beide activiteiten zijn aan te merken als het houden van dieren en vielen derhalve onder dezelfde categorie van het Ivb. "Niet is gebleken dat sprake is van zodanig andersoortige gevolgen voor het milieu dat daarvoor een oprichtingsvergunning zou zijn vereist" (ABRvS, E03.96.1109, 19 oktober 1998, M&R 1999-11/94).
- Het omzetten van een varkensmesterij naar een varkensfokkerij kon met een revisievergunning. De Afdeling overweegt hierbij dat er geen sprake is van een zodanig andersoortige inrichting, dat verweerders de gevraagde revisievergunning niet had kunnen verlenen (ABRvS, 200202415/1, 12 februari 2003, AB 2003/130).
Worden de aard van de inrichting of van de milieugevolgen geheel anders, dan moest in het verleden een oprichtingsvergunning worden aangevraagd. Dit bleek bijvoorbeeld uit het beroep tegen een revisievergunning voor een natuurpark met horecavoorzieningen. In het park werden onder meer wolven, flamingo's, beren en zeehonden gehouden voor recreatieve en educatieve doeleinden. Op het perceel was al eerder een inrichting gevestigd met vergunning voor mestvarkens, melkkoeien en vrouwelijk jongvee. Het natuurpark betrof volgens de Afdeling een wezenlijk andere inrichting dan die waarop de eerder verleende vergunning ziet. De milieugevolgen waren, mede gelet op het te verwachten bezoekersaantal en de aangevraagde horecavoorzieningen, van geheel andere aard dan die van de inrichting waarvoor destijds vergunning is verleend. Er had dan ook een oprichtingsvergunning aangevraagd moeten worden (ABRvS, 200004143/2, 11 december 2000, Mierlo, JM 2001-4/51, Nieuwsbrief StAB 2001-2/K3).
Een soortgelijke zaak betrof een revisievergunning voor een roofdierenopvangcentrum Pantera. Voorheen was vergunning verleend voor een entrainement (oefenterrein) voor het houden van paarden. Aangezien de milieugevolgen van geheel andere aard waren, diende hier volgens de Afdeling een oprichtingsvergunning in plaats van een revisievergunning aangevraagd te worden, (ABRvS, E03.94.0964, 11 maart 1996, Ooststellingwerf).
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
Milieu en Recht
Administratiefrechtelijke Beslissingen
Jurisprudentie Milieurecht

