Landbouw - Juridisch : Verlengen van driejaarstermijn - art. 8.18 lid 2 Wm

Landbouw - Juridisch : Verlengen van driejaarstermijn - art. 8.18 lid 2 Wm

Inhoud pagina: Landbouw - Juridisch : Verlengen van driejaarstermijn - art. 8.18 lid 2 Wm

Vraag

Wat waren de mogelijkheden om de termijn van drie jaar genoemd in artikel 8.18 lid 1 Wm te verlengen?

Antwoord

Per 1oktober 2010 is artikel 8.18 van de Wet milieubeheer (Wm) vervallen. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het vervallen van de vergunning conform artikel 8.18 Wm niet opgenomen. Een vergunning vervalt niet meer automatisch als de inrichting niet binnen drie jaar is voltooid en in werking gebracht. Het verlengen van de termijn is dus ook niet meer relevant. Op grond van artikel 2.33, tweede lid Wabo kan het bevoegd gezag de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien drie jaar lang geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

Voor inwerkingtreding van de Wabo kon op grond van artikel 8.18, tweede lid Wm, indien werd verwacht dat de inrichting niet binnen drie jaar kon worden voltooid en in werking gebracht, in de vergunning een andere termijn worden vastgesteld. Over dit artikel zijn een aantal uitspraken gedaan.
Uit deze jurisprudentie kan worden afgeleid dat het bevoegd gezag terughoudend moet omgaan met het stellen van een andere termijn. Alleen in bijzondere situaties en bij zwaarwegende argumenten kon toepassing aan dit artikel worden gegeven. 

Economische gevolgen van de herstructurering van de varkenshouderij vormen geen reden voor verlenging van deze termijn:
Dit blijkt uit de uitspraak van ABRvS, E03.98.0777, 29 september 2000, Maarn, ABKort 2000-38/649.
" (..) dat het afwachten van de mogelijke economische gevolgen van de herstructurering van de varkenshouderij, geen reden kan zijn om de termijn van drie jaar te verlengen. De Afdeling ziet daarin geen aanleiding voor het oordeel dat kon worden verwacht dat deze inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, zou kunnen worden voltooid en in werking gebracht."

De gewenste bedrijfsvoering en de continuïteit  van het bedrijf zijn geen reden voor verlenging van deze termijn:
Dit blijkt uit de uitspraak van ABRvS E03.97.1571, 11 juni 2000, Loon op zand, JM 2000-9/128, Nieuwsbrief StAB 2000-4/K59.  
Deze uitspraak ging over een besluit waarbij het bevoegd gezag de termijn heeft verlengd tot vijf jaar voor het voltooien en in werking brengen van twee van de drie kassen voor het houden van nertsen.  Zij hebben naar voren gebracht dat de gewenste bedrijfsvoering en de continuïteit van het bedrijf tot deze verlenging noodzaken. Uit deze uitspraak blijkt echter nogmaals dat slechts in bijzondere situaties en op grond van een deugdelijke motivering het tweede lid van artikel 8.18 kan worden toegepast.  In hetgeen verweerders hier hebben aangevoerd is er volgens de Afdeling geen grond voor het oordeel dat hiervan sprake is.

De beschikbaarheid van arbeidskrachten en het vervallen van Wet herstructurering zijn onvoldoende redenen voor verlenging van de termijn:
Dit blijkt uit de uitspraak van ABRvS, 200200465/1, 23 oktober 2002, Swalmen,  JM 2003-1/4, ABKort 2002-45/784, MilieuSelect 2002-10/7.17, M&R 2003-1/7.
"In het bestreden besluit is met toepassing van art. 8.18 lid 2 Wet milieubeheer de termijn waarbinnen de inrichting moet zijn voltooid vastgesteld op 5 jaar. De omstandigheden dat de zoon van vergunninghouder eerst na 3 jaar beschikbaar is als arbeidskracht en dat de Wet herstructurering varkenshouderij die de varkensrechten regelt, in 2005 vervalt, zijn onvoldoende voor afwijking van de termijn van drie jaar."

Ruimtelijke ordening en dierenwelzijn zijn geen redenen voor verlenging van de termijn:
Dit blijkt uit de uitspraak ABRvS, 200105175/1, 18 september 2002, Valkenswaard.
" Verweerders stellen in het bestreden besluit dat de termijn voor de realisering van de inrichting bepaald is op vijf jaar omdat onzekerheid bestaat over het tijdstraject van de in het kader van de Wet op de ruimtelijke ordening te doorlopen vrijstellingsprocedure en dat de aanpassingen van de inrichting in het kader van de verbetering van het dierenwelzijn langer duren dan drie jaar. De Afdeling is van oordeel dat de door verweerders genoemde redenen geen omstandigheden zijn waarvan kan worden verwacht dat ze de voltooiing en in werking brenging van de inrichting binnen drie jaar verhinderen."

De omvang van de op te richten inrichting en bedrijfsverplaatsing zijn geen redenen voor verlenging van de termijn: 
Dit blijkt uit de uitspraak ABRvS, 200409343/1,  1 juni 2005,  Echt-Susteren. 
"Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit overleg met aanvrager is gebleken dat, vanwege de omvang van de op te richten inrichting en het feit dat het om een bedrijfsverplaatsing gaat, naar verwachting de onderhavige inrichting niet binnen drie jaar na vergunningverlening kan worden gerealiseerd. Daarom is de termijn van drie jaar als bedoeld in het eerste lid, onder a, van artikel 8.18 van de Wet milieubeheer verlengd tot zes jaar."
"In hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat kon worden verwacht dat de onderhavige inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, zou kunnen worden voltooid en in werking gebracht."

Bij al deze uitspraken was het dus níet mogelijk om de termijn te verlengen. Wanneer het wél zou kunnen, daarover zijn ons in het kader van agrarische vergunningverlening geen uitspraken bekend.

Het toepassen van een andere termijn kan overigens uitsluitend bij het verlenen van de desbetreffende vergunning plaatsvinden en niet in een later stadium.
Dit blijkt uit uitspraak ABRvS,  E03.95.1209, 2 mei 1996, Middelharnis, BR 1996/581.
"De Afdeling overweegt dat artikel 8.18, tweede lid, slechts de bevoegdheid geeft om bij gelegenheid van de verlening van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer als termijn binnen welke de inrichting moet zijn voltooid en in werking moet zijn gebracht, een andere termijn vast te stellen dan uit het eerste lid van dit artikel voortvloeit. De bepaling geeft niet de bevoegdheid om ná het totstandkomen van de vergunning een andere termijn in de plaats van de wettelijke termijn van artikel 8.18, eerste lid, te doen treden."

90681
85838
85542
88934
88935
agrarisch

Zie ook

 

Kenniscentrum InfoMil