Chw in het kort
Crisis- en herstelwet
Inhoud pagina: Chw in het kort
Hieronder vindt u een overzicht van de Crisis- en herstelwet (Chw). Dit overzicht is globaal en is bedoeld om een overzicht te geven van de reikwijdte van de Chw. Wanneer er vragen rijzen, is het aan te raden om de wettekst en de Kamerstukken te raadplegen.
De kern van deze wet is dat met nieuwe en/of aangepaste procedures doelgericht wordt gewerkt aan werkgelegenheid en duurzaamheid. De Crisis- en herstelwet omvat twee categorieën maatregelen:
- Tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden
- Wijzigingen van bijzondere wetten
In tegenstelling tot de tijdelijke maatregelen (die in principe tot 1 januari 2014 én voor een afgebakende hoeveelheid projecten gelden) zijn de wijzigingen van de bijzondere wetten voor alle projecten in het ruimtelijk domein van toepassing. Het zijn bovendien geen tijdelijke, maar permanente wijzigingen. De opbouw van de Crisis- en herstelwet is als volgt:
Hoofdstuk 1. Bijzondere bepalingen voor Projecten
In hoofdstuk 1 gaat het vooral om het tijdelijk stroomlijnen van bestuursrechtelijke procedures. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het beperken van het beroepsrecht. Deze tijdelijke stroomlijning van procedures geldt voor besluiten voor:
- de op basis van de in Bijlage I van de Chw bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten
- de projecten genoemd in Bijlage II van de Chw
- projecten op basis van Hoofdstuk 2 Chw:
- gebiedsontwikkelingsplannen en besluiten benodigd voor de uitvoering van de projecten waarop die gebiedsontwikkelingsplannen betrekking hebben (zie Afdeling 1 Ontwikkelingsgebieden, Hoofdstuk 2 Chw);
- projectuitvoeringsbesluiten voor de versnelde uitvoering bouwprojecten (zie Afdeling 6 "Versnelde uitvoering van bouwprojecten", Hoofdstuk 2 Chw).
Daarnaast wordt in dit hoofdstuk in afdeling 3 "Milieueffectrapport" voor de m.e.r.-procedure vereenvoudigd (geen beschrijving alternatieven verplicht en ook geen advisering van de commissie MER). Deze vereenvoudiging van de m.e.r.-procedure geldt alleen voor projecten uit bijlage II van de Chw en voor op grond van artikel 2.18 bij Amvb aangewezen projecten van lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis (zie Afdeling 7 "Versnelde uitvoering van lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis").
Tot slot wordt in afdeling 4 van dit hoofdstuk 1 de Lex silencio positivo ingevoerd voor een aanvraag om een vergunning die wordt genoemd in bijlage III van deze wet (tot nu toe is dat alleen de aanlegvergunning op grond van artikel 3.16 Wro).
Hoofdstuk 2. Bijzondere Voorzieningen
In hoofdstuk 2 CHW worden een zestal Bijzondere voorzieningen geïntroduceerd:
- Afdeling 1 Ontwikkelingsgebieden
- Afdeling 2 Innovatie
- Afdeling 3 Radarzonering
- Afdeling 4 Vervallen
- Afdeling 5 Tijdelijke verhuur te koop staande woningen
- Afdeling 6 Versnelde uitvoering van bouwprojecten
- Afdeling 7 Versnelde uitvoering van lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis.
Afdeling 1 Ontwikkelingsgebieden
Bij sommige gewenste ruimtelijke ontwikkelingen lopen bestuurders aan tegen milieurechtelijke grenzen. In de huidige wet- en regelgeving is er weinig ruimte voor bestuurders om in een dergelijk geval vanuit het bredere perspectief van duurzame ontwikkeling toch te kiezen voor de gewenste ontwikkeling. Daarom maakt deze afdeling het mogelijk om te experimenteren met het vergroten van de bestuurlijke manoeuvreerruimte op basis van een zogenoemd gebiedsontwikkelingsplan.
Hoofdpunten hieruit:
- De ontwikkelingsgebieden worden bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
- Het ontwikkelingsgebied betreft een bestaand stedelijk gebied of een bestaand bedrijventerrein
- Er is een verplichting voor de gemeenteraad om een gebiedsontwikkelingsplan vast te stellen dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan
- Het ontwikkelingsplan fungeert als een planmatig afwegingskader. Het resultaat van de afweging bestaat uit een serie geselecteerde en onderbouwde maatregelen waarmee de vereiste milieuruimte kan worden vrijgemaakt. De vergrote flexibiliteit komt tot stand omdat meer maatregelen mogelijk worden dan onder heersende wet- en regelgeving. Daarbij geldt wel dat uiterlijk na tien jaar alsnog wordt voldaan aan de in de wet gestelde milieukwaliteitsnormen. In het kader van dit wetsvoorstel kan niet worden afgeweken van de Europese regelgeving.
- Afdeling 2 Procedures van Hoofdstuk 1 CHW is van toepassing.
Afdeling 2 Innovatie
Innovatieve ontwikkelingen stuiten nu soms op wettelijke grenzen. In deze afdeling wordt het mogelijk gemaakt wettelijke grenzen opzij te zetten om tijdelijke experimenten mogelijk te maken. Innovaties, crisisbestrijding en bevordering van de duurzaamheid gaan hierbij hand in hand.
Hoofdpunten hieruit:
- De tijdelijke experimenten waarmee wordt afgeweken van de in de CHW genoemde wetgeving worden vastgesteld via een algemene maatregel van bestuur
- De Europese regelgeving wordt daarbij in acht genomen.
Afdeling 3 Radarzonering
De regering heeft de ambitie om nog deze kabinetsperiode het aandeel duurzame energie, waaronder windenergie, sterk te laten toenemen. Daarbij is een goede afstemming tussen radarzonering en bebouwing noodzakelijk. Dit wordt onder andere opgelost in de Amvb Ruimte. Om één en ander te versnellen is in deze afdeling hetzelfde geregeld als wat in de Amvb ruimte (nu nog in ontwerp) is opgenomen.
Hoofdpunten hieruit:
- Gemeenten zijn verplicht om rekening te houden met de verstoring van radarstations.
- De minister van Defensie maakt bekend wat de grenzen van de radarverstoringsgebieden zijn en wat binnen deze gebieden de maximale bouwhoogte is.
- De minister van Defensie kan tevens regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gevolgen van bouwwerken voor het radarstation worden bepaald, beschreven en beoordeeld.
Afdeling 5 Tijdelijke verhuur te koop staande woningen
Hierin wordt bepaald dat voor de categorie te koop staande woningen, bij tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet geliberaliseerde verhuur wel mogelijk is, waar dit op grond van de reguliere huurprijsregelgeving ook mogelijk is. De bepaling dat burgemeester en wethouders de maximale huurprijs in de vergunning opnemen is in dat geval niet van toepassing.
Afdeling 6 Versnelde uitvoering bouwprojecten
In afdeling 6 van hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel is een regeling opgenomen voor de versnelde uitvoering van woningbouwprojecten. De bedoeling daarvan is om de bouwnijverheid als economisch vitale sector nog een extra stimulans te geven. Deze stimulans is gevonden in een vergaande stroomlijning en vereenvoudiging van besluitvormingsprocessen rond woningbouwprojecten.
Hoofdpunten hieruit:
- Het gaat om bouwprojecten, die hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 12 en ten hoogste 1.500 nieuwe woningen (bij één ontsluitingsweg) of 2.000 woningen (bij twee ontsluitingswegen)
- Deze afdeling kan niet gebruikt worden bij:
- Projecten waarbij een vergunning op grond van artikel 19 d, eerste lid van de natuurbeschermingswet noodzakelijk is;
- Aangewezen lokale of (boven)regionale projecten met nationale betekenis;
- Projecten die zijn gelegen binnen 100 meter van een hoofdweg of van een weg die wordt gebruikt als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
- Projecten binnen 30 meter van een hoofdspoorweg;
- Projecten in of op rijkswateren of regionale wateren waar de functie vaarweg aan is toegekend en die geschikt zijn voor gebruik van schepen met een laadvermogen van ten minste 400 ton.
De belangrijkste uitgangspunten van het besluitvormingsmodel zoals in afdeling 6 is opgenomen zijn:
- Besluitvorming op basis van belangenafweging door één orgaan, uitmondend in één (project)besluit.
- Een zorgvuldige voorbereiding met ruime mogelijkheden voor inspraak.
- Inachtneming van de bestaande wettelijke toetsingskaders en inhoudelijke normen.
- Beroep in één instantie.
Afdeling 7 Versnelde uitvoering van lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis
Deze Afdeling vormt een aanvulling op de reeds voorziene regeling met betrekking tot woningbouwprojecten die is opgenomen in hoofdstuk 2, afdeling 6, van het wetsvoorstel. Gedacht kan worden aan grootschalige stadsvernieuwing, de herontwikkeling van stationsgebieden, grote woningbouwprojecten en renovatie van bedrijventerreinen.
Hoofdpunten:
- De lokale en (boven)regionale projecten worden bij een algemene maatregel van bestuur aangewezen op basis van artikel 2.18 Chw.
- De gemeenteraad stelt een structuurvisie op.
- Verplichte toepassing van de coördinatieregeling 3.30 Wro.
- Afdeling 3 "Milieueffectrapport" Hoofdstuk 1 Chw is van toepassing op deze structuurvisie.
Samenvattend is het dus van belang om te realiseren dat voor de afdelingen 1 (Ontwikkelingsgebieden), 2 (Innovatie) en 7 (Versnelde uitvoering van lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis) eerst nog een amvb nodig is, voordat u deze instrumenten kunt gebruiken.
Hoofdstuk 3. Wijziging van diverse wetten
Hebben hoofdstuk 1 en 2 van de wet nog een tijdelijk karakter (tot 2014), in hoofdstuk 3 wordt een groot aantal wetten blijvend aangepast, waaronder de Wro, de Wabo en de Wet geluidhinder.
Hieronder een overzicht van de wetten die met behulp van de Chw zijn gewijzigd:
Artikel 3.1 Awb
Artikel 3.2 Elektriciteitswet 1998
Artikel 3.3 Gaswet
Artikel 3.4 Interimwet stad-en-milieubenadering
Artikel 3.5 Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (31 953)
Artikel 3.6 Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
Artikel 3.7 Mijnbouwwet
Artikel 3.8 Natuurbeschermingswet 1998
Artikel 3.9 Onteigeningswet
Artikel 3.9a Reconstructiewet concentratiegebieden
Artikel 3.10 Spoedwetwegverbreding
Artikel 3.11 Telecommunicatiewet
Artikel 3.12 Tracéwet
Artikel 3.13 Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken
Artikel 3.14 Waterwet
Artikel 3.15 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 3.16 Wet beheer rijkswaterstaatswerken
Artikel 3.16a Wet bereikbaarheid en mobiliteit
Artikel 3.17 Wet bodembescherming
Artikel 3.18 Wet geluidhinder
Artikel 3.19 Wet luchtvaart
Artikel 3.20 Wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet luchtvaart
Artikel 3.21 Wet milieubeheer
Artikel 3.22 Wet op de economische delicten
Artikel 3.23 Wet op de waterkering
Artikel 3.24 Wet ruimtelijke ordening
Artikel 3.24a Wet ruimtelijke ordening (aanpassing geldt na inwerkingtreding Wabo)
Artikel 3.25 Wet stedelijke vernieuwing
Artikel 3.26 Wet voorkeursrecht gemeenten
Het gaat te ver om bovenstaande wijzigingen per wet te bespreken. Deze wijzigingen variëren van kleine reparaties tot wijzigingen met een grote invloed op de wetspraktijk.
Hoofdstuk 4. Wijziging van lagere regelgeving
In dit hoofdstuk is een drietal besluiten gewijzigd:
- Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 (wijziging artikel 2 met betrekking tot vergunningsplicht bij grote infrastructurele werken)
- Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (wijziging bijlage 1, onder a in relatie met mijnbouwwerken). Bijlage 1 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer is inmiddels opgenomen in het Besluit omgevingsrecht.
- Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (in relatie met het opladen van accus's van elektrische voertuigen). Dit besluit is inmiddels opgenomen in het Besluit omgevingsrecht.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
In dit hoofdstuk is een aantal procedurele en overgangsaspecten geregeld. In het kort de hoofdpunten:
- Bij een Amvb kunnen regels worden gesteld gericht op een versnelling van de ontwikkeling en verwezenlijking van projecten, die worden uitgevoerd op basis van deze wet.
- Er is overgangsrecht met betrekking tot gebruik van de artikelen in § 2.2 beperking beroepsrecht Afdeling 2 Procedures hoofdstuk 1 Chw.
- Er is overgangsrecht met betrekking tot onteigeningsbesluiten, de Interimwet stad- en milieubenadering, de spoedwet wegverbreding en de Tracéwet.
- Er zijn aanpassingen van de Chw geregeld met betrekking tot inwerkingtreding van de modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage én de inwerkingtreding van artikel 2.1 Wabo.
- In artikel 5.10 is de inwerkingtreding en de duur van de tijdelijke maatregelen geregeld. Via een novelle (een klein wetje), zie het staatsblad jaargang 2010, Nr. 136, is dit artikel aangepast wat betreft de inwerkingtreding.

