Crisis- en herstelwet en de milieueffectrapportage
Crisis- en herstelwet
Inhoud pagina: Crisis- en herstelwet en de milieueffectrapportage
In de Crisis- en herstelwet (Chw) wordt op twee punten ingegrepen in de regelgeving rond milieueffectrapportage. Het betreft:
- Vermindering verplichtingen m.e.r.-regelgeving voor besluiten behorende bij projecten die zijn genoemd in Bijlage II Chw én voor projecten van lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis (aangewezen op basis van artikel 2.18 Chw);
- Aanpassing van de rijkscoördinatieregeling Wro in het geval van coördinatie van een plan-merplichtig plan met een besluit-merplichtig besluit.
Vermindering verplichtingen m.e.r.-regelgeving (art. 1.11 Chw)
In artikel 1.11 Chw wordt de vermindering van de m.e.r.-verplichtingen geregeld:
Indien op grond van art. 7.2 Wm een milieu-effectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een besluit, is:
- Art. 7.23 van die wet voor zover dat regels stelt over alternatieven voor de voorgenomen activiteit, niet van toepassing;
- Art. 7.32, vijfde lid , van die wet niet van toepassing
Nb. Bovenstaande wettekst van art. 1.11 Chw wijkt af van de oorspronkelijke wettekst uit het staatsblad. Bij het in werking treden van de Chw is al geanticipeerd op de modernisering van de merregelgeving van 1 juli 2010 door middel van art. 5.6 Chw.
Met dit artikel vervalt in specifieke gevallen de plicht om alternatieven voor een voorgenomen activiteit te onderzoeken en de plicht om de commissie Mer in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over het milieueffectrapport.
Dit artikel is alleen van toepassing op besluiten (dus niet op plannen) die zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage II van de Chw bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten en op projecten die bij AMvB, op grond van art. 2.18 Chw, nog aan deze lijst kunnen worden toegevoegd (art 1.1, lid 2 Chw). Voor alle andere besluiten blijven de verplichtingen van art. 7.23 Wm en art. 7.32, vijfde lid Wm dus gelden.
Aanpassing van de rijkscoördinatieregeling Wro in relatie tot milieueffectrapportage
In art. 3.24, onder B, onder 1, sub f Chw wordt aan art. 3.35 Wro (Rijkscoördinatieregeling) een zevende lid toegevoegd. Met dit lid worden de m.e.r.-procedures ten behoeve van een plan-merplichtig plan en één of meer besluit-merplichtige besluiten die middels de rijkscoördinatieregeling gecoördineerd worden voorbereid, op elkaar afgestemd. Namelijk, de kennisgeving van het voornemen van het maken van het m.e.r.-plichtig plan (art. 7.9 Wm) en de kennisgeving van het maken van het m.e.r.-plichtige besluit (art. 7.25 Wm of art. 7.27 Wm) dienen gelijktijdig plaats te vinden en ook de raadpleging van adviseurs en bestuursorganen over reikwijdte en detailniveau van het te maken MER dienen gelijktijdig ten behoeve van het plan (art. 7.9 Wm) als ten behoeve van de te cöordineren besluiten (7.27, lid 3 Wm) plaats te vinden.
Bij het opstellen van de Chw is geanticipeerd op de voorziene modernisering van de m.e.r.-regelgeving(in werking getreden per 1 juli 2010). Via art. 3.24, onder B, onder 2Chw wordt art. 3.35, lid 7 Wro aangepast aan deze modernisering van de m.e.r.-regelgeving op het moment dat deze in werking treedt.
NB. Door inwerkingtreding van de Wabo was aanpassing van artikel 3.35 Wro weer noodzakelijk (dit is gebeurd via de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en via de Chw zelf (artikel 3.24a onder D Chw). Het hierboven genoemde art. 3.35, lid 7 Wro is hierbij vernummerd naar art. 3.35, lid 6 Wro. Er heeft geen inhoudelijke wijziging plaatsgevonden.

