Jurisprudentie

Home > Onderwerpen > Ruimte > Milieueffectrapportage > Archief > Jurisprudentie

Jurisprudentie

Milieueffectrapportage

Inhoud pagina: Jurisprudentie

Digitale praktijkbrochure:

Wegen (categorie C 1 t/mC 1.5 en D 1.1 en D 1.2)

  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden ABRvS, 200205655/1, 30 juli 2003 (Lutkemeerpolder): “Volgens de wetsgeschiedenis (Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. 1994, Stb. 1994, 540, blz. 46) geldt een eventuele m.e.r.-(beoordelings)plicht immers alleen voor de verandering of uitbreiding van de activiteit en niet voor het bestaande, ongewijzigd blijvende gedeelte.”
  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden Vz ABRvS, 200704891/1, 24 augustus 2007: uit de tekst van categorie C 14 volgt dat bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een MER eerst verplicht is als die uitbreiding boven de drempelwaarde zit (in dit geval meer dan 3.000 mestvarkens). Idem Vz ABRvS, 200708006/2, 20 december 2007. Zie ook ABRvS, 200708006/1, 26 maart 2008 (Zuiderzee BV): “Naar het oordeel van de Afdeling moet uit het bepaalde in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer, mede gelezen in samenhang met categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een milieueffectrapport eerst verplicht is indien die uitbreiding meer dan 3.000 mestvarkens omvat.”
  • Verbreden van een weg zonder fysieke aanpassingen van weglichaam is m.e.r.-plichtig ABRvS, 200401178/1, 5 september 2004. Het ging om categorie C 1.4 (de wijziging of uitbreiding van een hoofdweg). Het betrof een wegaanpassingsbesluit als bedoeld in de Spoedwet wegverbreding voor de aanpassing van rijksweg A2 op het traject 's-Hertogenbosch-Eindhoven. De vluchtstroken werden ingericht als spitsstroken: het aantal rijstroken wordt gedurende de spitsperiode uitgebreid van 2x2 naar 2x3. De vraag was of in dit geval sprake was van een verbreding van een weg met 1 of meer rijstroken, zoals bedoeld in het besluit m.e.r., hoewel er geen fysieke aanpassingen van het weglichaam in de zin van nieuwe geasfalteerde rijstroken waren beoogd. Uit de Nota van toelichting lijkt te volgen, aldus de Afdeling, dat in tegenstelling tot bij de fysieke aanleg van nieuwe geasfalteerde rijstroken, bij het verwezenlijken van extra rijstroken door het in gebruik nemen van de vluchtstrook als spitsstrook, geen m.e.r. hoeft te worden gemaakt. De Afdeling ziet echter niet onmiddellijk verschil voor mogelijke nadelige effecten voor het milieu tussen een met of zonder fysieke aanpassingen van het weglichaam tot stand gekomen verbreding met 1 of meer rijstroken van een wegvak, indien daarbij een zelfde capaciteitsuitbreiding wordt gerealiseerd. De Afdeling acht het niet uitgesloten dat, zelfs indien de aanpassingen zouden kunnen plaatsvinden zonder fysieke maatregelen, de beoogde capaciteitsuitbreiding en de daaruit mogelijk voortvloeiende verkeersaantrekkende werking aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In het licht van de bepalingen en de doelstelling van de Europese m.e.r.-richtlijn moet onder wijziging of uitbreiding van een hoofdweg ook de verbreding van een weg met een of meer rijstroken zonder fysieke aanpassingen van het weglichaam zoals nieuwe geasfalteerde rijstroken zijn begrepen. 
  • Een stedelijke ringweg valt onder de Europese richtlijn m.e.r. In een arrest van het Hof van Justitie, C 142/07, de Commissie versus Madrid, 25 juli 2008 kwam aan de orde een project ter vernieuwing en verbetering van nagenoeg een gehele ringweg van een stad. Het Hof toetst aan de de Europese m.e.r.-richtlijn. Het Hof concludeert dat een stedelijke weg onder de richtlijn valt - dat een stedelijke weg niet wordt genoemd in richtlijn, betekent niet dat hij erbuiten valt. Dit volgt ook niet uit de uitleg van het begrip autoweg in Overeenkomst waarnaar bijlage 1 onder 7 b verwijst; de Overeenkomst kan nuttig instrument zijn bij de uitleg van begrippen. Dit arrest is te vinden op http://curia.europa.eu.
  • Aanleg omvat ook vernieuwing en verbetering van een bestaande weg. Een arrest van het Hof van Justitie, C 142/07, de Commissie versus Madrid, 25 juli 2008, gaat hierop in. Het Hof overweegt dat hoewel ‘aanleg’ genoemd staat in bijlage I onder 7 b en c, dit niet betekent dat vernieuwing en verbetering van bestaande weg niet onder richtlijn valt. "Een project ter vernieuwing van een weg dat gelet op de omvang en modaliteiten ervan kan worden gelijkgesteld met de aanleg van een weg, kan immers worden geacht betrekking te hebben op de aanleg in de zin van die bijlage". Dit arrest is te vinden op http://curia.europa.eu.

Opwekken van elektriciteit (categorie C 5.1, C 22.1, C 22.2, D 5.1, D 22.1 t/m D 22.3 en D 31)

  • Verschillende inrichtingen, daarom geen m.e.r. nodig. Uitspraak ABRvS, 200604701/1 van 17 oktober 2007: Er is geen sprake van één inrichting van de onderhavige windturbines met een ander windmolenpark. Het andere windmolenpark heeft geen functionele, technische of organisatorische binding met onderhavige windturbines, zodat deze tezamen niet als één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop is een gemeenschappelijk MER dan ook niet vereist.
  • Verschillende inrichtingen, daarom geen m.e.r. nodig. ABRvS, 200705752/1: Het gaat over Wm-vergunning voor veehouderij. Volgens appellant vormt deze veehouderij één inrichting samen met twee andere veehouderijen. Appellant heeft verder aangevoerd dat bij de vraag of een MER moet worden opgsteld, rekening gehouden had moeten worden met de twee andere veehouderijen. De Afdeling oordeelt dat niet sprake is van één inrichting en dat de beroepsgrond voor MER om die reden faalt. 
  • Drempelwaarden Besluit m.e.r. bindend? Uitspraak van de ABRvS, 200704068/1, 26 maart 2008. Er is geen MER gemaakt voor motorcrossterrein dat per week maximaal 7 uur en 55 minuten per week, net onder de drempelwaarde. De VROM-inspecteur voert aan dat toch in dit geval een mer-beoordelingsplicht geldt vanwege de ligging van de inrichting binnen de Ecologische Hoofdstructuur (de EHS). In de enkele omstandigheid dat de inrichting is gelegen binnen de EHS, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het dit geval sprake is van zodanige omstandigheden dat bij het beantwoorden van de vraag of er een mer-beoordelingsplicht bestaat, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de mer-richtlijn, geen doorslaggevende betekenis zou toekomen aan het feit dat geen overschrijding plaatsvindt van de drempelwaarde die met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de mer-richtlijn in de bijlage van het Besluit mer is vastgesteld.
  • Drempelwaarden Besluit m.e.r. bindend? Uitspraak van de ABRvS, 12 september 2001, 200000065/1: Er is geen MER gemaakt voor een intensieve veehouderij die onder de toenmalige drempelwaarde bleef. Appellanten betogen dat de m.e.r.-richtlijn onjuist is geïmplementeerd in het Nederlands recht. Uit een arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 1996 (AB 1997, 133) leiden zij af dat niet op voorhand bepaalde projecten van een beoordelingsplicht tot het maken van een m.e.r. kunnen worden uitgesloten, indien niet door een algemene beoordeling vast is komen te staan dat de uitgesloten projecten geen aanzienlijk milieu-effect als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn hebben. Als een inrichting een dergelijk milieu-effect heeft, bestaat volgens appellanten een mer-beoordelingsplicht, ook indien het veebestand een kleinere omvang heeft dan 5.000 mestvarkeneenheden (de toenmalige drempelwaarde). Omdat de inrichting een aanzienlijk effedt heeft op een speciale beschermingszone van de Vogelrichtlijn had een MER moeten worden gemaakt. De Afdeling overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat de vergunde activiteiten significante gevolgen hebben voor de ornithologische waarden in de speciale beschermingszone. Gelet hierop heeft de Afdeling geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat in het onderhavige geval sprake is van zodanige omstandigheden dat bij het beantwoorden van de vraag of er een plicht bestaat tot beoordeling van de noodzaak van een milieu-effectrapport, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn, geen doorslaggevende betekenis zou toekomen aan het feit dat geen overschrijding plaatsvindt van de drempelwaarde die met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn in de bijlage van het Besluit is vastgesteld.
  • Drempelwaarden Besluit m.e.r. bindend? Uitspraak van de ABRvS, 200600722/1, 28 maart 2007, bestemmingsplan Landelijk gebied Noord-Beveland: hierin ging het om een windmolenpark van maximaal 14,9 megawatt. De Afdeling spreekt zich er niet over uit of reeds hierom geen m.e.r.-beoordeling is vereist: “Daargelaten de vraag of de in het wijzigingsplan opgenomen beperking van het vermogen tot maximaal 14,9 megawatt met zich brengt dat reeds hierom geen m.e.r.-beoordeling verricht behoefde te worden, is de Afdeling van oordeel dat in het onderhavige geval het besluit (een eerder besluit, red.) als een zodanige beoordeling kan worden aangemerkt.”
  • Drempelwaarden Besluit m.e.r. bindend? Hof van Justitie van de EG inzake de Commissie versus Ierland, C-392/96; AB 2000/33 m.nt. Backes; Milieu en Recht 2000/30 m.nt. Verschuuren en NTER 1999/11 m.nt. Soppe. Het bevoegd gezag mag zich niet slechts beperken tot het beoordelen van die projecten die binnen nationaal vastgestelde m.e.r.-beoordelingsdrempels vallen. Absolute drempelwaarden kunnen volgens de Commissie niet garanderen dat elk project dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben, aan een beoordeling wordt onderworpen, want zolang een project beneden de drempelwaarde blijft, is een beoordeling niet vereist, welke andere kenmerken dat project ook heeft. Daardoor kunnen sommige bijzonder gevoelige gebieden of waardevolle locaties worden aangetast. Het Hof oordeelde dat artikel 4, lid 2, tweede alinea van de EU richtlijn m.e.r. de lidstaten weliswaar een beoordelingsmarge laat om bepaalde aan een beoordeling te onderwerpen projecttypes te specificeren of criteria en / of drempelwaarden vast te stellen, maar die beoordelingsmarge wordt begrensd door de in artikel 2, lid 1 neergelegde verplichting, projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, aan een beoordeling van die effecten te onderwerpen. Dit arrest is te vinden op http://curia.europa.eu.

Buisleidingen (categorie C 8 en D 8.1 t/m D 8.3)

  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. ABRvS, 200205655/1, 30 juli 2003 (Lutkemeerpolder): “Volgens de wetsgeschiedenis (Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. 1994, Stb. 1994, 540, blz. 46) geldt een eventuele m.e.r.-(beoordelings)plicht immers alleen voor de verandering of uitbreiding van de activiteit en niet voor het bestaande, ongewijzigd blijvende gedeelte.”
  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. Vz ABRvS, 200704891/1, 24 augustus 2007: uit de tekst van categorie C 14 volgt dat bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een MER eerst verplicht is als die uitbreiding boven de drempelwaarde zit (in dit geval meer dan 3.000 mestvarkens). Idem Vz ABRvS, 200708006/2, 20 december 2007
  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. ABRvS, 200708006/1, 26 maart 2008 (Zuiderzee BV): “Naar het oordeel van de Afdeling moet uit het bepaalde in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer, mede gelezen in samenhang met categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een milieueffectrapport eerst verplicht is indien die uitbreiding meer dan 3.000 mestvarkens omvat.”

Recreatieve en toeristische voorzieningen (categorie C 10.1 en D 10.1)

  • Outlet Center valt niet onder categorie C 10.1 (recreatieve en toeristische voorzieningen). ABRvS, 200506157/1, 5 april 2006, Factory Outlet Center Roosendaal: Appelanten betogen dat op grond van punt 10.1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 voor het FOC een MER-plicht bestaat. Naar oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Besluit milieu-effectrapportage 1994 niet verplicht tot het opstellen van een MER voor het Factory Outlet Center. Anders dan appellanten betogen, kan het oprichten van een Factory Outlet Center niet worden aangemerkt als het aanleggen van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen zoals bedoeld in categorie 10.1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994
  • Recreatieve en toeristische voorzieningen omvatten ook jachthavens. ABRvS, E01.98.0089, 8 september 2000: ook al wijst bestemmingsplan de jachthaven aan als categorie 10.2, toch kan tevens categorie C10.1 (recreatieve voorziening) hierop van toepassing zijn. Omdat in dit geval het hele plangebied moet worden beschouwd als gevoelig gebied, ligt er meer dan 20 hectare in gevoelig gebied waarmee er een m.e.r.-plicht ontstaat. UItspraak is te vinden in M&R d.d. dec. 2000, nr 265K.
  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden ABRvS, 200205655/1, 30 juli 2003 (Lutkemeerpolder): “Volgens de wetsgeschiedenis (Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. 1994, Stb. 1994, 540, blz. 46) geldt een eventuele m.e.r.-(beoordelings)plicht immers alleen voor de verandering of uitbreiding van de activiteit en niet voor het bestaande, ongewijzigd blijvende gedeelte.” Zie ook Vz ABRvS, 200704891/1, 24 augustus 2007: uit de tekst van categorie C 14 volgt dat bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een MER eerst verplicht is als die uitbreiding boven de drempelwaarde zit (in dit geval meer dan 3.000 mestvarkens). Idem Vz ABRvS, 200708006/2, 20 december 2007. Zie ook ABRvS, 200708006/1, 26 maart 2008 (Zuiderzee BV): “Naar het oordeel van de Afdeling moet uit het bepaalde in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer, mede gelezen in samenhang met categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een milieueffectrapport eerst verplicht is indien die uitbreiding meer dan 3.000 mestvarkens omvat.”
  • Bezoekers van bestaande voorzieningen tellen niet mee. VzABRvS, 7 maart 2002, 200105130/2. De Voorzitter constateert dat hij er niet van is overtuigd dat het aantal te verwachten bezoekers vanwege de nieuw op te richten faciliteiten en voorzieningen onder de drempelwaarde van 250.000 bezoekers per jaar blijft. Daarbij worden alle bezoekers van de voorzieningen gezamenlijk bij elkaar opgeteld. Dat is exclusief de 60.000 bezoekers die de bestaande faciliteiten en voorzieningen in het plangebied reeds trekken (bosbad, midgetgolf en dergelijke). Zie ook ABRvS, 24 december 2008, 200708283/1. Het gaat om een plangebied met een bestaande schouwburg en de bouw van twee woontorens, van een bioscoop, van een grand café en van expositie- en culturele ruimten. De Afdeling bepaalt dat de bestaande schouwburg die nauwelijks wordt gewijzigd (alleen opheffen van 25 parkeerplaatsen) niet meetelt voor de drempelwaarde.
  • Extensief en ondergeschikt recreatief gebruik valt niet onder C 10.1 en D 10.1 ABRvS, 200701992/1, 21 mei 2008.  De vraag is of recreatie- en natuurgebied De Schammer moet worden beschouwd als recreatieve of toeristische voorziening van C 10.1. De Afdeling oordeelt van niet. Gelet op het ondergeschikte en extensieve karakter van het recreatieve gebruik is geen sprake van C 10.1.
  • Recreatieve en toeristische voorzieningen omvatten (naast jachthavens) ook bioscopen en sporthallen. Bioscoop: ABRvS, 1999902627/1, 30 maart 2001, Jurisprudentie Milieurecht 6/78: een bioscoop wordt in dit geval bestempeld als een  recreatieve of toeristische voorziening in de zin van het Besluit m.e.r.. Wanneer een dergelijke voorziening door de Afdeling als een recreatieve voorziening wordt bestempeld, is het voorstelbaar dat andere voorzieningen, die eveneens niet voorkomen in de in de hierboven plaatste lijst van voorzieningen, ook onder het bereik van het begrip recreatieve en toeristische voorziening kunnen vallen. Sporthallen: VzABRvS, 200105130/2, 7 maart 2002: Er is sprake van de aanleg van een aantal nieuwe sport- en recreatiefaciliteiten. Dit valt onder het begrip recreatieve en toeristische voorzieningen.
  • Samenhangende voorzieningen bij elkaar optellen. Voorzitter van de Afdeling van 7 maart 2002 (200105130/2, Jurisprudentie Milieurecht, 2002//60). De Voorzitter constateert dat hij er niet van is overtuigd dat het aantal te verwachten bezoekers vanwege de nieuw op te richten faciliteiten en voorzieningen onder de drempelwaarde van 250.000 bezoekers per jaar blijft. Daarbij worden alle bezoekers van de voorzieningen gezamenlijk bij elkaar opgeteld. Zie ook ABRvS, 24 december 2008, 200708283/1. Het gaat om een plangebied met een bestaande schouwburg en de bouw van twee woontorens, van een bioscoop, van een grand café en van expositie- en culturele ruimten. In dit geval is sprake van samenhang van verschillende voorzieningen (expositie- en culturele ruimten, bioscoop en andere). Daarom moet voor de bezoekersaantallen worden gekeken naar het geheel.
  • Uitgaan van maximale hoeveelheid bezoekers die in redelijkheid mogelijk zijn.VzABRvS, 199902627/2, 31 maart 2000: het betrof hier de bouw van een bioscoop. De Voorzitter oordeelde dat bij de beoordeling van de m.e.r.-plicht uitgegaan moet worden van hetgeen het plan mogelijk maakt. Het aantal voorstellingen is daarin niet genormeerd. Vier voorstellingen per dag behoren tot de planmogelijkheden. Uitgaande van het maximaal aantal stoelen van vier voorstellingen per dag en van een bezettingspercentage van 19 wordt het aantal bezoekers uitgerekend. Deze uitspraak is bevestigd in de bodemprocedure van 30 maart 2001. Zie ook ABRvS, 24 december 2008, 200708283/1. Het gaat om een plangebied met een bestaande schouwburg en de bouw van twee woontorens, van een bioscoop, van een grand café en van expositie- en culturele ruimten. De Afdeling gaat uitgebreid in op de berekening van de bezoekersaantallen. Zie ook VzABRvS, 7 maart 2002, 200105130/2. Wat de bezoekersaantallen betreft, moet worden uitgegaan van de maximale opvatting. Deze houdt in dat gemaximaliseerd moet worden op basis van ervaringscijfers. Aan de hand daarvan moet bezien worden of de drempelwaarden overschreden worden of niet.
  • Bevoegd gezag moet zelf onderzoek doen. ABRvS, 7 mei 2003, 200203500/1 Het bestemmingsplan in kwestie heeft als doel de toeristische en recreatieve ontwikkeling, met daarbij de realisatie van nieuwe vestigingen, mogelijk te maken, onder andere een discotheek. Wat betreft de bezoekersaantallen voor deze grootschalige discotheek heeft de de gemeenteraad  zich gebaseerd op de aantallen uit het ondernemingsplan van de initiatiefnemer. De gemeenteraad en de verweerder hebben geen nader onderzoek naar dit aantal gedaan. Gelet op de maximale bouwhoogte van de discotheek, kan naar het oordeel van de Afdeling geenszins worden uitgesloten dat het aantal bezoekers het aantal overschrijdt waarbij een m.e.r.-beoordelingsplicht of wellicht zelfs een m.e.r.-plicht geldt. 

Buisleidingen (categorie C 8 en D 8.1 t/m D 8.3)

  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. ABRvS, 200205655/1, 30 juli 2003 (Lutkemeerpolder): “Volgens de wetsgeschiedenis (Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. 1994, Stb. 1994, 540, blz. 46) geldt een eventuele m.e.r.-(beoordelings)plicht immers alleen voor de verandering of uitbreiding van de activiteit en niet voor het bestaande, ongewijzigd blijvende gedeelte.”
  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. Vz ABRvS, 200704891/1, 24 augustus 2007: uit de tekst van categorie C 14 volgt dat bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een MER eerst verplicht is als die uitbreiding boven de drempelwaarde zit (in dit geval meer dan 3.000 mestvarkens). Idem Vz ABRvS, 200708006/2, 20 december 2007
  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. ABRvS, 200708006/1, 26 maart 2008 (Zuiderzee BV): “Naar het oordeel van de Afdeling moet uit het bepaalde in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer, mede gelezen in samenhang met categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een milieueffectrapport eerst verplicht is indien die uitbreiding meer dan 3.000 mestvarkens omvat.”

Woningen en bedrijven (categorie C 11 en D 11)

  • Bestemmingsplan dat plan- en besluit-m.e.r.-plichtig is: besluit-MER volstaat. Uitspraak Bestemmingsplan Bangert en Oostpolder (ABRvS, 200608226/1 van 28 mei 2008). Het plan bevatte plandelen met een eindbestemming (kolom 4 van C 11.1) en plandelen met een uit te werken bestemming (kolom 3 van C 11.1). De vraag was of een plan-m.e.r. en/of een besluit-m.e.r. moest worden uitgevoerd. De Afdeling bepaalde dat in dit geval alleen een besluit-MER nodig was. Een plan-MER hoefde niet te worden opgesteld.
  • De  uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. ABRvS, 200205655/1, 30 juli 2003 (Lutkemeerpolder): “Volgens de wetsgeschiedenis (Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. 1994, Stb. 1994, 540, blz. 46) geldt een eventuele m.e.r.-(beoordelings)plicht immers alleen voor de verandering of uitbreiding van de activiteit en niet voor het bestaande, ongewijzigd blijvende gedeelte.”
  • De  uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. Vz ABRvS, 200704891/1, 24 augustus 2007: uit de tekst van categorie C 14 volgt dat bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een MER eerst verplicht is als die uitbreiding boven de drempelwaarde zit (in dit geval meer dan 3.000 mestvarkens). Idem Vz ABRvS, 200708006/2, 20 december 2007.
  • De  uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. ABRvS, 200708006/1, 26 maart 2008 (Zuiderzee BV): “Naar het oordeel van de Afdeling moet uit het bepaalde in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer, mede gelezen in samenhang met categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een milieueffectrapport eerst verplicht is indien die uitbreiding meer dan 3.000 mestvarkens omvat.”
  • Gerealiseerde voorzieningen en activiteiten tellen soms wel mee voor het bepalen van de drempelwaarde, bijvoorbeeld als de bestemming heel globaal is aangegeven, zodat ingrijpende wijzigingen mogelijk zijn waardoor de drempelwaarde wordt overschreden ABRvS, 200100774/1 , 6 maart 2002, Stadsbroek: Het plangebied heeft grotendeels de bestemming ‘sport en uitgaanscentrum’. Het is de bedoeling dat ruimte wordt geboden aan particuliere initiatieven voor de ontwikkeling van een complex voor onder andere sport- en recreatievoorzieningen. De bestemming ‘sport- en uitgangscentrum’ is zeer globaal aangegeven om ruimte te kunnen geven aan de particuliere initiatieven. Er bestaan concrete plannen voor wijziging en uitbreiding van een reeds aanwezig sport- en recreatiecomplex. Van de zijde van de gemeenteraad is gesteld dat de bestaande voorzieningen voor de beoordeling van de m.e.r.-plicht buiten beschouwing moeten blijven. De Afdeling overweegt als volgt. Volgens de Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. geldt een eventuele m.e.r.-plicht alleen voor een verandering of uitbreiding van de activiteit en niet voor het bestaande, ongewijzigd blijvende gedeelte. Nu in het plan niet is voorzien in de vastlegging van bestaande voorzieningen kan er niet vanuit worden gegaan dat het bestaande gedeelte ongewijzigd blijft. Voorzover derhalve in het plangebied recreatieve of toeristische voorzieningen aanwezig zijn moet voor de beoordeling van de m.e.r.-plicht, nu het plan, gelet op de gelegde globale bestemming, toelaat dat deze voorzieningen ingrijpend kunnen worden gewijzigd, worden uitgegaan van een verandering van de activiteit. Het aantal te verwachten bezoekers is volgens gegevens van de exploitant niet meer dan 485.000 per jaar, maar kan – nu het bestemmingsplan heel globaal is- zeer wel ook boven de 500.000 bedragen. Gelet hierop dient er rekening te worden gehouden met de bestaande voorzieningen. Met andere woorden: deze bestaande voorzieningen tellen in dit geval mee voor de drempelwaarde.
  • Gerealiseerde voorzieningen en activiteiten tellen soms wel mee voor het bepalen van de drempelwaarde, bijvoorbeeld als de bestemming heel globaal is aangegeven, zodat ingrijpende wijzigingen mogelijk zijn waardoor de drempelwaarde wordt overschreden Ingeval van opeenvolgende plannen of besluiten: ABRvS, 9 juni 2004, 200303896/1, 200303867/1 en 200303898/ 1, Teteringen: het ging om de aanleg van een woningbouwproject, waarbij verschillende bestemmingsplannen waren betrokken. De Afdeling gaat in op de vraag welk plan het ruimtelijke plan is dat als eerste in de mogelijke bouw voorziet en derhalve het m.e.r.-plichtige besluit is. Naar het oordeel van de Afdeling is de geografische samenhang van de plannen doorslaggevend. De verplichting tot het opstellen van een MER is derhalve niet zozeer verbonden aan één bepaald plan dat op zeker moment in de tijd tot stand is gekomen, als wel aan het samenhangende geheel van plannen dat als één plan dient te worden aangemerkt. In dit geval is ten onrechte nagelaten dit MER op te stellen voorafgaande aan het besluit tot verlening van vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor de bouw van 279 woningen. Daarom dient dit MER alsnog mede betrekking te hebben op het gebied waar op grond van de vrijstelling deze 279 woningen reeds zijn gerealiseerd, aangezien ook dit gebied deel uitmaakt van de geografisch samenhangende plannen.  
  • Uitleg aaneengesloten gebied Uitspraak ABRvS, 200303896/1, 200303897/1 en 200303898/1, 9 juni 2004, Teteringen. Het gaat om drie bestemmingsplannen die de aanleg van drie nieuwe woonwijken van in totaal ongeveer 2.000 woningen mogelijk maken. Het feit dat de plangebieden niet aan elkaar grenzen, brengt niet zonder meer met zich dat geen sprake is van een aaneengesloten gebied. Verwijzend naar de Nota van Toelichting kan naar het oordeel van de Afdeling onder omstandigheden ook voldaan zijn aan een aaneengesloten gebied als plangebieden die deel uitmaken van één woningbouwproject niet direct aaneensluiten maar een zodanige geografische samenhang vormen dat de milieueffecten van dit project worden gebundeld en elkaar versterken.    
  • Uitleg aaneengesloten gebied Uitspraak ABRvS, 200202033/1, 1 oktober 2003, Laag Koningshoef. In geschil is een bestemmingsplan voor de bouw van 270 woningen. Het bestemmingsplan staat echter niet op zichzelf maar maakt deel uit van de vernieuwing van de gehele Bijlmermeer. De Afdeling beschouwt de vernieuwing van de Bijlmermeer als één samenhangende activiteit. Daarbij verwijst ze naar de zinsnede “in een aaneengesloten gebied” in de Nota van Toelichting.

Dijken (categorie C 12.1, C 12.2, D 12.1 en D 12.2)

  • ABRvS, 200304262/1, 18 februari 2004. Het ging hier om de verbetering van de steenbekleding van een dijkvak. In aanmerking kwamen categorie C 12.2 en D 12.1. De Afdeling concludeerde dat in dit geval het plan betrekking had op een deltadijkvak dat kleiner is dan 5 kilometer. Voorts deed zich geen wijziging van het dwarsprofiel van de dijk van 250 vierkante meter of meer voor. Er bestond daarom geen m.e.r.-plicht, maar wel een m.e.r.-beoordelingsplicht en wel voor het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten op grond van artikel  7b lid 2 van de Wet op de Waterkering.


Intensieve veehouderijen (categorie C 14 en D 14)

  • Lezing tekst C 14 In Vz ABRvS, 200708006/2 van 20 december 2007, Flevoland, gaat het om de lezing van categorie C 14. Lezing in die zin dat ook uitbreidingen die niet de drempelwaarde overschrijden, is niet bedoeld – dit betekent namelijk dat voor een inrichting met meer dan 3.000 mestvarkens iedere uitbreiding leidt tot de plicht om een MER op te stellen. Daarmee zou voor een inrichting met deze omvang de m.e.r.-beoordelingsplicht bij een voorgenomen uitbreiding met 2.200 of meer mestvarkens van categorie D 14, illusoir worden. De voorzitter acht het niet aannemelijk dat de wetgever dit heeft beoogd. Dit is bevestigd door de Afdeling in 200708006/1.
  • Bij een uitbreiding van een inrichting moet de uitbreiding zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden.
    In Vz ABRvS, 200704891/1 van 24 augustus 2007, Flevoland, oordeelt de voorzitter dat bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een milieueffectrapport eerst verplicht is indien die uitbreiding meer dan 3.000 mestvarkens omvat. In dit geval had de aanvraag betrekking op het houden van 11.520 mestvarkens en waren er  9.768  mestvarkens vergund, zodat het aantal mestvarkens toenam met 1.752. De drempelwaarde werd niet gehaald. 
  • Als de bestaande stal vervangen wordt door een nieuwe stal, tellen de dieren mee voor de drempelwaarde.
    In de uitspraak Westvoorne (ABRvS, 200106148/1 van 4 september 2002) was een veranderingsvergunning voor bijna 1.400 vleesvarkens tot op heden niet gebruikt. Feitelijk werden er 650 vleesvarkens gehouden. Er zijn bijna 3.200 varkens aangevraagd, die zullen worden gehouden in één nieuwe stal die de bestaande stal(len) zal vervangen. Omdat het aantal dieren in de nieuwe stal de drempelwaarde overschrijdt, is er sprake van een m.e.r.-plicht. Daaraan doet niet af dat de uitbreiding van het aantal vleesvarkens ten opzichte van de onderliggende vergunning onder de drempelwaarde ligt. Bepalend is het aantal te houden vleesvarkens in de nieuwe stal.
  • Als de stal eerder was vergund, maar nog niet feitelijk is opgericht en waarvoor eerder geen MER is gemaakt, tellen de dieren mee voor de drempelwaarde.
    ABRvS, 200101842/2, 18 september 2002, Aalten. Hier ging het om een revisievergunning voor onder meer een nieuwe stal voor 4.500 vleesvarkens. Deze stal was al wel eerder vergund en de vergunning was ook al onherroepelijk geworden, maar niet opgericht op het moment van het verlenen van de revisievergunning; destijds was bovendien geen MER opgesteld. In de nieuw te bouwen stal zullen 4.500 mestvarkens worden gehuisvest. Dit  moet volgens de Afdeling worden aangemerkt als m.e.r.- plichtig. In deze case bevestigt de ABRvS de zogenoemde Ruigoord-jurisprudentie (zie de Katern Jurisprudentie milieueffectrapportage (ed. 2002) M41, pagina 30 e.v.). Zie voor soortgelijke uitspraak ABRvS, 200201416/1, 2 oktober 2002, Bladel en ABRvS, 200106390/1, Groesbeek, van 20 november 2002.
  • De dieren in de bestaande stal tellen niet mee, als het huisvestingssysteem van de bestaande stal niet genoeg wijzigt. Zie de uitspraak 200705212/1, 28 mei 2008, Rucphen. Bij een veehouderij komt een nieuwe stal. Voor de installatie van het koelsysteem worden in de bestaande stallen horizontale bodemwisselaars aangelegd. Ter zitting is gebleken dat van de bestaande stallen uitsluitend het centrale afzuigsysteem wordt aangepast, om deze te kunnen aansluiten op de chemische luchtwasser. Alleen als de dieraantallen in bestaande stallen meetellen bij het bepalen van de drempelwaarde van 2.200 mestvarkens van D 14, is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. De Afdeling concludeert dat de aanpassing van de bestaande stallen niet zodanig is dat nieuwe installaties als bedoeld in onderdeel A onder 2 van de bijlage bij het Besluit worden opgericht (dus geen uitbreiding). De Afdeling kijkt overigens niet of sprake is van een wijziging in de zin van het Besluit m.e.r..
  • Bepalend is niet of het totale aantal dieren waarmee wordt uitgebreid, boven de drempelwaarde zit. Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 9 oktober 2000, Reusel-De Mierden, 2000004001/1. Het maakt niet uit dat het totale aantal dieren waarmee wordt uitgebreid, onder de drempelwaarde blijft. De nieuwe stal zit met de capaciteit van 470 dierplaatsen voor zeugen boven de drempelwaarde, dus is sprake van een m.e.r.-plicht. 
  • Het aantal dieren en niet het aantal dierplaatsen is bepalend. Zie ABRvS, 200302659/1 van 25 juni 2003 en ABRvS, 200404617/1 van 11 mei 2005. Uit ABRvS, 200501056/1 van 23 november 2005 blijkt dat ook indien de aangevraagde stallen zo groot zijn dat er meer dieren kunnen worden gehouden, dit geen reden is om uit te gaan van het aantal dierplaatsen.
  • Opfokzeugen vallen volgens de Afdeling niet zonder meer onder mestvarkens, maar kunnen ook (deels) onder zeugen worden ingedeeld. Voor deze beoordeling is in ieder geval de manier van huisvesting van belang, maar ook is relevant met welk doel de opfokzeugen gehouden worden. Zie ABRvS, 200204871/1 van 9 april 2003, Echt-Susteren en ABRvS, 200302659/2 van 25 juni 2003, Boxmeer.

Afvalstoffen (categorie C 18.1 t/m C 18.6 en D 18.1 t/m D 18.6)

  • Geen m.e.r. nodig als verleende afvalstoffenvergunning is verlopen en nieuwe oprichtingsvergunning wordt afgegeven voor dezelfde inrichting. ABRvS, 200704844/1, 2 juli 2008. Er is een oprichtingsvergunning voor afvalinrichting afgegeven, omdat de eerdere vergunning is vervallen. De Afdeling oordeelt dat er geen sprake is van oprichting in de zin van het Besluit m.e.r., omdat er voor de inrichting milieuvergunningen zijn verleend en in werking geweest, de inrichting reeds lange tijd feitelijk is opgericht en in werking gebracht en er nu geen vergunning is verleend voor het feitelijk oprichten van een nieuwe installatie. In dit geval was er ook geen sprake van uitbreiding, omdat ten opzichte van de revisievergunning met de bijbehorende aanvraag en het MER, geen sprake is van uitbreiding van de technische capaciteit.
  • Geen m.e.r. nodig als verleende afvalstoffenvergunning is verlopen en nieuwe oprichtingsvergunning wordt afgegeven voor dezelfde inrichting. ABRvS, 200602517/1, 5 april 2006: Er is een oprichtingsvergunning voor een afvalverwerkingsbedrijf verleend. Appellante betoogt dat ten onrechte geen MER is opgesteld. Nu de aanvraag om vergunning betrekking heeft op voortzetting van een bestaande inrichting, waarvoor reeds eerder een onherroeplijke milieuvergunning is verleend, en de inrichting niet wordt uitgebreid met nieuwe activiteiten en installaties (de inrichting wordt wel afgeslankt), oordeelt de Afdeling dat er geen sprake is van het oprichten van een inrichting als bedoeld in categorie 18.2 van onderdeel C van Besluit m.e.r. De omstandigheid dat de eerder verleende vergunningen zijn verlopen, verandert dit niet.
  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. ABRvS, 200205655/1, 30 juli 2003 (Lutkemeerpolder): “Volgens de wetsgeschiedenis (Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. 1994, Stb. 1994, 540, blz. 46) geldt een eventuele m.e.r.-(beoordelings)plicht immers alleen voor de verandering of uitbreiding van de activiteit en niet voor het bestaande, ongewijzigd blijvende gedeelte.”
  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. Vz ABRvS, 200704891/1, 24 augustus 2007: uit de tekst van categorie C 14 volgt dat bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een MER eerst verplicht is als die uitbreiding boven de drempelwaarde zit (in dit geval meer dan 3.000 mestvarkens). Idem Vz ABRvS, 200708006/2, 20 december 2007.
  • De uitbreiding/wijziging moet zelf de drempelwaarde overschrijden om als m.e.r.(beoordelings)-plichtig aangemerkt te kunnen worden. ABRvS, 200708006/1, 26 maart 2008 (Zuiderzee BV): “Naar het oordeel van de Afdeling moet uit het bepaalde in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer, mede gelezen in samenhang met categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een milieueffectrapport eerst verplicht is indien die uitbreiding meer dan 3.000 mestvarkens omvat.”

Herziene handleiding milieueffectrapportage:

Coördinatie bij samenvallen van plan-m.e.r.- en besluit-m.e.r-plicht

  • Bestemmingsplan dat plan- én besluit-m.e.r.-plichtig is: besluit-MER volstaat.
    Uitspraak Bestemmingsplan Bangert en Oostpolder (ABRvS, 200608226/1 van 28 mei 2008). Het plan bevatte plandelen met een eindbestemming (kolom 4 van C 11.1) en plandelen met een uit te werken bestemming (kolom 3 van C 11.1). De vraag was of een plan-m.e.r. en/of een besluit-m.e.r. moest worden uitgevoerd. De Afdeling bepaalde dat in dit geval alleen een besluit-MER nodig was. Een plan-MER hoefde niet te worden opgesteld

Oppervlakte

Met het begrip oppervlakte wordt het bruto-oppervlakte bedoeld. Bruto-oppervlakte is oppervlakte van de activiteit inclusief:

  • (geluid)zonering
    Uit de uitspraak Rijderbos (ABRvS, E01.95.0257, 13 oktober 1999,  AB 1999/ 71) blijkt dat men moet uitgaan van de bruto oppervlakte, inclusief eventuele zonering. In dit geval ging het om de geluidszonering op grond van de Wet geluidhinder die meetelde voor het bepalen van het oppervlak.
  • parkeervoorzieningen
    Uit de uitspraak Wijnhavenkwartier (ABRvS, 200407071/1, 20 juli 2005) blijkt dat parkeervoorzieningen meetellen. Zie ook de uitspraak Bestemmingsplan de Eenhoorn (ABRvS, 200508475/1, 27 september 2006).
  • wegen en groenstroken
    In de uitspraak Linderveld (ABRvS, 200502510/1, 22 maart 2006) bleek dat niet mag worden uitgegaan van de netto uitgeefbare gronden, maar moet worden uitgegaan worden van het bruto-oppervlak. Zo moeten de tussen de bedrijfsgebouwen aan te leggen wegen en groenstroken worden meegerekend.
  • bestaande gebouwen
    Uitspraak Wijnhavenkwartier (ABRvS, 200407071/1, 20 juli 2005): als bestaande gebouwen worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw, wordt het oppervlak van de gesloopte gebouwen meegeteld voor het aantal m2. Echter, uit Laag Koningshoef (ABRvS, 200202033/1, 1 oktober 2003) blijkt dat als het een op renovatie gericht woningbouwproject is, de bestaande woningen niet worden meegeteld. 

Verschillende inrichtingen, daarom geen m.e.r. nodig

  • Uitspraak ABRvS, 200604701/1 van 17 oktober 2007: Er is geen sprake van één inrichting van de onderhavige windturbines met een ander windmolenpark. Het andere windmolenpark heeft geen functionele, technische of organisatorische binding hebben met onderhavige windturbines, zodat deze tezamen niet als één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop is een gemeenschappelijk MER dan ook niet vereist.
  •  ABRvS, 200705752/1: Het gaat over Wm-vergunning voor veehouderij. Volgens appellant vormt deze veehouderij één inrichting samen met twee andere veehouderijen. Appellant heeft verder aangevoerd dat bij de vraag of een MER moet worden opgesteld, rekening gehouden had moeten worden met de twee andere veehouderijen. De Afdeling oordeelt dat niet sprake is van één inrichting en dat de beroepsgrond voor MER om die reden faalt. 

 

 

[Archief] let op: deze tekst is niet aangepast aan actuele regelgeving.
 

Kenniscentrum InfoMil