1.3.1 Geluid gereguleerd in de Wet geluidhinder
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 1.3.1 Geluid gereguleerd in de Wet geluidhinder
Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering.
Hierna wordt ingegaan op verschillende aspecten van de Wgh, zoals geluidgevoelige bestemmingen, de verschillende geluidbronnen en cumulatie.
- Geluidgevoelige bestemmingen
- Grenswaarden
- Wegverkeerlawaai
- Spoorweglawaai
- Industrielawaai
- Hogere waarde procedure
- Interimwet Stad en milieu
- Cumulatie
Op basis van de Wgh wordt een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd. In de eerste plaats zijn dat woningen en in het verlengde daarvan woonwagenstandplaatsen. Daarnaast wordt er bescherming geboden aan onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen en bepaalde geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen en verpleeghuizen).
Voor de geluidsgevoelige bestemmingen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminolgie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De Wgh kent bandbreedtes waarbinnen het bevoegd gezag moet blijven. Er geldt een voorkeurswaarde (lager mag niet) en een bovengrens (hoger mag niet). De getalsmatige invulling van deze grenswaarden is voor elk type geluidsbron verschillend en is onder andere afhankelijk van de geluidsgevoelige bestemming. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige bestemmingen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de geplande gebouwen.
De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden in een geluidszone zijn gelegen.
Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” doorlopen worden.
Een zogenaamde "dove" gevel van een geluidsgevoelige bestemming hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Een "dove gevel" is een bouwkundige constructie:
- waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;
- waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.
In hoofdstuk VI “Zones langs wegen” van de Wgh en in hoofdstuk 3 van het Besluit Geluidhinder is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. De breedte van de zone langs een weg is afhankelijk van de ligging van de weg (in stedelijk – of buitenstedelijk gebied) en van het aantal rijstroken. De breedte van een zone is maximaal 600 meter (buitenstedelijk, vijf of meer rijstroken).
Voor wegen die gelegen zijn binnen een woonerf en voor 30 km-wegen gelden geen zones. Deze vrijstelling wordt gemotiveerd door het feit dat deze wegen meestal geen geluidsbelastingen veroorzaken boven de voorkeurswaarde. In die gevallen waar dat wel het geval is (klinkerweg, relatief veel verkeer), is in de jurisprudentie bepaald dat een akoestische toetsing bij het opstellen van een ruimtelijke plan toch nodig is met een verwijzing naar een goede ruimtelijke ontwikkeling.
De hoogte van de voorkeursgrenswaarde en de maximale hogere waarde is onder andere afhankelijk van:
- het soort geluidsgevoelige bestemming
- ligging in binnen- of buitenstedelijk gebied
- Nieuwbouw of bestaande bouw.
In hoofdstuk VII “Zones langs spoorwegen” van de Wgh en in hoofdstuk 4 van het Besluit Geluidhinder is de zonering van spoorwegen (en ook van tram en metro) en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. In de Regeling Zonekaart spoorwegen is per spoortraject de zonebreedte vastgesteld. Deze zonebreedte varieert van 100 tot maximaal 1300 meter.
De grootte van de bandbreedte om hogere waarde vast te stellen is onder andere afhankelijk van het soort geluidsgevoelige object en of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw.
De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V “Zones rond industrieterreinen” van de Wgh en hoofdstuk 2 van het Besluit Geluidhinder. In tegenstelling tot wegverkeerslawaai en spoorweglawaai is de grootte van de zone niet vastgelegd in de Wgh of een daaraan gekoppeld besluit. Een zone wordt in een bestemmingsplan gelegd rond een industrieterrein waar volgens dat bestemmingsplan de vestiging van “grote lawaaimakers” mogelijk is. In artikel 2.1, lid 3 van het Besluit omgevingsrecht is vastgelegd welke typen inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein gevestigd moeten zijn.
De grootte van de zone is afhankelijk van de benodigde of gewenste geluidsruimte van het gezoneerde industrieterrein. In het bestemmingsplan moet de zone (die niet kleiner mag zijn dan de 50 dB(A)-contour) worden vastgelegd.
Binnen de zone rond industrieterreinen kunnen echter wel geluidsgevoelige bestemmingen liggen. De hoogte van de maximaal toelaatbare geluidsbelasting op deze bestemmingen is onder andere afhankelijk van de aard van de geluidsgevoelige bestemming en of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw.
Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een vergunningplichtige inrichting wordt de aangevraagde geluidsbelasting van de desbetreffende inrichting en de al bestaande geluidsbelasting van de andere bedrijven, getoetst aan de zone (in het bestemmingsplan vastgesteld) en aan eventueel vastgestelde hogere waarden bij woningen. Dit is afwijkend van de grenswaarden bij (spoor)weglawaai, waar immers geen vergunningensysteem bestaat. Deze grenswaarden zijn alleen in het kader van de ruimtelijke ordening van belang.
De meeste bedrijven zijn echter niet op een gezoneerd industrieterrein gelegen. Voor alle gebieden die buiten de gezoneerde industrieterreinen en de bijbehorende zones liggen, geldt het wettelijk kader van de Wgh voor regulering van industrieterrein niet!
Toch kan het industrielawaai van deze bedrijven wel invloed hebben op een goede ruimtelijke ordening en moet deze geluidsbelasting in principe bij het opstellen van een bestemmingsplan worden beschouwd.
De Wgh biedt de mogelijkheid om af te wijken van de voorkeursgrenswaarden tot een maximale waarde. In het geval dat het om een lokale geluidsbron gaat, wordt het besluit om hogere waarden toe te staan door het college van Burgemeester en Wethouders genomen. Voor de aanleg en verandering van provinciale bronnen (bijvoorbeeld een provinciale weg) ligt de bevoegdheid bij Gedeputeerde Staten van de provincie (dit geldt niet voor woningbouw!). Gemeenten of provincies kunnen een dergelijk besluit op verzoek nemen, maar zullen dit vaak op eigen initiatief doen. Een vaststelling van hogere waarden mag alleen als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn, of als ze stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële bezwaren hebben. Burgemeester en Wethouders moeten hun besluit zelf motiveren. Hiervoor is een eigen hogere waardebeleid een goed hulpmiddel. Veel gemeenten hebben dat, al dan niet in regionaal verband, al in gang gezet.
Op de voorbereiding van een ‘hogere-waardenbesluit’ is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. Wordt de hogere waarde vastgesteld ten behoeve van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, dan moet het ontwerp van het besluit tegelijkertijd met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage worden gelegd.
De vaststelling van een bestemmingsplan mag niet in strijd zijn met het ‘hogere-waardenbesluit’. Wil de gemeenteraad toch een bestemmingsplan vaststellen in afwijking van het ontwerpbestemmingsplan, en het is daardoor in strijd met het ‘hogere-waardenbesluit’, dan moet de raad haar besluit aanhouden tot een nieuw hogere-waardenbesluit is genomen.
In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente toch een hogere geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen toestaan dan op basis van de Wgh mogelijk is. Dit kan op basis van de Interimwet Stad en milieu. Op basis van deze wet krijgen gemeenten de mogelijkheid af te wijken van wettelijke normen voor bodem, geluid, lucht, stank en ammoniak. Zij kunnen alleen een afwijkingsbesluit nemen als dit leidt tot zuinig en doelmatig ruimtegebruik en een optimale leefomgevingskwaliteit. Door de stad- en milieubenadering kunnen bepaalde gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toch plaatsvinden.
Hogere waarden voor geluid die op basis van deze wet worden vastgesteld, moeten in latere Wgh-procedures gerespecteerd worden.
Het komt voor dat een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming zich in twee of meer geluidszones van aparte geluidsbronnen bevindt. In een dergelijke situatie is een onderzoek naar de gecumuleerde geluidsbelasting noodzakelijk. Wordt een hogere-waardenprocedure gevolgd, dan moet het bevoegd gezag motiveren dat de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar is.

