1.5.2 Het realiseren van bestemmingen die een bron zijn voor geluidhinder
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 1.5.2 Het realiseren van bestemmingen die een bron zijn voor geluidhinder
Bestemmingen die als geluidsbron of hinderbron kunnen functioneren, kunnen onderverdeeld worden in
- geluidsbronnen in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh)
- geluidsbronnen in meer algemeen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening
De Wgh is van toepassing bij de aanleg/wijziging van wegen (geen 30 km wegen of woonerven), spoorwegen en gezoneerde bedrijventerreinen.
In de Wro wordt geen lijst van geluidsbronnen gegeven, het leidmotief is "een goede ruimtelijke ordening". Naast de geluidsbronnen uit de Wgh zullen onder de Wro meer bestemmingen in het voorkomende geval als geluidsbron beschouwd dienen te worden. Voorbeelden hiervan zijn 30 km -wegen, bedrijven (niet op een gezoneerd bedrijventerrein) speelplaatsen en hangplekken.
In deze paragraaf wordt niet ingegaan op de aanleg van hoofdwegen (spoor en weg). De aanleg van dergelijke hoofdwegen is in de Tracéwet geregeld, waarbij niet de gemeenten de ruimtelijke beoordeling zullen maken.
1.5.2.1 Aanleg/wijzigen van een nieuwe weg (niet zijnde een hoofdweg)
Wat moet?
Indien in een bestemmingsplan de bestemming "Verkeer" voor de aanleg van een nieuwe weg (geen hoofdweg en geen 30 km-weg) wordt gerealiseerd is de Wgh van toepassing. Er moet een onderzoek worden uitgevoerd (artikel 77 Wgh) naar de akoestische gevolgen van de aanleg van een weg op de geluidsgevoelige bestemmingen in de zone van die weg. Op basis van artikel 76 Wgh moet bij de vaststelling van het bestemmingsplan geluidsgevoelige bestemmingen in de zone van een weg worden getoetst aan de voorkeursgrenswaarde dan wel eventueel vastgestelde hogere waarden (zie onder wat kan? ).
Bij een wijziging van de indeling of inrichting van een bestaande weg moet onderzocht worden of er sprake is van een relevante akoestische verandering, de zogenoemde reconstructie van een weg (artikel 99 Wgh). Het gaat in deze situatie dan om bestaande woningen bij een bestaande weg. In het akoestisch onderzoek moeten de situaties voor en na aanleg of wijziging van de weg met elkaar vergeleken worden. Als de geluidbelasting vanwege die weg met 2 dB of meer wordt verhoogd is er sprake van een relevante akoestische verandering en dus een reconstructie van een weg. Bij toenames van 2 dB of meer moet er getoetst worden aan de voorwaarden uit de Wgh.
Gegevens in het bestemmingsplan
Wanneer in een bestemmingsplan een nieuwe weg (in principe ≥ 50 km/uur) mogelijk gemaakt wordt, moet daarin de functie van de weg, het dwarsprofiel of het aantal rijstroken, dan wel de as van de weg waarmee in het akoestisch onderzoek gerekend is (artikel 3.3.1 lid 1 sub b Bro) aangegeven worden. Dit kan op verschillende manieren, denk bijvoorbeeld aan:
- het opnemen van een tracé binnen een globale bestemming (bijvoorbeeld Wonen) door de aanduiding ‘as van de weg' of het opnemen van een dwarsprofiel;
- voor doorgaande wegen (‘stroomwegen') kan de bestemming Verkeer (V) gebruikt worden, voor andere wegen (30 km-wegen) kan de bestemming Verblijfsgebied (VB) gebruikt worden;
- het opnemen van de gebiedsaanduiding van de geluidszone (of milieuzone) langs een weg. Dit geldt met name bij een uitwerkingsplicht of wijzigingsbevoegdheid.
Wat kan?
Wanneer niet voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde bij de aanleg van een nieuwe weg biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale ontheffingswaarde (hogere waarde procedure). Het bevoegd gezag mag hogere waarden slechts verlenen indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege de weg, ondoeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (artikel 110a, lid 5 Wgh).
Ook bij een reconstructie van een weg kan het bevoegd gezag hogere waarden vaststellen. Vuistregel daarbij is dat de geluidsbelasting voor woningen door een reconstructie van een weg met niet meer dan 5 dB mag toenemen. Onder bepaalde voorwaarden is wel een grotere stijging van de geluidsbelasting acceptabel.
1.5.2.2 Het aanleggen en wijzigen van een gezoneerd bedrijventerrein
Wat moet
Indien een bestemmingsplan wordt opgesteld voor een nieuw gezoneerd bedrijventerrein of een gewijzigd gezoneerd bedrijventerrein dan moet volgens de Wgh een geluidszone (de 50 dB(A)-contour) in het bestemmingsplan worden opgenomen. Deze geluidszone is gebaseerd op de "planologische" geluidbelasting (onder "wat kan" zie ) van de bedrijven op het gezoneerde bedrijventerrein. De zone mag echter niet kleiner zijn dan de 50 dB(A)-contour van de geluidbelasting van de bestaande bedrijven.
Slechts dat gebied dat grote lawaaimakers (zie Inleiding zonering industrielawaai) niet uitsluit is volgens de Wgh het gezoneerde bedrijventerrein. Daarbij kan niet worden volstaan met het gebruiken van een gebiedsaanduiding in het bestemmingsplan en deze aanduiden als gezoneerd bedrijventerrein. Deze wijze van bestemmen heeft op basis van de Wgh geen betekenis. Zie de uitspraak van de RvS: 200708171/1/R1
"Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 augustus 2007, nr. 200603048/1, en de uitspraak van 13 augustus 2008, nr. 200704749/1, zijn in dit kader uitsluitend relevant de gronden waarop op basis van het plan inrichtingen kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken in de zin van de Wgh. Slechts de cumulatieve geluidsbelasting vanwege de bedrijven op die gronden dient op de zonegrens niet boven de 50 dB(A) te komen. Voor de aanwezige en eventuele nieuwe bedrijven op de overige gronden heeft de ligging ervan binnen een zone als bedoeld in artikel 40 van de Wgh derhalve geen betekenis. De aanduidingen "geluidszone" en "grens van het plan" betreffende de binnen- en buitengrenzen van de geluidszone op blad 2 van de plankaarten, alsmede het bepaalde in artikel 15 van de planvoorschriften, zijn derhalve in strijd met artikel 40 van de Wgh vastgesteld ".
Wanneer een zone voor het eerst wordt vastgesteld of wordt gewijzigd moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. Deze onderzoeksplicht volgt uit de toetsing bij de vaststelling aan de voorkeursgrenswaarde dan wel eventueel vastgestelde hogere waarde op de geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone (artikel 48 of artikel 57 Wgh) én de ruimtelijke onderbouwing voor de ligging van de zone.
Het opheffen van een bestaande geluidzone kan alleen door het wijzigen van het bestemmingsplan in combinatie met het opheffen van het ‘bedrijventerrein' in de zin van artikel 1 Wgh. Het opheffen van een vastgestelde geluidszone kan bovendien alleen maar plaatsvinden als er zich op het bedrijventerrein geen grote lawaaimakers meer mogen vestigen en er geen grote lawaaimakers meer aanwezig zijn op het terrein (artikel 41 Wgh). Er is dan dus geen sprake meer van een gezoneerd bedrijventerrein zoals bedoeld in de Wgh.
Geluidszones rond een bedrijventerrein moeten in een bestemmingsplan opgenomen worden als gebiedsaanduiding. In het SVBP2008 is bepaald hoe geluidszones op de verbeelding aangegeven moeten worden.
Let op: Onder de WRO werden geluidszones regelmatig in de vorm van een ‘parapluplan' vastgesteld. Met ingang van 1 januari 2010 is het niet meer mogelijk een bestemmingsplan dat onder de vigeur van de WRO tot stand is gekomen, gedeeltelijk te herzien onder verwijzing naar het onderliggende bestemmingsplan. Voor het vaststellen van een geluidszone, zullen dan ook de onderliggende bestemmingsplannen opnieuw vastgesteld moeten worden. Zijn alle gronden in de zone al vastgelegd in een bestemmingsplan dat voldoet aan de RO Standaarden 2008, dan is het mogelijk de geluidszone op te nemen via een gebiedsgericht besluit (zie ‘Doorvertaling naar plankaart (verbeelding) en planregels').
Wat kan?
Bij de bepaling van de ligging van de zone wordt over het algemeen uitgegaan van de "planologische" geluidbelasting. Dit is de geluidbelasting van de bestaande bedrijven op het gezoneerde bedrijventerrein plus de geprognosticeerde geluidbelasting van lege percelen en de geprognosticeerde groei van de geluidbelasting van bestaande bedrijven. De ligging van de 50 dB(A) contour is door de geprognosticeerde geluidbelasting van lege percelen en de geprognosticeerde groei van de geluidbelasting van bestaande bedrijven deels een planologische keus.
Wanneer in een gebied in transitie een kleinere geluidszone noodzakelijk is (bijvoorbeeld om woningbouw mogelijk te maken) dan kan er voor gekozen worden om een nieuwe kleinere zone vast te stellen op basis van de bestaande (vergunde) geluidbelasting van de bedrijven op het bedrijventerrein. Er wordt dan voldaan aan de vereisten van de Wgh. Ook worden de bestaande milieurechten van bestaande bedrijven gerespecteerd. Echter in de ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan zal wel ingegaan moeten worden waarom de akoestische mogelijkheden van het bedrijventerrein ingeperkt worden.
Aan de andere kant kan voor een ruimere zone gekozen worden als een uitbreiding van industriële activiteiten gewenst zijn. Hierdoor kunnen bestaande woningen als "nieuwe" woningen in de zone komen te liggen (zie paragraaf 1.5.1.3. Een geluidsgevoelige bestemming in de zone van een gezoneerd bedrijventerrein).
Wat kan niet?
Het is niet mogelijk om de vestiging van grote lawaaimakers mogelijk te maken op een niet-gezoneerd terrein.
1.5.2.3 Aanleg/wijzigen van een nieuwe 30 km-weg of woonerf
Wat moet?
Voor het aanleggen/wijzigen van een 30 km-weg of woonwerf is de Wgh niet van toepassing. In voorkomende gevallen kan een 30 km-weg met een relatief hoge verkeersdrukte aan (vracht)wagens in combinatie met bijvoorbeeld een klinkerbestrating toch voor een hoge geluidbelasting zorgen. De aanleg van deze weg en de gevolgen daarvan voor de geluidbelasting moeten wel bij de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van de bestaande geluidsgevoelige bestemmingen betrokken worden.
Wat kan?
In deze gevallen bestaat er geen wettelijk kader met een normeringstelsel. Er is dus meer vrijheid om het onderzoek meer kwalitatief in te steken en toe te spitsen op de concrete situatie in het bestemmingsplan, dan bij een akoestisch onderzoek dat op grond van de Wgh verplicht is. Er kan worden aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh.
Wat kan niet?
Een weg aanwijzen als 30-km-weg zonder in ieder geval een globale akoestische beschouwing te geven.
1.5.2.4 Een nieuw bedrijf bij een geluidsgevoelige bestemming
Wat moet?
Regelmatig komt het voor dat een bepaald bedrijf zich op een bepaald (niet volgens Wgh gezoneerd) perceel wil vestigen, waarbij deze vestiging in strijd is met het geldende bestemmingsplan. In deze situatie is de Wgh niet van toepassing. Als het bevoegd gezag medewerking wil verlenen (er zijn geen andere niet-akoestische bezwaren) dan zal moeten beoordeeld of (na de wijziging) het akoestisch klimaat bij bestaande geluidsgevoelige bestemmingen nog aanvaardbaar is. Daarnaast moet natuurlijk gekeken worden of het akoestisch mogelijk is om het desbetreffende bedrijf daar te realiseren, kortom, of het bedrijf zich daar kan vestigen zonder vergaande voorschritften in het milieuspoor. De VNG-brochure "bedrijven en milieuzonering" is hierbij een belangrijk hulpmiddel. Wordt aan de richtwaarden van deze brochure voldaan dan kan worden aangenomen dat het akoestisch klimaat bij de bestaande geluidsgevoelige bestemming(en) voldoende is en dat het bedrijf zich daar kan vestigen zonder vergaande voorschiften in het milieuspoor (vergunning, of maatwerk in het Activiteitenbesluit).
Er moet in de akoestische beschouwing worden uitgegaan van wat binnen de nieuwe bestemming redelijkerwijs akoestisch mogelijk is en niet van een eventuele vergunningsaanvraag. Hoewel dit laatste vaak gebeurt, zal dit in de toekomst in het milieuspoor tot een knelpunt kunnen leiden als er een groot verschil is tussen wat nu aan activiteiten wordt aangevraagd en wat in principe binnen de bestemming mogelijk is. Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Wordt (de ruimere) bestemming "uitgeverijen, drukkerijen en reproductie van opgenomen media" (SBI-code 22) mogelijk gemaakt, dan geldt op basis van de VNG-brochure een grootste richtafstand van 100 meter. Wordt specifieker bestemd, namelijk "uitgeverijen, kantoren"(SBI-code 221) geldt een richtwaarde van 10 meter. Het is dus ook een afweging tussen een meer flexibel of star bestemmingsplan. Waarbij natuurlijk de gebruiksmogelijkheden van een perceel planologisch niet onnodig mag worden ingeperkt.
Zijn de richtafstanden uit de VNG-brochure niet haalbaar en is de vestiging van het bedrijf toch gewenst, dan is een verdere akoestische onderbouwing nodig voor de bestemmingsplanwijziging. Hierbij kunnen de toetsingskaders van het milieuspoor gehanteerd worden (hoofdstuk 4 Handreiking voor vergunningsplichtige inrichtingen of het Activiteitenbesluit voor inrichtingen die daaronder vallen). Maar omdat in redelijkheid uitgegaan moet worden van de akoestische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt zullen alle geluidsbronnen van dat perceel in de afweging worden meegenomen. Als bijvoorbeeld de bestemming "horeca" aan een perceel wordt gegeven en er is een buitenterras mogelijk is zullen in principe ook geluidsbronnen als onversterkte muziek of menselijk stemgeluid in de beschouwing moeten worden meegenomen (ook al worden deze in het milieuspoor in een aantal gevallen niet getoetst). Dergelijke bronnen kunnen namelijk een grote invloed hebben op het akoestisch klimaat.
Wat kan?
Wanneer een nieuwe bestemming "bedrijf" in eerste instantie een te grote negatieve invloed heeft op geluidsgevoelige bestemmingen kan door middel van gebruiksvoorschriften in een bestemmingsplan het akoestisch klimaat bij geluidsgevoelige bestemmingen alsnog beschermd worden. Een voorbeeld hiervan is dat bij een bestemming horeca via het bestemmingsplan vanwege overlast van menselijk stemgeluid een buitenterras niet mogelijk wordt gemaakt. De buitenruimte krijgt dan geen bestemming 'horeca' maar bijvoorbeeld 'erf'.

