11.2 Toelichting
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 11.2 Toelichting
Water en ruimtelijke ordening zijn in toenemende mate met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Momenteel hebben de hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, aangetoond dat er op deze weg niet verder kan worden gegaan. De klimaatveranderingen vragen om ruimtelijke aanpassingen, waarbij rekening wordt gehouden met zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte.
De relatie tussen water en ruimte is tweeledig: waterkwaliteit en kwantiteit beïnvloeden ruimtelijke ontwikkelingen en deze beïnvloeden het waterbeheer. In 1999 heeft de rijksoverheid in diverse beleidsstukken aandacht gevraagd voor het ‘ordenend karakter’ van water. Met de nota Ruimte (2005) is bepaald dat water medebepalend is voor de ruimtelijke ordening. In 2007 is de Nationale Adaptatiestrategie opgestart als eerste beleidsproduct van het nationaal programma Adaptatie Ruimte en Klimaat (ARK). In dit programma ontwikkelt het Rijk samen met de koepelorganisaties van gemeenten, provincies en waterschappen een strategie om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig te maken voor de komende eeuw. Het waterbeheer speelt hierin een belangrijke rol. In de kabinetsvisie op het waterbeleid van 2007 is eveneens aangegeven dat water een meer sturende rol bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te krijgen. In het nationaal waterplan (NWP) zal dit verder worden uitgewerkt.
Het ‘ordenend karakter’ van water moet zo vroeg mogelijk worden meegenomen. Zo moet in streekplannen en bestemmingsplannen de gevolgen voor water worden afgewogen (watertoets). In de zogenaamde natte of waterparagraaf moet verantwoord worden op welke wijze in het plan rekening is gehouden met waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater en afvalwater en mogelijk ook de landschappelijke aspecten van water.

