12.3.2 Wet-en regelgeving

12.3.2 Wet-en regelgeving

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: 12.3.2 Wet-en regelgeving

Vanuit Europa is de bescherming van soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.

Vogel- en Habitatrichtlijn

De Europese Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/33/EEG) hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Tot voor kort speelde de Vogel- en Habitatrichtlijn een belangrijke rol in het Nederlandse rechtssysteem. Het beschermingsregime van artikel 6 Habitatrichtlijn, dat ook voor de Vogelrichtlijn gold, had namelijk rechtstreekse werking. Dit betekent dat Nederlandse burgers het handelen in strijd met de bepalingen uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn bij de Nederlandse rechter konden aanvechten. Met de implementatie van de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn in onze nationale wetgeving is een einde gekomen aan de rechtstreekse werking van de Vogel- en Habitatrichtlijn. De soortenbescherming is nu verankerd in de Flora- en faunawet, de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998.

Flora-en faunawet

De bescherming van soorten is verankerd in de Flora- en faunawet, die op 1 april 2002 van kracht is geworden. In de Flora- en faunawet zijn verbodsbepalingen opgenomen die bijvoorbeeld het doden of verwonden van dieren en het aantasten van vaste rust- of verblijfplaatsen strafbaar stellen. Artikel 75 van de wet biedt echter de mogelijkheid om een ontheffing aan te vragen voor bepaalde activiteiten die leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen.

Op 23 februari 2005 is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) inzake artikel 75 van de Flora- en faunawet in werking getreden. In deze AMvB worden de onder de Flora- en faunawet beschermde soorten planten en dieren onderverdeeld in drie verschillende beschermingscategorieën :

  • algemeen beschermde soorten (tabel 1-soorten)
  • strikt beschermde soorten (tabel 3-soorten)
  • overige beschermde soorten (tabel 2-soorten).

Zie voor de indeling van beschermde soorten in verschillende beschermingscategorieën de website van het ministerie van landbouw, natuur en voedselkwaliteit.

De indeling van de beschermde soorten in verschillende beschermingscategorieën heeft met name invloed op het beschermingsregime dat ten aanzien van de betreffende soort geldt. In de Flora- en faunawet staan verschillende verbodsbepalingen. Ten aanzien van activiteiten op het gebied van beheer en onderhoud en ruimtelijke inrichtingen en ontwikkelingen is in bepaalde gevallen vrijstelling mogelijk van de verbodsbepalingen uit artikel 8 t/m 12. De artikelen 8 t/m 12 van de Flora- en faunawet bevatten verbodsbepalingen ten aanzien van het aantasten van groeiplaatsen van planten (art. 8), het doden of verwonden van soorten (art. 9), het opzettelijk verontrusten van soorten (art. 10), het beschadigen of vernietigen van vaste rust- of verblijfplaatsen van soorten (art. 11) en het wegnemen of vernielen van eieren (art. 12). Aan een dergelijke vrijstelling kunnen voorwaarden zijn verbonden, zoals het werken volgens een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Een gedragscode is een document waarin een (branche)organisatie aangeeft welke specifieke maatregelen zij treft wanneer beschermde soorten of hun leefgebied door bepaalde activiteiten worden aangetast.

Wanneer voor het overtreden van de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet geen beroep kan worden gedaan op een vrijstelling, dan is daarvoor een ontheffing vereist op grond van artikel 75c Flora- en faunawet. De minister van LNV beoordeelt of een ontheffing al dan niet wordt afgegeven. Daarbij speelt de staat van instandhouding van de betreffende soort(en) een belangrijke rol. Als specifieke voorwaarde in zo’n ontheffing kan de minister bepalen dat verlies aan leefgebied van een bepaalde soort gecompenseerd moet worden. 

Beschermde leefomgeving
Naast de passieve bescherming van soorten biedt de Flora- en faunawet tevens de mogelijkheid voor actieve bescherming middels het instrument beschermde leefomgeving. Op grond van artikel 19 van de Flora- en faunawet kunnen Gedeputeerde Staten een bepaald object of een klein leefgebied dat van groot belang is voor het voortbestaan van planten of diersoorten aanwijzen als beschermde leefomgeving. Bepaalde handelingen binnen dat gebied kunnen dan worden verboden of er kunnen aan die handeling voorwaarden worden verbonden.

Natuurbeschermingswet 1998

De bescherming van specifieke natuurgebieden is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998. De volgende gebieden vallen onder de werking van de Natuurbeschermingswet:

  • Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden)
  • Beschermde Natuurmonumenten
  • Gebieden die de minister van LNV aanwijst ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen (met uitzondering van verplichtingen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), zoals Wetlands.

Zie voor een complete lijst van de gebieden de website van het ministerie van landbouw, natuur en voedselkwaliteit.

Beschermde Natuurmonumenten die overlappen met Natura 2000-gebieden worden opgeheven en niet langer beschermd als Beschermd Natuurmonument. De natuurwaarden waarvoor het natuurmonument was aangewezen worden wel in de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten opgenomen.

Voor de Natura 2000-gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld. In deze aanwijzingsbesluiten staat voor welke soorten en habitats het betreffende gebied is aangewezen (de zogenaamde kwalificerende soorten en habitats) en welke instandhoudingsdoelstellingen er gelden voor deze soorten en habitats. Voor plannen of projecten die een (significant) negatief effect hebben op de kwalificerende soorten of habitats van het betreffende gebied geldt een vergunningplicht. Of een plan of project (significant) negatieve effecten heeft op kwalificerende soorten of habitats van een bepaald gebied moet op grond van de Natuurbeschermingswet worden getoetst aan de hand van een Habitattoets. Een Habitattoets kan de vorm hebben van een verslechteringstoets (wanneer op voorhand significant negatieve effecten uit te sluiten zijn, maar negatieve effecten niet) of van een passende beoordeling (wanneer significant negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten zijn). Op deze manier is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

In de meeste situaties is de provincie het bevoegde gezag voor de vergunningverlening. In sommige situaties is dit het Ministerie van LNV. Dit wordt geregeld in het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. Voor het opstellen van beheerplannen is een voortouwverdeling gemaakt tussen rijk en provincies (Beheerplannen website ministerie LNV). Deze beheerplannen maken duidelijk welke activiteiten wel en niet mogelijk zijn in en rond die gebieden. Ook staat in het beheerplan op welke manier invulling wordt gegeven aan de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied.

 

leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil