12.4 Maatregelen
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 12.4 Maatregelen
Voor een goede doorwerking van de ‘groene’ wet- en regelgeving in een bestemmingsplan is het essentieel om ecologen zo vroeg mogelijk in het planproces te betrekken. Ecologische deskundigheid is noodzakelijk om bestaande en potentiële ecologische waarden in beeld te brengen. Maar ook om eventuele effecten van ruimtelijke ingrepen op de ecologische waarden te beoordelen.
Daarbij is het verstandig om steeds maximaal gebruik te maken van ecologische informatie van plaatselijke natuurbeschermingsorganisaties.
Mogelijkheden voor bescherming van ecologische waarden in ruimtelijke plannen liggen, naast het opnemen van de ecologische hoofdstructuur, onder meer in:
- identificatie en behoud van waardevolle natuur
Occupatie van waardevolle natuurgebieden met functies als woningbouw, bedrijven, recreatievoorzieningen, infrastructuur en dergelijke moet in principe worden voorkomen - buffering van waardevolle natuur
Tussen natuur(gebieden) en andere functies is bijna altijd een bufferzone nodig om de belangen van de natuur voldoende te kunnen waarborgen. Deze zones moeten mede via het bestemmingsplan zoveel als mogelijk vrij gehouden worden van functies die de natuur nadelig kunnen beïnvloeden. Denk hierbij aan bepaalde bedrijvigheid en intensieve recreatie (geluidemissie, luchtverontreiniging en verkeer), intensieve veehouderij en infrastructuur (geluid en barrièrewerking voor de fauna) - identificatie en behoud van waardevolle cultuurlandschappen (nationale landschappen)
Het is noodzakelijk om hier voldoende aandacht aan te besteden, zodat het karakter van het landschap behouden blijft. Dit kan bijvoorbeeld worden bewerkstelligd door een uitgekiende infrastructuur of door aan bebouwing eisen te stellen, zoals aan de maximale bouwhoogte of het maximale bouwvolume - een stedelijke groenstructuur (een ecologische netwerk in de stad)
Verbetering van de ecologische kwaliteiten kan in ruimtelijke plannen worden bereikt door het aanleggen van nieuwe natuur, het realiseren van verbindingen tussen parken en watergangen. Maar ook tussen natuur in het stedelijk gebied en natuur in het aansluitende landelijke gebied.
Deze mogelijkheden kunnen in het bestemmingsplan maximaal worden benut. Dit gebeurt door een zorgvuldige toekenning van passende bestemmingen en weergave daarvan op de plankaarten. Waar nodig moet die bescherming in de bestemmingsplanvoorschriften vastgelegd worden in de vorm van een gebruiksverbod (bijvoorbeeld voor lawaaisporten) of vergunningenstelsel (bijvoorbeeld voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden zoals ontgravingen, wegverhardingen en het scheuren van grasland).
Voorbeelden hiervan zijn:
- groenstructuren op de plankaart en in voorschriften vastleggen
- waardevolle elementen (bomen, houtwallen, poelen, zandwegen) aangeven op de plankaart en via een toegesneden regeling beschermen (omgevingsvergunning)
- regels opnemen voor afstand tussen bomen en bebouwing of leidingen
- verharding van zandwegen verbieden, behoudens met een omgevingsvergunning
- in de ‘beschrijving in hoofdlijnen’ een inspanningsverplichting opnemen tot het opstellen van een inrichtingsplan en de intentie om de realisatie te regelen via de gronduitgifte
- waardevolle inheemse bomen opnemen in een bomenlijst en het kappen van deze bomen koppelen aan een omgevngsvergunning
- ophogen of het verlagen van de bodem, draineren en dergelijke verbieden behoudens omgevingsvergunning
- taluds van een bepaalde maximale helling of juist steilwanden (voor broedplaatsen) in voorschriften opnemen.

