12.5 Bestemmingsplan

12.5 Bestemmingsplan

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: 12.5 Bestemmingsplan

In het bestemmingsplan worden de beschermde natuurwaarden planologisch en juridisch veiliggesteld. Tevens worden nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen via het bestemmingsplan juridisch mogelijk gemaakt en vindt in dit kader altijd een toets plaats aan de aanwezige natuurwaarden.

Voor de wijze waarop met flora en fauna in het bestemmingsplan wordt omgegaan, wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. In 12.5.1 is informatie opgenomen over de soortbescherming. In 12.5.2 is informatie opgenomen over de gebiedsbescherming.

12.5.1 Soortbescherming

Wat moet?

Voor alle bestemmingsplannen geldt dat onderzoek moet worden uitgevoerd naar mogelijke beschermde soorten die in het plangebied voorkomen. Bij ruimtelijke ingrepen dient in kaart te worden gebracht of de actuele beschermde natuurwaarden van de locatie worden bedreigd. Voor soortbescherming geldt dat dit is geregeld in de Flora- en faunawet. In het kader van het bestemmingsplan kunnen de volgende stappen worden onderscheiden:

Stap 1 verkennend onderzoek, quick scan

Er wordt een inventarisatie gemaakt van de in een gebied mogelijk beschermde dieren en planten. Via bureauonderzoek, bijvoorbeeld via Natuurloket.nl of met van de Gegevensautoriteit Natuur (GAN) verkregen informatie, vindt een eerste inschatting plaats van het gebied. Indien uit het bureauonderzoek blijkt dat er te weinig gegevens zijn, kan een eerste veldbezoek ter plaatse onderdeel uitmaken van het verkennend onderzoek. Blijkt dat er geen beschermde soorten zijn aangetroffen en deze ook niet zullen worden aangetroffen dan kan worden volstaan met verkennend onderzoek. Uit het eerste onderzoek kan ook blijken dat er mogelijk beschermde soorten zijn, dan is verder onderzoek nodig.

Stap 2 aanvullend veldonderzoek

Stel dat uit het verkennend onderzoek blijkt dat er mogelijk beschermde soorten op de planlocatie aanwezig zijn, is meer onderzoek nodig. Voor vleermuizen bijvoorbeeld is altijd aanvullend veldonderzoek nodig, maar ook voor andere beschermde soorten zal duidelijker in beeld moeten worden gebracht waar welke soorten voorkomen. Ook moet duidelijk worden of al dan niet sprake is van belangrijke leefgebiedsfuncties (voortplantings- of vaste rust- en/of verblijfplaatsen).

Stap 3 effecten van de ingreep vaststellen

Nadat is vastgesteld welke beschermde soort in een gebied leeft en of sprake is van belangrijke leefgebiedsfuncties kan het effect van een ruimtelijke ingreep in beeld worden gebracht. Indien sprake is van beschermde vogels, dan kan in een ingreep in een broedseizoen een veel groter effect hebben dan een ingreep buiten het broedseizoen.

Stap 4 vaststellen alternatieven

Het is soms mogelijk om effecten van de ingreep te verminderen en te voorkomen. Daarom is het belangrijk om alternatieven te vinden. Dit kan zijn door buiten het broedseizoen geen (bouw- of sloop)activiteiten uit te voeren. Het kan ook zijn dat een andere locatie voorkomt dat beschermde soorten worden aangetast.

Stap 5 belangenafweging maken

Indien er geen alternatieven zijn, dan is het nodig om een afweging te gaan maken. Hoe belangrijk is de ruimtelijke ingreep? Wat is het maatschappelijk belang (bijvoorbeeld volkshuisvesting, veiligheid, volksgezondheid) in relatie tot het beschermingsniveau van de soort?

Stap 6 compensatieplan- en mitigatieplan voor schadelijke effecten

De volgende stap is om te bezien op welke wijze de schadelijke effecten voor de soort verminderd kunnen worden. Dit kan bijvoorbeeld door het leefgebied van de soort elders te compenseren of door voor ecologische verbindingen te zorgen.

Stap 7 ontheffing aanvragen van de Flora- en faunawet

Ontheffingen worden aangevraagd bij de Dienst Regelingen van het ministerie van LNV. In de ontheffingsaanvraag moeten genoemde stappen gemotiveerd worden. Indien ontheffing wordt verleend, is het mogelijk dat derde- belanghebbenden bezwaar aantekenen tegen het besluit of daartegen in beroep gaan. Indien geen ontheffing wordt verleend, is het niet mogelijk om de gewenste ontwikkeling in het bestemmingsplan op te nemen.
Als voor het project tevens een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig is haakt de ontheffing aan bij die omgevingsvergunning. In dat geval moet de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgeven die wordt opgenomen in de omgevingsvergunning.

Wat kan niet?

Het is niet mogelijk om zonder onderzoek en zonder motivatie ruimtelijke nieuwe ontwikkelingen juridisch mogelijk te maken via het bestemmingsplan, waarbij sprake is van aantasting van belangrijke leefgebiedsfuncties.

Voor soorten die beschermd zijn via de Habitatrichtlijn (deze soorten staan in bijlage IV van de Habitatrichtlijn) is het niet mogelijk om ontheffing te verlenen voor ruimtelijke ingrepen (recente jurisprudentie), tenzij tevens sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang.

12.5.2 Gebiedsbescherming

Wat moet?

Voor alle bestemmingsplannen geldt dat onderzoek moet worden uitgevoerd naar mogelijke gebiedsbescherming in of nabij het plangebied. Bij ruimtelijke ingrepen dient in kaart te worden gebracht of er effecten zijn op beschermde gebieden. Gebiedsbescherming is geregeld via de Natuurbeschermingswet en de Wet ruimtelijke ordening.

Veel beschermde gebieden vallen onder het Natura 2000 netwerk. Dit Natura 2000 netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De overkoepelende naam voor (combinaties van) deze gebieden is 'Natura 2000-gebied'.

Daarnaast worden de gebieden behorend tot de ecologische hoofdstructuur (EHS) beschermd via regelgeving onder de Wet ruimtelijke ordening. Het rijksbeleid ten aanzien van de begrenzing en de bescherming van de EHS is vastgelegd in de Nota Ruimte. Het beleid is vertaald in regelgeving in de Ontwerp-Algemene Maatregel van Bestuur Ruimte (AMvB Ruimte) en per provincie uitgewerkt in een provinciale ruimtelijke verordening. De Spelregels EHS is een handig hulpmiddel om te bepalen welke ontwikkelingen mogelijk zijn van locaties die in de EHS liggen.

In het kader van het bestemmingsplan kunnen de volgende stappen worden onderscheiden:

Stap 1 vaststellen of sprake is van beschermde gebieden in of nabij het plangebied

Beschermde gebieden zijn te vinden via Natuurloket en via het ministerie van LNV. Per provincie is de begrenzing van de EHS vastgesteld die vervolgens moet worden opgenomen in het bestemmingsplan.

Stap 2 vaststellen of de ruimtelijke ontwikkeling effect heeft op natuur

Voor Natura 2000-gebieden geldt dat niet de locatie of handeling is van belang, maar het effect op een beschermd gebied. Dit geldt zowel voor nieuwe projecten als voor verandering van bestaande projecten in en buiten de Natura 2000-gebieden. De bescherming van EHS-gebieden is alleen van toepassing op projecten, plannen en handelingen binnen de EHS.

Stap 3 vergunning aanvragen bij provincie

In de meeste situaties is de provincie het bevoegde gezag voor de vergunningverlening. In sommige situaties is dit het ministerie van LNV. Dit wordt geregeld in het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. Vaak zal voorafgaand aan de vergunning aanvraag overleg plaatsvinden met de provincie. Zij zullen de afweging moeten maken of een vergunning verleend kan worden. In de vergunningaanvraag moet worden aangegeven wat de effecten van een nieuw bestemmingsplan zijn. Als blijkt dat nieuwe ontwikkelingen leiden tot verstoring of verslechtering dan dient of een verslechteringstoets te worden uitgevoerd of een passende beoordeling plaats te vinden. Een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet valt onder de regels van de Algemene wet bestuursrecht. Het is mogelijk om zienswijzen in te dienen en beroep in te stellen tegen de vergunning.
Als voor het project tevens een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig is haakt de vergunning op grond van de Natuurbeschermingwet 1998 aan bij die omgevingsvergunning. In dat geval moet de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgeven die wordt opgenomen in de omgevingsvergunning.

Bij ingrepen in de EHS vindt geen vergunningverlening plaats, maar worden de gebruikelijke r.o.-procedures doorlopen. De op grond van de AMvB Ruimte en de provinciale ruimtelijke verordening vereiste afweging en eventuele compensatieverplichting zijn onderdeel van het bestemmingsplan of van de procedure van wijziging van het bestemmingsplan. DeSpelregels EHS en de Handreiking bestemmingsplan in natuurwetgeving zijn hierbij bruikbare hulpmiddelen.

Wat kan?

In het bestemmingsplan is de meest passende bestemming voor natuurgebieden de bestemming 'Natuur' of 'Bos'. Binnen de ecologische hoofdstructuur zijn ook dubbelbestemmingen mogelijk. Voor nog niet gerealiseerde EHS kan bij de aanwezige bestemming een wijzigingsbevoegdheid naar natuur worden opgenomen.

Wat kan niet?

Zonder vergunning en motivatie nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken in het bestemmingsplan met negatieve effecten op gebieden waar gebiedsbescherming via de Natuurbeschermingswet aan de orde is.

Zonder motivatie nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de EHS mogelijk maken in het bestemmingsplan met significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS.

 

 

leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil