14.3.2 Wet-en regelgeving
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 14.3.2 Wet-en regelgeving
Deze paragraaf beschrijft welke wetten, normen en richtlijnen relevant zijn voor de diverse ruimtelijke en milieuaspecten. Via de onder 14.6 genoemde verwijzingen is veel aanvullende informatie aanwezig over deze aspecten.
Bij de beoordeling van de ruimtelijke mogelijkheden voor windturbines moet rekening worden gehouden met regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu en milieueffectrapportage. Daarnaast is er regelgeving op het gebied van natuurbescherming, externe veiligheid en lucht- en scheepvaart van belang. In dit hoofdstuk worden deze aspecten toegelicht.
Ruimtelijke ordening
De basis voor de bestemming van gronden ten behoeve van de realisatie van windenergieparken of losse windturbines ligt in de regels van een bestemmingsplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening. De bevoegdheden voor het opstellen van het bestemmingsplan liggen in beginsel bij de gemeente. Maar met het inwerkingtreden van de Crisis- en herstelwet zijn een paar uitzonderingen ontstaan (artikel 9b en artikel 9e Elektriciteitswet 1998):
Voor productie-installaties met een vermogen groter dan 100MW wordt met toepassing van de procedure voor de rijkscoördinatieregeling (artikel 3.35, lid 1, onder c Wro) een rijksinpassingsplan vastgesteld.
Voor productie-installaties met een vermogen tussen de 5 en 100MW kan Provinciale Staten een provinciaal inpassingsplan vaststellen.
Het toepassen van de coördinatieregeling (voor het rijk artikel 3.35 Wro, voor provincie artikel 3.33 Wro) biedt de de mogelijkheid om bij projecten van de besluitvorming rondom het project te coördineren. Met de coördinatieregeling kunnen de verschillende besluiten (ruimtelijk besluit, vergunningen, ontheffingen) tegelijkertijd en in onderling overleg genomen worden ('parallel geschakeld'). Na de inspraakronde worden de besluiten ook tegelijkertijd genomen. Als een burger of organisatie het niet eens is met een of meer van de besluiten kan hij in de meeste gevallen direct in beroep bij de Raad van State. Er is dus geen bezwaarfase. De verantwoordelijkheden blijven bij coördinatie ongewijzigd. De Rijkscoördinatieregeling is middels een besluit van de ministerraad van toepassing verklaard op het windproject Noordoostpolder met de Minister van Economische Zaken als projectminister.
Naast het opstellen van een bestemmingsplan of inpassingsplan is het mogelijk om afwijkingen van de geldende bestemmingen mogelijk te maken met een omgevingsvergunning (artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo).
Milieu
Als uitgangspunt geldt dat windmolens of windmolenparken vallen onder de werking van het Activiteitenbesluit. Dit volgt uit de indeling van inrichtingen voor het opwekken van windenergie in categorie 20.1 van onderdeel A van bijlage I Bor. Er geldt een uitzondering voor inrichtingen regels in het kader van milieueffectrapportage van toepassing zijn.
De regels op het gebied van milieueffectrapportage zijn van toepassing op een windturbinepark bestaande uit ten minste drie windturbines. Dit volgt uit de definitie van een windturbinepark in onderdeel A van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het plaatsen van een of twee windturbines of het plaatsen van windturbines, die geen windturbinepark vormen, valt dus buiten deze reikwijdte.
Door de toepassing van de regels voor milieueffectrapportage kan voor de windmolens een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1, lid 1, onder i Wabo) of een omgevingsvergunning milieu (artikel 2.1, lid 1, onder e Wabo) nodig zijn. Dit gebeurt op grond van respectievelijk artikel 2.2a Bor en de aanwijzing in onderdeel 1, sub c van onderdeel B van bijlage I Bor.
In het Activiteitenbesluit (paragraaf 3.2.3) zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot beheer en onderhoud, slagschaduw en lichtschittering, risico's voor de omgeving en ongewone voorvallen en geluid. Deze voorschriften zijn ook van toepassing in situaties waarin een omgevingsvergunning beperkte milieutoets wordt verleend. In gevallen dat een omgevingsvergunning milieu wordt verleend zijn de voorschriften opgenomen in die omgevingsvergunning.
Milieueffectrapportage
De regelgeving op het gebied van milieueffectrapportage bestaat naast de geldende verplichtingen voor ruimtelijke ordening en milieu. Voor situaties dat de gewenste ontwikkeling alleen bestaat uit het ontwikkeling van een windturbinepark is categorie D22.2 "De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark bestaande uit ten minste drie windturbines" van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage relevant.
Een uitgebreide uitleg over de relatie tussen milieueffectrapportage en ruimtelijke plannen is opgenomen in hoofdstuk15 van deze handreiking.
Milieueffectrapportage bij een ruimtelijke plan
Als in een bestemmingsplan mogelijkheden worden geboden voor de ontwikkeling van een windturbinepark moet ten behoeve van dat bestemmingsplan een milieueffectrapport worden opgesteld. Maar als windmolens onderdeel zijn van een groter project, bijvoorbeeld landinrichting (categorie D9) of industrieterrein (categorie D11.3), dan kunnen verplichtingen in het kader van milieueffectrapportage ook ontstaan op grond van die categorieën. En kan het plaatsen van een of twee windturbines of het plaatsen van windturbines, die geen windturbinepark vormen dus alsnog onderdeel worden van een milieueffectrapport.
Naast de procedure voor de vaststelling van het bestemmingsplan zijn ook de procedurele verplichtingen ten aanzien van de milieueffectrapportage van paragraaf 7.3 en paragraaf 7.4 Wet milieubeheer van toepassing.
Milieueffectrapport bij een omgevingsvergunning
Als de ontwikkeling van het windturbinepark met een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo) en/of milieu (artikel 2.1, lid 1 onder e Wabo) wordt gerealiseerd zijn de drempelwaarden voor gevallen in categorie D22.2 bepalend voor de te volgens stappen op het gebied van milieueffectrapportage.
De drempelwaarden zijn windturbineparken waarbij het gezamenlijk vermogen van die turbines groter is dan 15MW en windturbineparken die bestaan uit 10 of meer windturbines.
Als deze drempelwaarden niet worden overschreden, dan moet een beoordeling van de milieugevolgen van de aanleg van het windturbinepark worden gemaakt aan de hand van de selectiecriteria van bijlage III bij de richtlijn 85/337/EEG.
Als deze drempelwaarden wel worden overschreden, dan moet de procedure voor m.e.r.-beoordeling worden gevolgd die is beschreven in paragraaf 7.6 Wet milieubeheer.
Natuur
Een windenergieproject moet uiteraard voldoen aan de regels in de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn is opgenomen in deze nationale wetgeving. Voor een windpark in of nabij Natura 2000-gebieden moet altijd onderzocht worden of er een mogelijk significant effect zal zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende gebied(-en). Veelal kan worden aangetoond dat windmolens geen significante effecten hebben op of de soorten of de habitats waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen en zijn windmolens in of nabij deze gebieden mogelijk. Ingeval van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is een windpark toch mogelijk als er geen alternatieve oplossingen aanwezig zijn. Er moet dan sprake zijn van een dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard (zie ook het onderdeel Ecologie).
Het beschermingsregime voor de ecologische hoofdstructuur (EHS) lijkt naar zijn aard op dat voor Natura 2000-gebieden. Activiteiten en projecten die de wezenlijke waarden en kenmerken kunnen aantasten zijn niet toegestaan, tenzij er geen redelijk alternatief is, er een dwingende reden van openbaar belang mee gemoeid zijn en er volgens de spelregels mitigatie en compensatie plaatsvindt.
Bij windturbineprojecten moet vrijwel altijd ook rekening worden gehouden met de Flora- en faunawet. De wet stelt hoge eisen aan handelingen en projecten: elke verstoring of doding van individuen van de beschermde soorten (bijna 1000 soorten) en het verstoren van rustplaats, nest of eieren is verboden. Ontheffing hiervan kan niet eenvoudig worden verkregen.
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de vraag of het risico voor mensen onaanvaardbaar groot wordt als er op een bepaalde locatie windturbines worden geplaatst. Het antwoord op die vraag is onder meer afhankelijk van de kenmerken van de turbine en van de bestaande (veiligheids)situatie. Deze wordt bepaald door de aanwezige functies. Leidt de plaatsing van een windturbine langs een drukke verkeersweg bijvoorbeeld tot een onaanvaardbaar groot risico voor weggebruikers? De norm voor een aanvaardbaar risico wordt uitgedrukt in een plaatsgebonden risico en een groepsrisico (zie ook onderdeel Externe veiligheid). Rondom windturbines kan een risicocontour worden getrokken, waarbinnen het plaatsgebonden en groepsrisico niet meer aanvaardbaar is. Aanwijzingen voor de berekening van die risicocontouren zijn weergegeven in het Handboek risicozonering windturbines.
De normen voor de plaatsing van turbines langs wegen, vaarwegen en waterwegen zijn vastgelegd in de Beleidsregels van Rijkswaterstaat.
Voor plaatsing van turbines langs spoorwegen moet afstemming plaatsvinden met Rail-infrabeheer. Rail-infrabeheer stelt dat de minimale afstand tussen de spoorweg en de windturbine minimaal 7,85 meter + een halve rotordiameter moet zijn.
Relatie met lucht- en scheepvaart
Plaatsing van windturbines kan mogelijk leiden tot verstoring van de radar. Dat geldt voor zowel radar ten behoeve van de lucht- als de scheepvaart. Voor de militaire radarposten in Nederland moet in een straal van 28 km rondom die posten worden gekeken of windturbines de radar niet teveel verstoren. De huidige verstoringsnorm is, dat een windmolen de maximale detectieafstand met niet meer dan 10% mag reduceren. De civiele luchtvaart gaat momenteel in toenemende mate zijn radardiensten inkopen bij de militaire radars.
Ten behoeve van een veilig gebruik van luchthavens voor de militaire en civiele luchtvaart zijn ook enkele andere obstakelbeheersvlakken ingesteld. De belangrijkste zijn de zogenaamde funnels voor het opstijgen en landen, het daarbij behorende ILS-vlak voor de naderingsradar, het IHCS-vlak rond een vliegveld (hiervoor is de bijnaam ‘koekenpan’ in zwang), en tot slot de obstakelbeheersvlakken op de laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen (50 m hoogte en 2 km breed; dit betreft 2 routes door Oost- en Noord-Nederland). Toetsing van windturbineprojecten aan de hoogtebeperking geschiedt in praktijk absoluut, hoewel er in theorie bij de IHCS-vlakken een ontheffingsmogelijkheid bestaat. Meer informatie hierover in het Nationaal plan van Aanpak Windenergie

