15.3.1 Ruimtelijke instrumenten
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 15.3.1 Ruimtelijke instrumenten
De structuurvisie, het bestemmingsplan (waaronder inpassingsplan) en een omgevingsvergunning zijn de belangrijkste ruimtelijke instrumenten die te maken hebben met het eventueel opstellen van een milieueffectrapport.
Structuurvisie
Op grond van respectievelijk art. 2.1, 2.2 en 2.3 Wro moeten gemeente, provincie en rijk voor het gehele grondgebied een of meer structuurvisies maken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Deze structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling voor dat gebied. Daarnaast kunnen structuurvisies worden gemaakt voor specifieke aspecten van het ruimtelijk beleid, bijvoorbeeld recreatie.
Bestemmingsplan
Op grond van art. 3.1 Wro stelt de gemeente één of meer bestemmingsplannen op waarin ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangegeven. De provincie en het rijk kunnen, indien er sprake is van provinciale of nationale belangen, ervoor kiezen om door middel van een inpassingsplan zelf de bestemming van gronden te regelen.
Omgevingsvergunning
Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn alle toestemmingen, waarmee een afwijking van een bestemmingsplan kan worden geregeld, in de Wro vervallen en overgegaan naar de Wabo als een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. De ruimtelijke omgevingsvergunningen die in het kader van de milieueffectrapportage relevant zijn, zijn de besluiten waarmee met toepassing van art. 2.12 lid 1 onder a onder 3o Wabo of art. 2.12 lid 2 Wabo, wordt afgeweken van het bestemmingsplan (het oude projectbesluit artikel 3.10 Wro en de tijdelijke ontheffing artikel 3.22 Wro).

