Cultuurhistorie
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: Cultuurhistorie
Binnen de ruimtelijke ordening wordt cultuurhistorie over het algemeen geassocieerd met de gebouwde omgeving, zoals monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten, maar ook met archeologische waarden. Naast deze cultuurhistorische elementen is er de laatste jaren steeds meer aandacht gekomen voor landschappelijke structuren, ofwel het historisch cultuurlandschap en de historische geografie. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
Met het uitkomen van de Nota Belverdere (1999) is er een verschuiving gekomen in de rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. De Nota Belvedère met het motto ‘behoud door ontwikkeling' heeft er voor gezorgd dat cultuurhistorie binnen de ruimtelijke ordening niet langer wordt behouden via bescherming. Het wordt behouden door het historische element een nieuwe functie te geven. Daarnaast wordt de cultuurhistorie benoemd als inspiratiebron voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van bestemmingsplannen, en ook in het kader van de milieueffectrapportage is de cultuurhistorie een mede te onderzoeken aspect. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. Vanwege de nauwe relatie tussen de historisch (steden)bouwkundige, archeologische en geomorfologische waarden worden deze drie thema's in de praktijk vaak gezamenlijk behandeld.
Het behouden en ontwikkelen van cultuurhistorie is een zaak waarbij veel verschillende partijen betrokken zijn:
- Op nationaal niveau bestaat het vigerende beleid uit de Nota Belverdere, de Nota Ruimte en de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet 1988 geeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de bevoegdheid om op verzoek van belanghebbenden onroerend goed een beschermde status te geven. In een aantal gevallen heeft de minster van OCW ook beslissingsbevoegdheid over aangevraagde vergunningen, bijvoorbeeld bij archeologische monumenten of monumenten die in gebruik zijn door het ministerie van Defensie.
- Op regionaal niveau zorgen de provincies voor doorvertaling van het nationale beleid.
- De gemeente is op lokaal niveau een belangrijke partij. Zij zijn het bevoegd gezag in de uitvoering van de Monumentenwet 1988 en zijn verantwoordelijk voor het opstellen van een beschermend bestemmingsplan voor bijvoorbeeld beschermde stads- en dorpsgezichten. Burgemeester en wethouders behandelen de aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die betrekking heeft op het aanpassen van een monument.
- Particuliere eigenaren van monumenten spelen op lokaal niveau een belangrijke rol bij het behoud van cultuurhistorische waarden.
Al deze groepen kunnen er voor zorgen dat bijzondere perioden in de ontwikkeling van de menselijke geschiedenis behouden blijven.
Verwijzingen
- Nota Belvedère, Ministeries van OCW, LNV, VROM en V&W, juli 1999.
- Nota Ruimte
- Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg
- Monumentenwet, 23 december 1988.
- Wet op de archeologische monumentenzorg, 1 september 2007.
- Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
- Wet milieubeheer
- Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
- Website van Unesco

