Glastuinbouw en boomgaarden
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: Glastuinbouw en boomgaarden
Glastuinbouw
De belangrijkste milieueffecten van de glastuinbouw zijn mogelijke lichthinder, geluidhinder, de opslag en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en het lozen van afvalwater op oppervlakte water en of riool. In het algemeen is voor glastuinbouw het Besluit glastuinbouw van toepassing.
Het Besluit glastuinbouw geeft afstanden aan tot diverse bestemmingen (gevoelige objecten en individuele woningen van derden). Voor nieuwe glastuinbouw locaties geldt bijvoorbeeld een indicatieve afstand van 25 meter tot woningen van derden en 50 meter tot aaneengesloten woonbebouwing. Zijn de werkelijke afstanden korter dan is het bedrijf omgevingsvergunningplichtig op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In de omgevingsvergunning van het bedrijf moet dan aandacht worden besteed aan de diverse milieueffecten (o.a. licht- en geluidshinder en de ‘drift’ van chemische gewasbeschermingsmiddelen vanuit de kassen naar de omgeving) (zie ABRvS, 28 maart 2007, nr. 200604369/1 en ABRvS, 17 oktober 2007, nr. 200507770/1).
Voor reeds bestaande situaties zijn in het besluit kortere afstanden opgenomen.
Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, kunnen de afstanden voor nieuwbouwsituaties uit het Besluit glastuinbouw worden toegepast. Wel moet de gehanteerde afstand tussen deze type inrichtingen en (gevoelige) objecten van derden goed gemotiveerd worden (zie bijvoorbeeld ABRvS, 13 oktober 2004, 200401685/1).
Boomgaarden
De belangrijkste milieueffecten vanuit boomgaarden zijn het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen, geluidhinder (tijdens werkzaamheden) en het lozen van afvalwater. Een juridisch belangrijk aspect is dat boomgaarden in principe geen onderdeel uitmaken van een inrichting. Voor de ruimtelijke ordening is het mogelijk gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in een boomgaard het belangrijkste aandachtspunt.
Het aantal behandelingen met chemische gewasbeschermingsmiddelen is overigens afhankelijk van diverse omstandigheden en ziektedruk en kan oplopen tot ±20 maal per seizoen. Bij toepassing van chemische gewasbeschermingsmiddelen worden deze veelal onder hoge druk in de bomen gespoten. Hierdoor kan gemakkelijk verspreiding optreden: de zogenaamde drift. De drift kan tientallen meters bedragen en is afhankelijk van:
- de weersgesteldheid (windsnelheid);
- toedieningtechnieken;
- de omgeving (beplanting).
Windstil weer kan niet altijd worden afgewacht in verband met ziekterisico’s. Door bijzondere maatregelen met betrekking tot de spuittechniek, het spuitregime en de afscherming wordt de driftafstand verkleind. Afschermende beplanting heeft een variabele bescherming. Bespuitingen beginnen vaak al voordat de afschermende beplanting in blad staat. En bespuitingen hoeven niet op te houden als de beplanting het blad weer heeft verloren.
Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, is een ruimtelijke scheiding ten opzichte van gevoelige bestemmingen als woningbouw nodig. Uit een uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak RvS (ABRvS, 23 februari 2005, nr. 200401868/1) valt af te leiden dat een afstand van 100 m tussen (traditionele) fruitboomgaarden en gevoelige bestemmingen wenselijk is. Voor individuele woningen van derden wordt over het algemeen een afstand van 50 m aangehouden (zie ABRvS, 14 februari 2007, nr. 200604539/1 en ABRvS, 15 augustus 2007, nr. 200605022/1).
Voor biologische boomgaarden zou geen ruimtelijke zonering nodig hoeven zijn. Een probleem is echter dat bij verandering van eigenaar ook de beschermingsmethodiek voor ziekten en plagen kan veranderen. En er kunnen geen inrichtingseisen aan de boomgaard worden opgehangen.
De uiteindelijk gekozen afstand tussen deze type inrichtingen en (gevoelige) objecten van derden moet goed gemotiveerd worden (ABRvS, 15 augustus 2007, nr. 200605022/1).

