Windhinder

Windhinder

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: Windhinder

Essentie

In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling noodzakelijk.

  • gebouwen hoger dan 30 meter → windonderzoek is noodzakelijk
  • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 m → deskundige beoordeelt of windonderzoek noodzakelijk is
  • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 m → deskundige beoordeelt of windonderzoek noodzakelijk is

Toelichting

Naast nuttig (windenergie) kan wind ook hinderlijk of zelfs gevaarlijk zijn. De mate van wind bepaalt mede of er sprake is van windhinder of niet. Windhinder is meer dan “tegenwind” voor fietsers of voetgangers. Sociale en economische effecten van windhinder zijn vooral voor activiteitengebieden zoals terrassen van belang. Afhankelijk van de temperatuur, de door mensen gedragen kleding en hun activiteiten is er een relatie met de verschillende windsnelheden te geven welke de behaaglijkheid uitdrukt. Recreatieve plekken worden gemeden als het gemiddelde windklimaat er te wensen overlaat. Dit betekent dat de aantrekkingskracht van gebieden mede afhankelijk is van het gemiddelde windklimaat.

Windhinder treedt op rondom hoge gebouwen. Hier is sprake van verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam kunnen maken. Op grond van onderzoek (computeranimatie of windtunnelonderzoek) kan vooraf worden vastgesteld of bij een bepaald stedenbouwkundig ontwerp windhinder zal optreden en zo ja, welke maatregelen kunnen worden getroffen om windhinder te voorkomen of te beperken. Een dergelijk onderzoek is met name in geval van hoogbouw gewenst. Ter voorkoming van windhinder kan bijvoorbeeld de openbare ruimte tussen hoge gebouwen worden overkapt. Ook het overdekken van winkelcentra onder hoogbouw is een goede oplossing.

Beleid, wet- en regelgeving

In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in art. 3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling noodzakelijk.

Tot 2006 waren er een aantal verschillende beoordelingsmethodieken om windhinder en windgevaar in kaart te brengen, elk met hun eigen grootheden en hun eigen normen (“de Haagse norm”, uitgaande van jaargemiddelde windsnelheden, de TNO-norm, uitgaande van uurgemiddelde snelheden, en de SBR 65/SBR 90, uitgaande van windhinderdagen).

In de in 2006 uitgekomen NEN 8100 wordt gewerkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed).

In deze norm is een beslismodel weergeven wanneer een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn:

  • gebouwen hoger dan 30 meter → windonderzoek
  • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 m → deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is
  • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 m → deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is

Verwijzingen

NEN 8100, 2006 nl; Windhinder en windgevaar in de bebouwde omgeving

leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil