2.3 Beleid, wet- en regelgeving

2.3 Beleid, wet- en regelgeving

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: 2.3 Beleid, wet- en regelgeving

In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen, zoals die wel bestaat voor geluidhinder (Wet geluidhinder). Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is in de afwegingen. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarin de zorg voor een goede ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. Dit is mogelijk met behulp van de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen".

SBR-richtlijn

In 2002 is door SBR, kennisinstituut voor de bouw, de "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen", uitgegeven. Deze richtlijn bestaat uit drie delen:

  • Deel A, Schade aan gebouwen
  • Deel B, Hinder voor personen in gebouwen
  • Deel C, Storing aan apparatuur.

Deze richtlijn sluit grotendeels aan bij internationale richtlijnen (Duitse norm DIN 4150, ISO 2631/2). Er wordt in deze richtlijn veel aandacht besteed aan het meten van trillingen. Over het algemeen wordt dan ook verwezen naar deze richtlijn wanneer een trillingsonderzoek is voorgeschreven en uitgevoerd. Naast aandacht voor de meting van trilling bevat de richtlijn ook een beoordelingssystematiek.

De richtlijnen hebben uitsluitend betrekking op trillingen van buiten het gebouw. Dat impliceert ook dat trillingen uitsluitend via de ondergrond en de funderingen het gebouw bereiken. Dat is tevens het beoordelingscriterium voor deel A. Bij deel B worden trillingen gemeten op vloeren, omdat daar de hinder optreedt.

Overigens komt het nogal eens voor dat wat door bewoners als trilling wordt ervaren in werkelijkheid laagfrequent geluid is. Hiervoor gelden de richtlijnen niet.

Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximaal optredende trillingsniveau en het gemiddeld trillingsniveau, analoog aan respectievelijk het maximale geluidsniveau en het langtijd gemiddeld geluidsniveau bij de beoordeling van geluid. Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (wonen, onderwijs ed.) staan in de richtlijn grens- en streefwaarden voor maximaal optredende trillingsniveaus en gemiddelde trillingsniveaus.

Voor schade aan gebouwen zijn grenswaarden opgenomen. Overschrijding van deze waarden wordt beoordeeld als een onacceptabele kans op schade. Daarmee is niet gezegd dat er ook schade optreedt. Evenmin is gegarandeerd dat er geen schade op zal treden wanneer de metingen onder de grenswaarden blijven.

Voor hinder voor personen in gebouwen gelden streefwaarden. Overschrijding leidt tot een reële kans op hinder. Hoewel de waarden internationaal gezien redelijk streng zijn zullen er nog steeds mensen de trillingen onder de streefwaarden als hinderlijk kunnen  ervaren.

Nieuwe, bestaande of gewijzigde situaties

In de beoordeling van trillingshinder moet in het algemeen onderscheid worden gemaakt naar bestaande, te wijzigen of gewijzigde en nieuwe situaties.

Bij bestaande situaties moet het bestaande trillingsniveau worden geaccepteerd en kunnen de veroorzaker normaal gesproken geen (aanvullende) eisen worden opgelegd. Voor te wijzigen situatie is het uitgangspunt dat de gewijzigde situatie geen overschrijding van de grens- of streefwaarden mag opleveren. Indien er al sprake was van overschrijding geldt dat de situatie niet mag verslechteren. Ten slotte geldt voor nieuwe situaties dat de grens- of streefwaarden niet zouden mogen worden overschreden. In de laatste twee situaties zal het aanwezige trillingsniveau vooraf moeten worden vastgesteld.

Nieuwe situaties

In nieuwe situaties kunnen geen metingen worden uitgevoerd. In situaties waarbij overschrijdingen van de grens- of streefwaarden zijn te verwachten, wordt gebruik gemaakt van modelberekeningen, analoog aan geluid. Anders dan bij geluid, hebben de uitkomsten van deze berekeningen een sterk indicatief karakter. De belangrijkste reden daarvoor is vaak de ontbrekende informatie over de precieze opbouw van de bodem. De lokale kenmerken van de bodem (soort (onder-) grond, lagenstructuur, grondwaterstand en dergelijke) en de specifieke gebouweigenschappen zijn sterk van invloed op de overdracht van de trillingen door de bodem.

Meestal wordt eerst een indicatieve beoordeling uitgevoerd om op basis van beschikbare gegevens over bron (sterkte), overdracht (afstand) en ontvanger (kenmerken woning) een kwalitatief oordeel te geven over de verwachte trillingshinder of -schade.

Weg- en railverkeer

Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden. Als een voertuig over een oneffen wegdek rijdt, wordt de weg als het ware voor korte tijd vervormd, waarna het weer terugkeert in haar bestaande vorm. Bij het passeren van vooral zware voertuigen (vrachtwagens, bussen) worden trillingen opgewekt met een kortdurend karakter. In het verkeer kan een verkeersdrempel zorgen voor extra trillingen.

Ook bij het treinverkeer is de snelheid een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de treineigenschappen (o.a. belading) en de interactie van de trein met de onderconstructie van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem).

Bij bestaande trillingsbronnen (wegen en spoorwegen) kan op basis van de SBR-richtlijn onderzoek gedaan worden naar de reikwijdte van de desbetreffende trillingsbron. Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Buiten dit gebied treden vrijwel nooit voelbare trillingen op.
In deel B van de SBR-richtlijn zijn specifieke richt- en streefwaarden opgenomen voor de beoordeling van trillingshinder door weg- en railverkeer.

Industriële activiteiten

Onder de noemer industriële activiteiten valt een variëteit van trillingsbronnen met allerlei zeer verschillende trillingskenmerken:

  • stansmachines
  • draaiende motoren (met een bepaalde onbalans)
  • heftrucks, of ander rijdend materieel op een oneffen ondergrond
  • Storten van zware materialen op vloeren of bodems.

Voor bestaande industriële trillingsbronnen kan op basis van de SBR-richtlijn onderzoek gedaan worden naar de reikwijdte van de desbetreffende trillingsbron. Op afstanden groter dan 250 meter van de trillingsbron treden vrijwel nooit goed voelbare trillingen op.

Bij de beoordeling van een woon – en leefklimaat met betrekking tot trillingen bij woningen door industriële activiteiten kunnen de desbetreffende streefwaarden uit de SBR-richtlijn B gehanteerd worden. Naar dit toetsingskader wordt bijvoorbeeld sinds kort in het Besluit landbouw en het Activiteitenbesluit verwezen.

Naast het toetsingskader uit de SBR-richtlijn is er voor de beoordeling van trillingshinder bij woningen door industriële activiteiten nog een ander toetsingskader beschikbaar. Dit andere toetsingskader, vastgelegd in paragraaf 6.3.4 van de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening, is ontwikkeld voor de beoordeling van trillingshinder bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een vergunningplichtige inrichting . Dit toetsingskader is net als de SBR-richtlijn gebaseerd op het maximale trillingsniveau en het energetisch gemiddelde trillingsniveau. Er zijn, in tegenstelling tot de SBR-richtlijn, echter richt- en grenswaarden opgesteld gericht op vijf verschillende gebiedstyperingen.

Beide toetsingskaders zijn door Raad van State in het kader van vergunningverlening geaccepteerd; de keuze voor een bepaald toetsingskader hoort bij de beoordelingsvrijheid van het bevoegd gezag. Zie ook ABRvS 9 oktober 2002, nr. 200104793/1. Echter, de richt en grenswaarden behorende bij de gebiedstypering 4 en 5 uit de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening zijn volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak onvoldoende onderbouwd, ABRvS 12 december 2001, nr. 200005338/1).

 

leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil