3.3.2 Beleid

3.3.2 Beleid

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: 3.3.2 Beleid

Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen:

  • het beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en
  • het voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreinigingen.

In het eerste spoor spelen de verlening van een omgevingsvergunning voor vergunningpichtige inrichtingen en bronbeleid een grote rol. Voor het tweede spoor is het bestemmingsplan in relatie met toetsing aan de milieukwaliteitsnormen een belangrijk instrument (mede in het kader van een goede ruimtelijke ordening).

Emissie

De emissie door industriële bronnen is de laatste decennia aanzienlijk afgenomen, maar is in grote industriegebieden nog zeker een bron van betekenis. Ook grote industriële bronnen in het buitenland kunnen invloed hebben op de luchtkwaliteit in Nederland. Om de emissie door deze bronnen te beperken, is de uitstoot van bepaalde stoffen aan een maximum gebonden. Deze maximale uitstoot wordt vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de vergunningplichtige inrichting. De maximale uitstoot van verontreinigende stoffen door de industrie is vastgelegd in de Nederlandse Emissie Richtlijn (NeR, 2000). Voor de meeste stoffen waarvoor grenswaarden zijn gesteld in afdeling 5.2 Wm geldt de NeR ook. Overigens is er jurisprudentie die aangeeft dat het voldoen aan de NeR niet automatisch betekent dat een onderzoek naar de concentratie in de buitenlucht niet hoeft plaats te vinden (Uitspraak ABRvS d.d.10-08-2005, nr. 200407698/1 (Wageningen)).

De beperking van de uitstoot door verkeer wordt veelal op Europees niveau geregeld, bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de kwaliteit van brandstof of emissie-eisen te stellen aan motorvoertuigen. De uitstoot per voertuig is de laatste jaren sterk afgenomen, maar dit effect wordt deels teniet gedaan door de enorme groei van het wagenpark. Hierdoor kan het nodig zijn om op lokaal niveau maatregelen te treffen die de emissies beperken, zoals het instellen van milieuzones of het beperken van het verkeersvolume (zie ook paragraaf 3.4 ‘maatregelen’).

Blootstelling

Om ongewenste effecten op de gezondheid en ecosystemen te voorkomen, is in september 1996 de kaderrichtlijn voor luchtkwaliteit door de EU vastgesteld. Deze kaderrichtlijn vormt de basis voor de bijbehorende dochterrichtlijnen. Daarin zijn voor de specifieke luchtverontreinigende stoffen grens- en richtwaarden opgenomen. De grenswaarden zijn vastgesteld om inwoners te beschermen tegen blootstelling aan hoge concentraties stoffen die de gezondheid schaden. Titel 5.2 Wm heeft tot doel om ontwikkelingen zodanig te laten plaatsvinden dat blootstelling aan grenswaardenoverschrijdingen wordt tegengegaan en verholpen. Tenslotte zal de verplichting tot het nastreven van een goede ruimtelijke ordening reden zijn om de blootstelling zoveel mogelijk te beperken, zie ook paragraaf 3.3.1.

 

leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil