4.1 Essentie

4.1 Essentie

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: 4.1 Essentie

Kunstmatige verlichting komt voor bij (autosnel)wegen, fietspaden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden e.d.). In essentie worden de negatieve effecten door lichthinder bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier. Bij de mens ligt dit nog iets ingewikkelder dan bij dieren. Juist omdat de mens verlichting gebruikt om activiteiten te ontplooien waarbij het goed kunnen zien belangrijk is.

Hinder bij mensen komt doordat men zich soms niet kan onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, bijvoorbeeld vanwege ploegendienst, (straat)verlichting voor het huis c.q. slaapkamer en kunstmatige verlichting buiten het van nature aanwezige licht. Dit terwijl de mens in kwestie dit wel graag zou doen. Bijvoorbeeld om te kunnen uitrusten. De afwezigheid van (kunst)licht lijkt een essentiële rol te spelen bij dit "uitrusten".

De kans dat er negatieve effecten door kunstlicht ontstaan blijkt bij mens en dier te worden veroorzaakt door vrijwel dezelfde soort omstandigheden. U vindt hier een tabel waaruit dit naar voren komt. In deze tabel is gekeken naar verstoring van bioritmen, directe reacties (hinder, afstoting, aantrekking, verblinding) en ontregeling van de oriëntatie bij dieren.

Op deze pagina komen de volgende onderwerpen verder aan bod:

Relatief risicovolle locaties voor mensen en dieren

Effectafstanden

Preventie en mitigratie

Relatief risicovolle locaties voor mensen en dieren

Relatief risicovolle locaties zijn wat dieren betreft niet veel anders dan bij mensen. Het verschil is dat juridisch gezien er feitelijk meer rekening gehouden moet worden met dieren. Hieronder zijn de wettelijke beschermingsmogelijkheden en de te beschermen gebieden overzichtelijk weergegeven.

Juridisch en inhoudelijk:

  • Habitat- en Vogelrichtlijngebied
  • De Ecologische Hoofdstructuur (kerngebieden, ontwikkelingsgebieden en verbindingszones)
  • Natuurreservaten en Nationale Parken
  • Gebieden met Rode-Lijstsoorten
  • Gebieden met planologisch erkende natuurwaarden
  • Wet milieubeheer (o.a. Activiteitenbesluit en Besluit glastuinbouw)
  • Bestemmingsplan (Wet ruimtelijke ordening) onder andere voor de vastlegging van de beschikbare ruimte voor de mens en de hiervoor genoemde natuurgebieden

Inhoudelijk, in aanvulling, zowel voor de verstoring van bioritmen door verlichting als voor directe reacties op verlichting (hinder, afstoting, aantrekking, verbinding):

  • Open gebieden
  • Gevarieerde, kleinschalige landschappen, in het bijzonder die met lokale vochtige biotopen, en die met structuren (heggen, houtwallen, sloten e.d.) welke als verplaatsingsroutes voor de fauna fungeren
  • het landelijke gebied
  • Specifieke woonwijken (o.a. voor de mens)

Wat ontregeling van de oriëntatie aangaat, komt hier nog bij:

  • Migratiebanen van vogels
  • Seizoensmigratie (stuwing langs de kust, maar ook in het buitenland langs grootschalige landschappelijk-geomorfologische structuren)
  • Dagelijkse pendelbewegingen (aan de kust en in het binnenland, tussen foerageergebieden en broed-, slaap- en overtijingsplaatsen)
  • Trekroutes van salamanders en padden.
     

Effectafstanden

In het voorgaande ontbreekt een voor de praktijk essentieel gegeven. Dat is de schaal waarop effecten zich kunnen manifesteren: de effectafstand.

Over effectafstanden is nog relatief weinig bekend. Dat is ook niet verbazend. Het zal duidelijk zijn dat die afstand afhankelijk is van een complex van variabelen:

  • de kenmerken van de verlichting (zoals verlichtingsintensiteit, spectrale samenstelling, vorm van de armatuur, etc.)
  • de situatie waarin de verlichting plaats vindt (de transparantie van het landschap)
  • het dier/mens.

In de onderzoekliteratuur worden tot dusverre effectstanden van honderden meters gemeld. Voor bijvoorbeeld de afstotende werking van moderne, UV- en blauwwarme wegverlichting:

  • op broedende grutto’s omstreeks 300 meter, en op termijn vermoedelijk meer
  • op amfibieën tot enkele honderden meters
  • op insecten honderden meters tot meer dan een kilometer
  • voor de aantrekkende werking op terrestrische zoogdieren (bunzing, hermelijn, vos) in elk geval meer dan 100 meter.

De hinder van de oppervlaktehelderheid van sterke lichten (inkijk) kan zelfs vele kilometers ver reiken. Voor de zichtbaarheid en effecten van air glow (boven bijvoorbeeld kassen en industrieterreinen) geldt eveneens dat deze afhankelijk van de weersomstandigheden vele kilometers ver reikt (Alterra-rapport 778, Molennaar J.G. de, 2003).

Preventie en mitigratie

Uitgangspunt bij preventie en mitigratie is: verlicht niet als het niet nodig is, dus alleen als er geen alternatieven zijn.

Bij gebruik van verlichting:

  • scherm de lichtbron af, zodat deze niet direct zichtbaar is
  • verlicht alleen met geringe oppervlakte helderheid van de lichtbron
  • gebruik alleen betrekkelijk langgolvig licht
  • gebruik bij verlichting niet meer licht dan nodig is: verlicht alleen wat verlicht moet worden en zolang als het verlicht moet worden
  • vermijd de risicogebieden.

Bij de regels voor preventie en mitigratie speelt ook energiebesparing een rol. Niet verlichten kost geen energie en dus geen geld; bij alternatieve verlichting kun je energie besparen. De besparing is dan afhankelijk van de situatie.

N.B. Verlichtingskunde is een wetenschap op zich. Een alternatief is niet altijd een andere lamp. Per situatie moet beoordeeld worden wat de functie van licht ter plekke is en of lichtspreiding nodig is of niet. Vooral voor de situatie binnenshuis is lichtspreiding een vereiste teneinde een egaal verlichtingsniveau te kunnen bereiken. De Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (NSVV) heeft hier meer informatie over.

 

leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil