4.3 Beleid, wet- en regelgeving

4.3 Beleid, wet- en regelgeving

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: 4.3 Beleid, wet- en regelgeving

Op deze pagina wordt een overzicht gegeven van de wetgeving, beleid en aanwezige richtlijnen waarmee men te maken heeft bij het toepassen van (kunst)licht.

4.3.1 Wetgeving

Strikte normen met afstandsbepalingen zijn niet voorhanden. De regelgeving die voorhanden of in voorbereiding is, richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht.

Specifiek voor bestemmingsplannen is voor sommige activiteiten Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer nog van toepassing. Bijvoorbeeld voor grote projecten waarbij lichthinder kan ontstaan, is (kunst)licht een van de milieuaspecten waarop het een en ander moet worden afgewogen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan (auto)wegen, grote oppervlakten met kassen, grote woningbouw projecten, stadsontwikkelingsprojecten of industrie gebieden.

Zie hiervoor het onderdeel milieu-effectrapportage.

Voor vergunningplichtige bedrijven geldt in het algemeen dat zij niet mogen bestaan zonder omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen ogevingsrecht (2.1 lid 1 onder e Wabo). Eventuele hinder door kunstverlichting van een bedrijf is dan geregeld via een omgevingsvergunning. In plaats van een omgevingsvergunning kan ook een Algemene Maatregel van Bestuur gelden voor een bedrijf (8.40 Wet milieubeheer). Dit houdt concreet in dat voor een aantal bedrijven van rechtswege het een en ander (onder andere lichthinder) geregeld is.

Specifieke regels over kunstlicht zijn opgenomen in:

  • het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
  • het Besluit glastuinbouw
  • het Besluit landbouw milieubeheer.

Deze algemene regels gelden dus naast wat geregeld is in een bestemmingsplan.

De strekking van de voorschriften is dan als volgt:

  • lichthinder wordt voorkomen en als dat echt niet mogelijk is wordt het tot een aanvaardbaar niveau beperkt
  • de verlichting van gebouwen en van open terrein(en) van de inrichting, inclusief de verlichting ten behoeve van reclamedoeleinden, wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van woningen wordt voorkomen
  • gedurende een specifiek tijdspad is de verlichting uit of niet-zichtbaar (bijvoorbeeld bij assimilatiebelichting en verlichting bij sportvelden e.d.)
  • naast de omgevingsvergunningplicht op grond van de Wabo is er mogelijk ook nog een vergunningplicht op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Zeer kort samengevat is een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig als voor een activiteit significant negatieve gevolgen worden verwacht. Als beide vergunningplichten gelden voor één project, dan moet de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Natuurbeschermingswet 1998 moet in dat geval een verklaring van geen bedenkingen afgeven die wordt opgenomen in de omgevingsvergunning. In deze situatie mag de activiteit niet zonder omgevingsvergunning met ingevoegde verklaring van geen bedenkingen worden uitgevoerd. 
  • hoe de Natuurbeschermingswet 1998 specifiek werkt wordt in een apart hoofdstuk uitgelegd.

Op dit moment is ten aanzien van onder andere de voorschriften over assimilatiebelichting een wijziging van het Besluit glastuinbouw in procedure. Concepten zijn nog niet vrijgegeven.

4.3.2 Beleid

Het beleid ten aanzien van licht is opgenomen in:

  • Nota ruimte; ruimte voor ontwikkeling, deel 4
  • Natuur voor mensen, mensen voor natuur; nota natuur, bos en landschap in de 21e eeuw
  • Meerjarenprogramma vitaal platteland (mjp)

Marktpartijen, provincies en gemeenten en de minister van VROM maken afspraken in het kader van de taskforce verlichting.

Samengevat komt de kern van het beleid ten aanzien van licht neer op het volgende:

Donkerte hoort samen met onder andere rust en ruimte tot een van de kernkwaliteiten van het landschap onder het kopje belevingskwaliteit.
Het rijksbeleid is gericht op het in beeld brengen, realiseren en veiligstellen van de gewenste leefomgevingkwaliteit door het terugdringen van verstoring door activiteiten op het platteland (geluid, licht, stank).
Het rijksbeleid is erop gericht energiezuinige (straat)verlichting bij gemeenten en provincies te bevorderen met behoud van kwaliteit en (verkeers)veiligheid.

4.3.3 Richtlijnen

Voor het gebruik van verlichting in de openbare ruimte is voor een beperkt aantal onderwerpen een aantal specifieke richtlijnen en aanbevelingen opgesteld. Een overzicht is opgenomen in 4.5 Verwijzingen.

leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil