5.3.2 Wet-en regelgeving

5.3.2 Wet-en regelgeving

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: 5.3.2 Wet-en regelgeving

In Nederland is er geen wetgeving voor geur van bedrijven, met uitzondering van veehouderijen
Voor een aantal bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen zijn er verplichtingen ten aanzien van te treffen maatregelen. Voor vergunningplichtige bedrijven is in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) een systematiek opgenomen voor het beoordelen van geursituaties, de hindersystematiek geur, en worden in bijzondere regelingen per branche toetsingskaders gesteld. De NeR is een richtlijn waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, in voorkomende gevallen kan een strengere of minder strenge norm worden gehanteerd.

Voor de meeste bedrijven is er geen algemeen geldende geurnorm: niet voor de maximale geuremissie en niet voor de maximaal toegestane geurbelasting van de omgeving. Een beoordeling van de situatie richt zich dan ook op het bepalen van het acceptabele hinderniveau voor die specifieke situatie. Het bevoegd gezag stelt uiteindelijk de maximaal toelaatbare geurbelasting in de omgeving vast. Om het bevoegd gezag te ondersteunen bij het maken van een uniforme afweging is er voor verschillende sectoren en bedrijfstakken een generiek toetsingskader geformuleerd. Deze toetsingskaders zijn opgenomen in bijzondere regelingen in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR). Voor de bedrijven die vallen onder het Activiteitenbesluit zijn in dat besluit regels gesteld, vooral in de vorm van geurbeperkende maatregelen. Indien dit noodzakelijk wordt geacht in verband met optredende hinder kan het bevoegd gezag zogenaamde maatwerkvoorschriften opleggen. Voor het opleggen van deze maatwerkvoorschriften wordt verwezen naar de hindersystematiek uit de NeR. Lokale overheden zijn bevoegd om een eigen beleid op te stellen voor geur. Een aantal provincies en gemeenten heeft hieraan invulling gegeven.

Wettelijk verplicht is dat bij het velenen van een omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen wordt getoetst of een bedrijf de Beste Beschikbare Technieken (BBT) toepast voor het verminderen van de uitstoot van geur. Er is een actualiseringsplicht voor de vergunningen en de plicht om BBT in te zetten. Op grond daarvan kun je bestaande bedrijven dwingen tot het toepassen van betere maatregelen. Dit kan gevolgen hebben voor de lokale geursituatie. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan kan de geurinvloed van bedrijven soms worden teruggebracht op grond van de plicht om BBT toe te passen. Dit is vaak wel een tijdrovende en/of kostbare aanpak.
Het begrip BBT is in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgenomen ter implementatie van de Europese richtlijn Integrated Pollution Prevention and Control (IPPC-richtlijn). De Ministeriële regeling omgevingsrecht geeft in bijlage I een overzicht van documenten die ten minste betrokken moeten worden bij het bepalen van BBT. In deze regeling is de NeR opgenomen

Als bij het voorbereiden/opstellen van ruimtelijke plannen een indicatie moet worden verkregen van de minimaal te hanteren afstand tussen een (stankveroorzakende) industrie en een kwetsbare bestemming, kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering.

Onderstaand wordt nader ingegaan op de hindersystematiek geur en een aantal bijzondere regelingen.

Richtlijnen voor vergunningverlening

NeR algemeen
In de paragrafen 2.9 en 3.6 van de NeR is een systematiek opgenomen waarmee voor individuele bedrijven het acceptabele hinderniveau kan worden vastgesteld. Hiervoor worden onder meer de volgende stappen doorlopen:

  • In beeld brengen geurveroorzakende bedrijven (bestaand en gepland). De geuremissie van een bedrijf kan door middel van metingen of op basis van kengetallen worden vastgesteld.
  • In beeld brengen geurgevoelige bestemmingen (bestaand en gepland).
  • Verspreiding van de geur naar de omgeving berekenen. De geurbelasting van de omgeving kan worden berekend met een verspreidingsmodel, op basis van onder meer de geuremissie van het bedrijf. Deze geurbelasting kan worden weergegeven als geurcontouren.
  • Inventariseren welke maatregelen de bedrijven toepassen en in hoeverre deze aan BBT voldoen.
  • Vaststellen welk hinderniveau acceptabel is. Welke geurbelasting nog toelaatbaar is, hangt onder meer af van het type geur (de geur van GFT-afval is minder aangenaam dan van vers brood), de omgeving (een vislucht hoort, tot een bepaald niveau, bij een vissershaven), de hoeveelheid klachten en hinder, de mogelijkheden om de geurbelasting te verminderen, de historische situatie van het bedrijf en de gewenste toekomstige ontwikkelingen.
  • Zonodig nemen van aanvullende maatregelen: reductie van de uitstoot van geur en/of verbetering van de verspreiding en/of vergroten ruimtelijke scheiding tussen bron en geurgevoelige bestemming.

Op basis hiervan bepaalt het bevoegd gezag of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat en wat de gewenste afstand is tussen geurbron en geurgevoelige bestemming. Dit kan bijvoorbeeld worden geformuleerd als: binnen de contour van x ouE/m3 als 98-percentiel mag niet worden gebouwd.

Paragraaf 3.6.2 van de NeR gaat expliciet in op mogelijke onderzoeksmethoden voor geur. Enkele veelvoorkomende methoden zijn: geuremissiemetingen en snuffelploegmetingen (beide om de geuremissie te bepalen), hedonische metingen (om de mate van (on-)aangenaamheid van de geur vast te stellen, die een maat is voor de verwachte hinderlijkheid van de geur), geurhinderonderzoek (hiermee wordt door middel van telefonische enquêtes het aantal gehinderden vastgesteld) en klachtenanalyse. Met behulp van deze methoden kan worden onderzocht welke minimale afstanden moeten worden aangehouden tussen geurgevoelige objecten en bedrijven waarvoor geen generieke normen zijn vastgesteld.

NeR per sector: Bijzondere regelingen
In de NeR zijn voor een aantal specifieke processen bijzondere regelingen opgenomen. De bijzondere regelingen waarin sprake is van normering van de geurbelasting van de omgeving, worden hieronder in alfabetische volgorde kort besproken. Het is in lijn met de NeR om nieuwe geurgevoelige bestemmingen te toetsen aan de normen voor nieuwe situaties.

Asfaltmenginstallaties

Voor asfaltmenginstallaties gelden de volgende maximale concentraties

 

Maximale immissieconcentratie

(ouE/m3)

Percentielwaarde

Nieuwe situaties

Bestaande situaties

Situaties met een lager benodigd beschermingsniveau*

98

1

2

5

99,99

5

10

25

Wanneer de blootstelling groter is dan deze immissieconcentraties wordt de situatie als niet vergunbaar beschouwd.

Beschuit- en banketbakkerijen
Het niveau van 10 ge/m³ als 98-percentiel ter plaatse van te beschermen geurgevoelige objecten moet als richtinggevende waarde worden aangehouden.

Bierbrouwerijen
Voor een nieuwe situatie (van een grote brouwerij) mag de geurconcentratie ter plaatse van geurgevoelige objecten niet meer bedragen dan 3 ge/m³ als 98-percentiel. Wanneer vanwege een bestaande grote brouwerij de geurconcentratie ter plaatse van aaneengesloten woonbebouwing meer bedraagt dan 3 ge/m³ als 98-percentiel, moeten maatregelen worden genomen.

Cacao
In 2010 is de bijzondere regeling voor de cacao-industrie geactualiseerd. In de bijzondere regeling wordt in beginsel een maximale immissieconcentratie van 5 ouE/m3 als 98-percentiel als milieuhygiënische referentiewaarde gehanteerd. Voor nieuwe situaties wordt uitgegaan van een bovengrens van 2,5 ouE/m3 als 98-percentiel.

Compostering van groenafval
Deze regeling is in 2009 geactualiseerd.
Binnen het proces van groencompostering zijn de volgende methoden te onderscheiden:

  • methode A: frequent omzetten met de omzetmachine;
  • methode B: conventionele methode van omzetten met shovel en kraan;
  • methode D: geforceerde beluchting.

Deze methoden brengen meer of minder geurhinder met zich mee. Afhankelijk van de doorzet van het bedrijf geldt of een afstand als acceptabel hinderniveau of een blootstelling concentratie. Voor installaties met een capaciteit tot 20.000 ton/jaar gelden de volgende afstanden. Voor minder te beschermen geurgevoelige objecten (zie NeR §2.9.2) kan worden uitgegaan van de helft van de aangegeven afstanden met een minimum van 100 m.

Doorzet te composteren materiaal

(ton/jaar) 

 Afstand

(m)

 

Methode A

Methode B

Methode D

 0 - 5.000

100 - 200

200 - 400

100

 5.000 - 10.000

200 - 400

400 - 500

100 - 200

 10.000 - 15.000

400 - 600

500 - 750

200 - 300

 15.000 - 20.000

600 - 750

750 - 1100

300 - 400

Voor installaties met een doorzet groter dan 20.000 ton/jaar gelden de volgende maximale immissieconcentraties.

Percentiel

Immissieconcentratie bij geurgevoelige objecten (ouE/m3)

Immissieconcentratie bij minder te beschermen gurgevoelige objecten (ouE/m3)

 98

1,5

4,5

 99,5

3

9

 99,9

6

18

De hiervoor genoemde afstanden gelden voor bestaande situaties. Bij nieuwe situaties moet onderzoek gedaan zijn naar alle mogelijke BBT maatregelen. Het onderzoek dient minimaal in te gaan op de keuze tussen composteringsmethoden, (on)mogelijkheden tot verdere optimalisatie van bedrijfsvoering en toepassing van organisatorische maatregelen. Voor nieuwe situaties worden methoden A en D beschouwd als BBT. Het acceptabel hinderniveau bij nieuwe situaties mag in geen geval de grenswaarde voor bestaande situaties overschrijden.

GFT-compostering
Voor bestaande GFT-composteerbedrijven gelden de volgende afspraken:

  • de geurbelasting ter plaatse van de dichtstbijzijnde woonbebouwing of andere geurgevoelige objecten mag niet meer bedragen dan 6 ge/m³ als 98-percentiel;
  • indien de geurbelasting ter plaatse van de dichtstbijzijnde woonbebouwing of andere geurgevoelige objecten zich tussen 3 ge/m³ als 98-percentiel en 6 ge/m³ als 98-percentiel bevindt, moet uitsluitsel verkregen worden over het al dan niet aanvaardbaar zijn van het hinderniveau.

Voor nieuwe inrichtingen geldt de waarde van 3 ge/m³ als 98-percentiel als bovengrens en een tussengebied van 1-3 ge/m³ als 98-percentiel.

Groenvoerdrogerijen
Een geurbelasting van 5 ge/m³ als 98-percentiel ter plaatse van te beschermen woonbebouwing of andere geurgevoelige objecten mag niet worden overschreden.

Koffiebranderijen
Een geurbelasting van 7 ge/m³ als 98-percentiel mag niet worden overschreden.

Mengvoederfabrieken
Deze regeling is gewijzigd in 2008. Voor bestaande situaties geldt een acceptabel hinderniveau van 1,4 ouE/m3 als 98-percentiel. In een bestaande situatie mag de geurbelasting bij geurgevoelige objecten deze waarde niet overschrijden. Voor nieuwe situaties geldt een het acceptabel hinderniveau van 0,7 ouE/m3 als 98-percentiel. In een nieuwe situatie mag de geurbelasting bij geurgevoelige objecten deze waarde niet overschrijden. Voor minder geurgevoelige objecten kan op grond van lokale overwegingen door het bevoegd gezag een aangepast beschermingsniveau worden gekozen.

Rioolwaterzuiveringsinstallaties
Ter plaatse van de aaneengesloten woonbebouwing, lintbebouwing of andere geurgevoelige objecten dienen de volgende waarden als maximale geurbelasting te worden aangehouden:

  • 1 ge/m³ als 98-percentiel voor nieuwe situaties;
  • 3 ge/m³ als 98-percentiel voor bestaande situaties.

Ter plaatse van verspreid liggende woonbebouwing en van woningen op industrieterreinen dienen de volgende waarden als maximale geurbelasting te worden aangehouden:

  • 2 ge/m³ als 98-percentiel voor nieuwe situaties;
  • 7 ge/m³ als 98-percentiel voor bestaande situaties.

Rioolwaterzuiveringsinstallaties vallen onder de tweede tranche van het Activiteitenbesluit. Hierin zullen de normen voor nieuwe situaties worden opgenomen. Naar verwachting treedt de tweede tranche op 1 januari 2011 in werking.

Slachterijen en vetsmelterijen
Een geurconcentratie van 3 ge/m³ als 98-percentiel mag ter plaatse van de te beschermen objecten niet worden overschreden. Wanneer de geurconcentratie ligt tussen 1,1 en 3 ge/m³ als 98-percentiel dient het bevoegd bestuursorgaan af te wegen of maatregelen ter verdere reductie nodig zijn. Beneden een berekende concentratie van 1,1 ge/m³ als 98-percentiel zijn maatregelen niet noodzakelijk. Laatstgenoemde waarde dient te worden gehanteerd voor nieuwe bedrijven/nieuwe situaties.

Vleeswarenbedrijven
Een geurconcentratieniveau van 5 ge/m³ als 98-percentiel mag ter plaatse van de te beschermen objecten niet worden overschreden. Bij een concentratie tussen 1,9 en 5 ge/m³ als 98-percentiel dient het bevoegd bestuursorgaan af te wegen of maatregelen ter verdere reductie nodig zijn. Beneden een berekende concentratie van 1,9 ge/m³ als 98-percentiel zijn maatregelen niet noodzakelijk. Laatstgenoemde waarde dient te worden gehanteerd voor nieuwe bedrijven/nieuwe situaties.

Overig
Specifiek voor de volgende bedrijfstakken zijn er documenten opgesteld die geraadpleegd kunnen worden bij het beoordelen van het aspect geur:

Mestverwerkingsinstallaties 
Bij de huidige mestverwerkingsinstallaties gaat het vooral om de zogenaamde co-vergisting. De handreiking Co-vergisting van mest (TK 28 385, nr 46) geeft het juridisch kader weer op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu en meststoffen. Hierin wordt aangegeven wanneer co-vergisting een agrarische activiteit is (categorie-indeling) en welk stappenplan kan worden gevolgd voor de ruimtelijke inpasbaarheid van grote co-vergistingsinstallaties. Deze handreiking is een aanvulling en actualisatie van de Richtlijn mestverwerkingsinstallaties die is gericht op andere technieken dan co-vergisting. Op de website van InfoMil zijn beide documenten te raadplegen, evenals enkele factsheets met betrekking tot de technische gegevens van de verschillende technieken.

Activiteitenbesluit
Bij een aantal activiteiten zijn in de ministeriële regeling bij het Activiteitenbesluit een aantal voorschriften gesteld met als doel geurhinder te beperken tot een acceptabel niveau. Indien nodig is bij deze voorschriften in de regeling een specifieke maatwerkmogelijkheid opgenomen. Bij vier activiteiten is er een specifiek voorschrift opgenomen:

  • Rioolgemalen;
  • Parkeergarages;
  • Onderhoud van motorvoertuigen (proefdraaien van motoren) ;
  • Ambachtelijk slachten van dieren.

Bij zeven andere activiteiten is de geuraanpak gericht op gekanaliseerde afgasstromen. In de voorschriften is opgenomen dat de afgasstromen moeten worden behandeld in een doelmatige ontgeuringsinstallatie en/of moeten worden afgevoerd via een verhoogde schoorsteen. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Reinigen, coaten en lijmen van hout, kurk dan wel houten kurken of houtachtige voorwerpen;
  • Reinigen coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten;
  • Reinigen, lijmen en coaten van metalen (inclusief (delen van) motorvoertuigen;
  • Aanbrengen anorganische deklagen op metalen;
  • Zeefdruk;
  • Bereiden van voedingsmiddelen;
  • Slachten van dieren, uitsnijden van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten.
leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil