5.1 Essentie
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 5.1 Essentie
In principe dienen alle geurgevoelige objecten te worden beschermd tegen geuroverlast. Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan zijn voor wat betreft geurhinder van bedrijven de volgende vragen relevant:
-
Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object)
-
Wordt overigens niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen bedrijf en omgeving).
In het algemeen is het zo dat wanneer geurgevoelige objecten op voldoende afstand van bedrijven worden gepland, het woon- en verblijfklimaat als goed wordt aangemerkt en niemand onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Bij het afwegen welke afstand voldoende is, moet rekening worden gehouden met de ligging van de contour behorend bij het acceptabele hinderniveau. Deze contour is echter niet per se een harde grens waarbinnen bouwen niet toelaatbaar is.
Het beoordelingskader voor geur van vergunningplichtige bedrijven is vastgelegd in richtlijnen en heeft dus geen wettelijke status. Op dit punt verschilt geur van bedrijven dan ook van geur van veehouderijen. Voor een aantal bedrijven die vallen onder het Activiteitenbesluit zijn speciefieke voorschriften opgenomen in de zin van te treffen voorzieningen.
De contour van het acceptabele hinderniveau is doorgaans vastgelegd in de omgevingsvergunning voor vergunningplichtinge inrichtingen. Deze contour wordt als volgt bepaald:
- bronnen van geur en geuremissies in beeld brengen
- evaluatie van beste beschikbare technieken
- verspreiding van de geur naar de omgeving berekenen
- bepalen welke geurbelasting acceptabel is op basis van onder meer het type geur, klachten en hinder, de mogelijkheden om de geurbelasting te verminderen en de historische situatie van het bedrijf.
Zoals gezegd is de contour van het acceptabele hinderniveau in de omgevingsvergunning geen harde grens. De afweging van wat acceptabel is, kan voor een ruimtelijk plan anders uitpakken dan bij verlening van een omgevingsvergunning. De criteria zijn voor ruimtelijke ordening en milieuvergunningverlening wel dezelfde: zijn er klachten, hoeveel hinder is er, wat is de historische situatie, welke toekomstige ontwikkelingen zijn er, passen de bedrijven BBT toe, et cetera.

