6.1 Essentie

6.1 Essentie

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: 6.1 Essentie

Bij het voorbereiden en opstellen van een ruimtelijk plan dienen voor wat betreft geurhinder van veehouderijen de volgende vragen te worden beantwoord:

  1. Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object)
  2. Wordt overigens niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

Welke afstand voldoende is, vloeit op grond van de jurisprudentie over de omgekeerde werking voort uit de regelgeving voor geurhinder. In het algemeen is het zo dat wanneer geurgevoelige objecten op voldoende afstand van veehouderijen worden gepland, het woon- en verblijfklimaat als goed wordt aangemerkt en niemand onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Welke afstand voldoende is, wordt bepaald door diverse regelgeving. Voor geur van dierenverblijven geeft de Wet geurhinder en veehouderij ( Wgv) het beoordelingskader. Voor bedrijven die vallen onder het Besluit landbouw milieubeheer gelden de in dit besluit opgenomen afstanden. Mestbassins dienen te voldoen aan het Besluit mestbassins milieubeheer. Voor mestverwerkingsinstallaties en de productie van voer wordt verwezen naar het hoofdstuk 'Geur bedrijven' van deze Handreiking.

Maatregelen om de geursituatie in een gebied te verbeteren, zijn vaak gericht op het creëren van voldoende afstand tussen veehouderij en bewoonde omgeving. 
De Wet geurhinder en veehouderij biedt de mogelijkheid om door middel van een gemeentelijke verordening de geurnormen af te stemmen op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Verder kunnen in het kader van de reconstructie gebieden worden aangewezen met als primaire bestemming veehouderij of juist wonen en recreëren. Anderzijds kunnen de maatregelen ook worden gezocht in technische voorzieningen bij de veehouderij. In dit verband is van belang dat veehouderijen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dienen te voldoen aan de beste beschikbare technieken ( BBT).

De belangen van de veehouderij kunnen worden geschaad als door de bouw van geurgevoelige objecten het bedrijf zijn toekomstplannen niet meer kan uitvoeren. Door te bouwen binnen de geurcirkel van een veehouderij wordt de veehouderij "op slot" gezet. De veehouderij kan niet meer uitbreiden of wijzigingen in de veebezetting realiseren omdat een aanvraag om vergunning op grond van de Wet geurhinder en veehouderij geweigerd zal moeten worden. Bedrijven die onder het Besluit landbouw vielen, worden vanwege het nieuwe geurgevoelige object vergunningplichtig, waarna een vergunning voor uitbreiding op grond van de Wet geurhinder en veehouderij ook niet kan worden verleend. Alleen door het treffen van maatregelen, zoals het verplaatsen van emissiepunten of het plaatsen van een luchtwasser kan een vergunning mogelijk worden verleend.

Uitgangspunt bij het beoordelen van de belangen van de veehouderij is dat wordt uitgegaan van ontwikkelingsmogelijkheden binnen het bouwblok. Getoetst wordt daarom niet ter plaatse van de feitelijke emissiepunten, maar het emissiepunt wordt in beginsel op de rand van het bouwblok gelegd. Als dit leidt tot een knelpunt, dan moet uiteraard worden beoordeeld of een veehouderij daadwerkelijk wordt belemmerd. Mogelijk zijn er voldoende andere mogelijkheden binnen het bouwblok en is er geen sprake van onaanvaardbare belemmeringen voor het bedrijf. Hierbij is tevens van belang dat het niet noodzakelijk is om uit te gaan van onbeperkte ontwikkelingsmogelijkheden van elke veehouderij. Dit is een keuze van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet een belangenafweging maken. Het is mogelijk dat de feitelijke situatie zodanig is, dat het niet aannemelijk is dat een bedrijf nog zal gaan uitbreiden. Feitelijke, lokale of persoonlijke omstandigheden kunnen worden betrokken bij deze belangenafweging.

leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil