6.3.2 Wet-en regelgeving
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 6.3.2 Wet-en regelgeving
Vergunningplichtige veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij. Verder dienen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht beste beschikbare technieken te worden toegepast. Veehouderijen die onder het Besluit landbouw milieubeheer vallen, moeten voldoen aan de in dat besluit genoemde minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten. Het Besluit landbouw milieubeheer geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van veevoeder en mest. Mestbassins dienen te voldoen aan het Besluit mestbassins milieubeheer. Voor mestverwerking en voerproductie wordt verwezen naar het hoofdstuk 'Geur bedrijven' van deze Handreiking. Daarnaast zijn voor geurhinder ook de Milieu-effectrapportage en de Reconstructiewet concentratiegebieden van belang.
WET GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ
De Wet geurhinder en veehouderij ( Wgv) vormt bij verlening van een omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het exclusieve toetsingskader voor de geurbelasting die afkomstig is van dierenverblijven bij veehouderijen.
De Wet geurhinder en veehouderij maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten.
Geurbelasting
Voor dieren met geuremissiefactor wordt de geurbelasting op een geurgevoelig object berekend en getoetst. De geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurbelasting moet worden berekend met het verspreidingsmodel ‘V- Stacks vergunning’ en wordt uitgedrukt in odour units in een volume-eenheid lucht ( ouE/m3). De geurbelasting wordt onder meer bepaald door de geuremissie en door de ligging van de veehouderij ten opzichte van de geurgevoelige objecten.
Verordening
De gemeente kan door middel van een gemeentelijke verordening afwijken van de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij. De geurverordening moet in ieder geval voldoen aan artikel 6 en 8 van de Wet geurhnider en veehouderij. Met het verspreidingsmodel ‘V- Stacks gebied’ kan de achtergrondbelasting aan geur als gevolg van alle veehouderijen samen worden berekend en weergegeven met geurcontouren. Om de andere normen te onderbouwen, is inzicht nodig in zowel de huidige als de toekomstige geursituatie en in de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Jurisprudentie verordening.
Geurgevoelig object
In de Wet geurhinder en veehouderij is een geurgevoelig object gedefinieerd als: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Doordat sprake moet zijn van een gebouw, wordt veel dag- of verblijfsrecreatie niet beschermd tegen geurhinder van veehouderijen. Waar precies de grens ligt van wel of niet permanent of daarmee vergelijkbaar gebruik, is niet geheel duidelijk. Het bevoegd gezag zal dit per situatie moeten beoordelen en motiveren. Jurisprudentie geurgevoelig object.
Bebouwde kom
Omdat voor het beschermingsniveau van belang is of een geurgevoelig object binnen of buiten de bebouwde kom ligt, is het begrip bebouwde kom relevant. Het begrip ‘bebouwde kom' is niet gedefinieerd in de Wgv. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel is vermeld: "De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur." Ook is opgenomen: "De bebouwde kom kan namelijk worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven."
De plaatselijke situatie zal moeten worden beoordeeld om te bepalen of wel of niet sprake is van de bebouwde kom. Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling naast de aard en omvang van het te beoordelen gebied mede de aard van de omgeving en de afstand tot een dorpskern bepalend laat zijn of wel of niet sprake is van bebouwde kom. Jurisprudentie bebouwde kom
Door woningbouw nabij de bebouwde kom kan het zijn dat de grens van de bebouwde kom opschuift en veehouderijen in de omgeving te maken krijgen met strengere normen. Dit is van belang bij de beoordeling van de belangen van de veehouderij.
Beschermingsniveau
Het beschermingsniveau hangt af van de ligging van het geurgevoelig object: binnen of buiten de bebouwde kom en binnen of buiten een concentratiegebied. Daarnaast is van belang of een object al dan niet hoort bij een (voormalige) veehouderij. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel zijn van een veehouderij, of een voormalige veehouderij die na 19 maart 2000 is beëindigd, gelden uitsluitend de minimaal aan te houden afstanden en niet de waarde voor de geurbelasting. Hetzelfde geldt voor een ‘ruimte-voor-ruimte woning/ geurgevoelig object’ als beschreven in artikel 14, tweede lid van de wet.
In alle gevallen moet bovendien worden getoetst of de afstand tussen de buitenzijde van het dierenverblijf en de geurgevoelige objecten voldoet aan de gestelde minimale waarden, de zogenaamde gevel tot gevelafstand.
Overbelaste situatie
Als een vergunning wordt aangevraagd en uit de berekening blijkt dat de waarde van de geurbelasting wordt overschreden, dan is er sprake van een ‘overbelaste’ situatie. De vergunning moet dan worden geweigerd (en, omgekeerd, een ruimtelijk plan kan dan niet zonder meer doorgaan) tenzij:
- de geurbelasting niet toeneemt én het aantal dieren van een of meerdere diercategorieën niet toeneemt, of als
- geurreducerende maatregelen worden getroffen en maximaal de helft van het effect van deze maatregel wordt gebruikt voor uitbreiding of wijziging van het veebestand.
Deze laatste optie werkt twee kanten op: de veehouder heeft mogelijkheden voor uitbreiding en de geurbelasting op het geurgevoelig object neemt af.
Meer informatie
Uitgebreide informatie over de Wet geurhinder en veehouderij en bijbehorende verspreidingsmodellen vindt u op de website van InfoMil onder Wet geurhinder en veehouderij en paragraaf 3.4 van de Handreiking bij de wet, betreffende de beoordeling van ruimtelijke plannen.
BEOORDELING RO-PLANNEN (OMGEKEERDE WERKING)
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moet een veehouderij voldoen aan een bepaalde afstand tot geurgevoelige objecten of voldoen aan de waarde voor de geurbelasting ter plaatse van die geurgevoelige objecten. Dit leidt tot een bepaalde geurcontour rondom een veehouderij. Op grond van jurisprudentie op het gebied van ruimtelijke ordening mag binnen dergelijke geurcontouren in beginsel niet gebouwd worden. Dit was ook al het geval onder de oude stankregelgeving en deze lijn is doorgetrokken naar de Wgv. Dit wordt de omgekeerde werking van de stankregelgeving genoemd.
Ter plaatse van de te realiseren geurgevoelige objecten moet beoordeeld worden of sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Het bouwen buiten de geurcontour betekent niet dat kan worden uitgegaan van een aanvaardbaar verblijfsklimaat, maar ook bouwen binnen geurcontouren is niet per definitie onmogelijk. Onderzoek en een goede onderbouwing zijn hierbij erg belangrijk.
Bouwen buiten de geurcontour
Het bouwen buiten de geurcontour van een individuele veehouderij betekent niet zonder meer dat kan worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gerealiseerd. Dit zal inzichtelijk gemaakt moeten worden. Indien meerdere veehouderijen in de omgeving van een plangebied zijn gelegen, zal naast het toetsen van de individuele geurcontouren ook de cumulatieve stankhinder onderzocht moeten worden. Deze cumulatieve stankhinder, ook wel achtergrondbelasting genoemd, kan bijvoorbeeld worden berekend met V-Stacks gebied. Zie ABrvS nr. 200907242/1 van 23 juni 2010 en ABRvS nr. 200807852/1/R2 van 6 januari 2010
| Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld die wordt veroorzaakt door de voor een geurgevoelig object meest dominante veehouderij. Onder de achtergrondbelasting verstaan we de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De veehouderij die de voorgrondbelasting veroorzaakt, wordt ook meegenomen bij het berekenen van de achtergrondbelasting. Uit onderzoek (PRA, 2001) is gebleken dat de geurhinder als gevolg van de geurbelasting van één veehouderij, de voorgrondbelasting, anders is dan als gevolg van de totale geurbelasting van meerdere veehouderijen, de achtergrondbelasting. Bijvoorbeeld: indien één veehouderij een geurbelasting van 18 ouE/m3 op een geurgevoelig object veroorzaakt, leidt dat tot meer hinder dan indien drie veehouderijen gezamenlijk 18 ouE/m3 veroorzaken. Daarom is het nodig om per situatie te onderzoeken welke de hoogste hinder geeft, de achtergrondbelasting of de voorgrondbelasting. Zie voor meer informatie de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij, bijlage 6 en 7. |
Bouwen binnen de geurcontour
In beginsel is het bouwen van geurgevoelige objecten binnen de contouren van de geldende geurnorm niet mogelijk. Die geurnorm kan volgen uit de wet of de gemeentelijke verordening. Uitsluitend als inzichtelijk kan worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat, is bouwen wel mogelijk. Als de geurhinder groter is dan de norm uit de Wgv kan er in bepaalde gevallen nog steeds sprake zijn van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Zie ABRvS nr. 200901407/1/R2 van 13 januari 2010 en ABRvS nr. 200807852/1/R2 van 6 januari 2010.
Een voorbeeld hiervan is een situatie waar met de geurverordening een strengere geurnorm wordt gesteld aan veehouderijen nabij de bebouwde kom. Met de strenge geurnorm wordt de geurconcentratie van alle veehouderijen samen laag gehouden, wat past bij de gewenste ontwikkelingen in het gebied. Hierdoor komen de bestaande bebouwing en de geplande woningbouw echter (deels) binnen de geurcontour van die strengere norm te liggen. De gemeente zal in dat geval bij gewenste nieuwbouw binnen die geurcontour dienen aan te tonen ( gebiedsvisie) dat er binnen die geurcontour toch sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Zie ABRvS nr. 200900801/1/R3 van 7 oktober 2009.
Jurisprudentie geeft aan dat voor de beoordeling van een aanvaardbaar verblijfsklimaat niet alleen de geurgevoelige objecten op grond van de Wgv doorslaggevend zijn, maar dat ook andersoortige objecten, waar mensen kunnen verblijven, beoordeeld moeten worden (zie ABRvS nr. 200905024/1/R3 van 15 september 2010).
WET ALGEMENE BEPALINGEN OMGEVINGSRECHT
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met de Wet geurhinder en veehouderij verplichten er toe ook ten aanzien van geur beste beschikbare technieken ( BBT) toe te passen. Het begrip BBT is in de Wabo opgenomen ter implementatie van de Europese richtlijn Integrated Pollution Prevention and Control ( IPPC-richtlijn).
Deze richtlijn is van toepassing op voor intensieve pluimvee- en varkenshouderijen met:
- meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee
- meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens
- meer dan 750 plaatsen voor zeugen.
In de oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij (InfoMil, 30 juli 2007) wordt beschreven welke technieken als BBT worden aangemerkt.
BESLUIT LANDBOUW MILIEUBEHEER
Voor veehouderijen geldt een Algemene Maatregel van Bestuur op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. Op grond van deze AMvB gelden algemene voorschriften ter bescherming van het milieu. Dit besluit geldt voor kleinere veehouderijen tot bijvoorbeeld 50 mestvarkeneenheden of 200 stuks melkvee. Deze veehouderijen moeten aan vaste afstanden ten opzichte van de woonomgeving voldoen. Bouwen binnen deze afstanden is volgens de huidige jurisprudentie niet toegestaan.
De afstand van de veehouderij tot geurgevoelige objecten dient groter te zijn dan:
- 100 meter tot een object categorie I of II, en
- 50 meter tot een object categorie III, IV of V.
Deze afstanden gelden ook voor de opslag van vaste mest, gebruikt substraatmateriaal, afgedragen gewas of bloembollenafval en de locatie waar plantaardig restmateriaal wordt gecomposteerd. In afwijking hiervan geldt voor de opslag van vaste mest op kinderboerderijen een afstand van 50 meter. De opslag van veevoeder in de open lucht, vindt plaats op ten minste 25 meter afstand van een object categorie I, II, III, IV of V. Op voornoemde afstanden gelden enkele uitzonderingen.
De definities van de verschillende categorieën geurgevoelige objecten zijn:
- Categorie I: bebouwde kom met stedelijk karakter; ziekenhuis, sanatorium en internaat; objecten voor verblijfsrecreatie.
- Categorie II: bebouwde kom of aaneengesloten woonbebouwing van beperkte omvang in een overigens agrarische omgeving; objecten voor dagrecreatie.
- Categorie III: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent.
- Categorie IV: woning behorend bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning of een algemene maatregel van bestuur aanwezig mogen zijn; verspreid liggende niet-agrarische bebouwing.
- Categorie V: woning, behorend bij een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning of een algemene maatregel van bestuur aanwezig mogen zijn.
Genoemde afstanden gelden niet voor kinderboerderijen.
BESLUIT MESTBASSINS MILIEUBEHEER
Voor de opslag van dunne mest geldt een Algemene Maatregel van Bestuur op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. Op grond van deze AMvB gelden algemene voorschriften ter bescherming van het milieu. In dit kader is van belang dat mede ter voorkoming van geurhinder is voorgeschreven dat een mestbassin moet zijn afgedekt.
Dit besluit geldt voor mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 750 m² en een gezamenlijke inhoud van maximaal 2.500 m³. Voor deze mestbassins dient de afstand ten opzichte van een agrarische bedrijfswoning groter te zijn dan 50 meter en tot een ander gevoelig object (object waar personen verblijven) groter dan 100 meter. Voor mestbassins kleiner dan 350 m² bedragen deze afstanden respectievelijk 25 en 50 meter. Voldoen de mestbassins niet aan deze -en ook nog enkele andere- criteria, dan is sprake van vergunningplicht op grond van de Wabo. In de te verlenen omgevingsvergunning wordt dan per geval beoordeeld of de afstand tot de bestaande gevoelige objecten voldoende is om geurhinder te voorkomen. Eventueel kunnen extra maatregelen worden voorgeschreven.
Bouwen binnen de genoemde afstanden is volgens de huidige jurisprudentie niet toegestaan. Zie ABRvS 21 januari 2004, nr. 200301213/1 (Stadskanaal).
MILIEU-EFFECTRAPPORTAGE
Voor het oprichten of uitbreiden van grote veehouderijen voor het fokken, mesten of houden van varkens of pluimvee moet in bepaalde gevallen een milieu- effectrapportage ( MER) worden gemaakt (zie ook hoofdstuk MER):
- m.e.r.-plicht: inrichtingen met meer dan 85.000 plaatsen voor mesthoenders, 60.000 plaatsen voor hennen, 3.000 plaatsen voor mestvarkens of 900 plaatsen voor zeugen
- m.e.r.-beoordelingsplicht: inrichtingen met meer dan 60.000 plaatsen voor mesthoenders, 45.000 plaatsen voor hennen, 2.200 plaatsen voor mestvarkens of 350 plaatsen voor zeugen.
RECONSTRUCTIEWET CONCENTRATIEGEBIEDEN
In april 2002 is de Reconstructiewet concentratiegebieden in werking getreden. Met de reconstructie wordt een integrale aanpak beoogd van de doelstellingen van die wet, zoals het realiseren van varkensvrije zones, herstel en ontwikkeling van ecologisch waardevolle gebieden, herstel van hydrologische systemen, vermindering van het aantal stankgehinderden en het aanwijzen van gebieden waar de vestiging en de verdere ontwikkeling van veehouderijbedrijven mogelijk is. Voor elk concentratiegebied worden op grond van artikel 11 van de Reconstructiewet één of meer reconstructieplannen opgesteld. Een eenmaal vastgesteld reconstructieplan kan rechtstreeks doorwerken in het bestemmingsplan. In het reconstructieplan kunnen namelijk gebieden worden aangewezen, waarvan de bestemming niet in overeenstemming is met geldende bestemmingsplannen. Wanneer dat op een juiste wijze gebeurt, geldt voor die gebieden het reconstructieplan als een vrijstelling van het geldende bestemmingsplan (wat een snelle uitvoering van het reconstructieplan mogelijk maakt) en als voorbereidingsbesluit (wat voorkomt dat de uitvoering van het reconstructieplan wordt gefrustreerd door ongewenste ontwikkelingen). Daarnaast is er sprake van een niet formele doorwerking. Het ligt immers voor de hand dat alle partijen die zich aan het plan hebben gecommitteerd het reconstructieplan hanteren als grondslag en toetssteen voor het bestemmingsplan. In dit verband wordt verwezen naar de brochure van LNV en VROM: De Reconstructiewet (Reconstructie en ruimtelijke ordening in de praktijk).
Een belangrijk onderdeel van een reconstructieplan is de beschrijving van de integrale ruimtelijke zonering in landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden. De aanwijzing van deze gebieden vindt plaats met inachtneming van de doelstellingen van de Reconstructiewet, zoals beschreven in artikel 4 van die wet. Daarin is onder meer het bevorderen van een goed woonklimaat genoemd. Het voorkomen van stankhinder is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In landbouwontwikkelingsgebieden is uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij voorzien. In deze gebieden heeft de landbouw dan ook het primaat. In het verwevingsgebied is hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk, mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daartegen niet verzetten. Tenslotte heeft in het extensiveringsgebied wonen en natuur het primaat. Uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij is onmogelijk.
Inmiddels zijn alle reconstructieplannen vastgesteld en goedgekeurd en wordt gewerkt aan de uitvoering daarvan.
VNG-BROCHURE BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING
De VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering geeft indicatieve afstanden om aan te houden tussen een gevoelig object en een (veehouderij)bedrijf. Doorgaans volgen uit de hiervoor genoemde regelgeving situatiespecifieke afstanden die daarom prevaleren boven de indicatieve afstanden uit de VNG-brochure.

