Geurgevoelig object
Inhoud pagina: Geurgevoelig object
Vraag
Wat zegt jurisprudentie over geurgevoelig object?
Antwoord
In ABRvS nr. 201100912/1/M2 van 3 augustus 2011 worden een recreatiewoning en een pension als geurgevoelig object aangemerkt. Tot het recreatiebedrijf van [appellant] behoort onder meer een pension aan [locatie 2] en een recreatiewoning aan [locatie 3]. Zoals de Afdeling eerder in de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900791/1/M2 heeft overwogen, volgt uit de parlementaire geschiedenis dat met de definitie van geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij mede is beoogd om gebouwen die niet dienen tot permanent verblijf bescherming tegen geurhinder te bieden, zodat een recreatiewoning - en in de onderhavige zaak ook een pension - als geurgevoelig object als bedoeld in dat artikel moet worden aangemerkt.
De tentoonstellingsgebouwen bij een museum zouden als geurgevoelig object kunnen worden aangemerkt blijkt uit 201000560/1/R3, van 26 januari 2011. " tentoonstellingsgebouwen - waarvan niet in geschil is dat ze zijn bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf - moeten worden aangemerkt als geurgevoelige objecten als bedoeld in artikel 1 van de Wgv omdat ze op een met permanent verblijf vergelijkbare wijze zullen worden gebruikt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 september 2010 in zaak nr. 200909701/1/R1), uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1 van de Wgv valt af te leiden dat niet alleen een permanent verblijf beschermingswaardig is."
De schuur van een boomkwekerij kan als geurgevoelig object worden aangemerkt:
In ABRvS nr. 200902795/5/R3 van 14 oktober 2009 overweegt de voorzitter dat in de bedrijfsgebouwen niet alleen de opslag van bomen zal plaatsvinden, maar daarin ook een kantoor zal worden ondergebracht en dat tevens regelmatig mensen zullen werken in de schuur. Niet onaannemelijk is derhalve dat de bedrijfsbebouwing permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze zal worden gebruikt.
Gelet op het voorgaande acht de voorzitter niet zonder meer uitgesloten dat de bedrijfsgebouwen op het terrein [locatie 2] als geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv zullen kunnen worden aangemerkt.
Een woning bij een akkerbouw of fruitteeltbedrijf is geen woning bij een veehouderij zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid Wgv. Dit komt aan de orde in ABRvS nr. 200807259/1/M2 van 23 september 2009: "Niet in geschil is dat de woning aan de [locatie 3] onderdeel uitmaakt van een akkerbouw- en fruitteeltbedrijf. Deze woning maakt derhalve geen onderdeel uit van een veehouderij. Gelet hierop heeft het college voor de beoordeling van de geurhinder met betrekking tot de woning aan de [locatie 3] ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij."
Uit ABRvS nr. 200805926/1/M2 van 29 juli 2009 blijkt dat het gebruik van een woning van belang is of de woning wel of niet tot de inrichting behoort en wel of niet een eigen geurgevoelig object is dat niet beschermd hoeft te worden. Hoe een woning bestemd is doet hier niet ter zake (zie verdere jurisprudentie hieronder). "Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 januari 2009 in zaak nr. 200800903/1 kunnen alleen geurgevoelige objecten die geen onderdeel uitmaken van de inrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, voor bescherming in aanmerking komen. De Wet geurhinder beoogt immers uitsluitend de gevolgen van een inrichting voor haar omgeving te reguleren, zodat de eigen geurgevoelige objecten niet worden beschermd tegen geurhinder van de eigen dierenverblijven. Ter zitting is gebleken dat [vennoot a], één van de vennoten van vergunninghoudster en één van de drijvers van de inrichting, de woning aan de [locatie a] bewoont. Het college heeft de woning aan de [locatie a] dan ook als een van de inrichting onderdeel uitmakend geurgevoelig object mogen aanmerken. Dat er nog een andere bedrijfswoning is en dat het gebruik als bedrijfswoning van de woning aan de [locatie a] in strijd zou zijn met het bestemmingsplan, maken niet dat deze woning niet als zodanig zou mogen worden aangemerkt. De beroepsgrond faalt."
In ABRvS nr. 200905744/1/M2 van 20 januari 2010 behoort een afgesplitste woning nog steeds bij de inrichting omdat het planologisch gezien onderdeel van de inrichting uitmaakt:
2 .6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2009 in zaak nr. 200806627/1/H1) brengt een redelijke wetsuitleg mee dat - anders dan in de uitspraak van 28 januari 2009, in zaak nr. 200800903/1 is gedaan - bij de vaststelling van de mate van bescherming van een agrarische bedrijfswoning die is afgesplitst van een nog in werking zijnde veehouderij, eveneens aansluiting wordt gezocht bij de juridisch-planologische status van die woning. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat door de enkele ingebruikneming van een agrarische bedrijfswoning als burgerwoning, bescherming aan die woning zou toekomen ten opzichte van de veehouderij waartoe deze behoorde, terwijl met de inwerkingtreding van de Wet geurhinder ook de planologische status van belang wordt geacht voor de vraag of een object moet worden beschermd tegen stankhinder.
2.6.3. De woning op het perceel [locatie] is bestemd als agrarische bedrijfswoning en behoort planologisch gezien nog steeds bij de nog in werking zijnde inrichting. In dit licht bezien maakt de woning nog steeds onderdeel uit van de inrichting, zodat deze geen bescherming toekomt tegen geuremissie afkomstig van die inrichting. Het college heeft de woning [locatie] derhalve terecht niet betrokken bij de beoordeling van geurhinder vanwege de inrichting. De beroepsgrond faalt.
Verschillende woningen die samen één woning vormen, worden in zijn geheel beoordeeld. Als één woning een bedrijfswoning is, wordt het geheel als bedrijfswoning aangemerkt. Zie ABRvS nr. 200806383/1/M2 van 22 juli 2009: "2.2.1. Ter zitting is gebleken dat de woning [locatie 1] en de woning [locatie 2] één woning vormen. Het betreft één pand dat bewoond wordt door vergunninghouder en zijn gezin en een tijdelijke huurder. De Afdeling is van oordeel dat het college de woning in zijn geheel als bedrijfswoning heeft kunnen aanmerken en om die reden [locatie 2], als aparte woning, bij de beoordeling van stankhinder buiten beschouwing heeft kunnen laten. Ter zitting hebben het college en vergunninghouder gesteld dat de woning [locatie 3] ten tijde van het nemen van het bestreden besluit één woning vormde met de woning [locatie 4]. Dit is door [appellanten] niet weersproken. Het college heeft deze woning derhalve als één woning kunnen aanmerken en om die reden [locatie 3], als aparte woning, bij de beoordeling van stankhinder buiten beschouwing kunnen laten."
In ABRvS nr. 201002614/1/M2 van15 december 2010 bestaat een gebouw uit een woongedeelte en opslaggedeelte. Het bevoegd gezag heeft terecht de scheidingsmuur (binnenmuur) als buitenzijde van het geurgevoelig object aangemerkt. "2.6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebouw op het perceel [locatie 3] - waarop tot ná 19 maart 2000 een veehouderij in bedrijf was - twee afzonderlijke gedeelten kent, namelijk een woongedeelte en een opslaggedeelte dat voorheen werd gebruikt als varkensstal. De gedeelten zijn door een binnenmuur fysiek van elkaar gescheiden. Het college heeft onder verwijzing naar onder meer een plattegrond en bouwtechnische gegevens van het gebouw gesteld dat met het woongedeelte de voor het gebouw op grond van het ter plaatse geldende bestemmingplan toegestane maximale woninginhoud nagenoeg is bereikt, zodat moet worden geconcludeerd - zo begrijpt de Afdeling het betoog - dat het opslaggedeelte op grond van het bestemmingsplan niet voor wonen mag worden gebruikt. [appellant] heeft de juistheid van deze stelling niet betwist. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat het woongedeelte blijkens aard, indeling en inrichting ook geschikt is om te worden gebruikt voor wonen en dat het daarvoor ook permanent wordt gebruikt en dat het opslaggedeelte van het gebouw blijkens aard, indeling en inrichting niet geschikt is voor menselijk wonen of menselijk verblijf.
2.6.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college onder deze omstandigheden de desbetreffende binnenmuur terecht aangemerkt als buitenzijde van het geurgevoelig object aan de [locatie 3] tot waar de minimale afstanden van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder dienen te worden gemeten. [appellant] heeft niet betwist dat, uitgaande van deze muur, aan de afstandseisen wordt voldaan."
ABRvS nr. 200704080/1 van 11 juni 2008 (RO) "Volgens het college zal [appellant sub 4] bij eventuele toekomstige milieuaanvragen niet worden beperkt door de buks, de kogelvanger en de sportvelden die het plan mogelijk maakt, omdat deze niet vallen onder de definitie van een geurgevoelig object in de Wgv."
VzABRvS nr. 200704125/2 van 31 juli 2007
De Voorzitter gaat er niet op in of een clubhuis bij een golfbaan wel of niet een geurgevoelig object is vanwege de grote afstand tussen veehouderij en het clubhuis: " ... overweegt de Voorzitter dat voor zover het clubhuis al kan worden aangemerkt als een geurgevoelig object ...".
Onderstaande jurisprudentie gaat in op de verschillende onderdelen van de definitie van geurgevoelig object. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij wordt onder een geurgevoelig object verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
In haar uitspraak ABRvS nr. 200806627/1/H1 van 8 juli 2009 bepaalt de Afdeling dat:
Uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3, blz 16 e.v.) blijkt dat met de term "bestemd" wordt bedoeld, dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Nu de woning op het perceel een gebouw betreft, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen, en voorts permanent daarvoor wordt gebruikt, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de woning een geurgevoelig object is als bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Dat de woning in strijd met het bestemmingsplan niet wordt gebruikt als agrarische bedrijfswoning, maar als burgerwoning, leidt niet tot een ander oordeel. Op grond van de Wgv is, wat dit aspect aangaat, niet meer vereist dan dat een gebouw planologisch gezien een functie heeft voor wonen of verblijf.
Zo blijkt ook uit ABRvS nr. 200805926/1/M2 van 29 juli 2009 dat "het gebruik als bedrijfswoning van de woning .. in strijd zou zijn met het bestemmingsplan, maken niet dat deze woning niet als zodanig zou mogen worden aangemerkt."
Verder de uitspraak van de afdeling ABRvS nr. 200802926/1 van 25 februari 2009 (RO) : Hier overweegt de Afdeling" dat de schuur als geurgevoelig object kan worden beschouwd voor zover er de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "woning (b)" op rust. Het gedeelte van de schuur met de aanduiding "opslag en stalling" is als zodanig niet als geurgevoelig object te beschouwen.
2.8.1. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de melkveehouderij en het gedeelte van de schuur dat is bestemd voor "Wonen" met de nadere aanduiding "woning (b)", ruim 50 meter is. De afstand tussen de melkveehouderij en het gedeelte van de schuur dat is aangeduid als "opslag en stalling", is ongeveer 48 meter.
2.8.2. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de plandelen niet in strijd met de Wgv zijn vastgesteld zodat er van uit kan worden gegaan dat de plandelen de bedrijfsvoering van de melkveehouderij niet ernstig zullen belemmeren.
Uit ABRvS nr. 20082497/1 van 28 januari 2009 (RO) volgt dat noch de aard van het verblijf noch het aantal personen dat verblijft een rol speelt om te bepalen of een gebouw een geurgevoelig object is en dat met bestemd wordt bedoeld: juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf.
"Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2008, zaak nr. 200709155/1, is voor de vraag of een bedrijfsgebouw als geurgevoelig object in de zin van de Wgv moeten worden aangemerkt, naast de eis dat het gebouw permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen of verblijf dient te worden gebruikt, allereerst van belang of de gebouwen bestemd en geschikt zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Daarbij is overwogen dat uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3, blz. 16 e.v.) blijkt dat met de term "bestemd" wordt bedoeld, dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf en dat uit die wetsgeschiedenis verder blijkt dat het bij de beoordeling of een gebouw bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf, niet van belang is hoeveel personen in het gebouw verblijven. Het verblijven van maar één persoon is voldoende. In eerdergenoemde uitspraak is voorts overwogen dat er in de Wgv dus voor is gekozen om, anders dan in de door de Afdeling gevormde jurisprudentie over geurgevoelige objecten bij toepassing van de brochure "Veehouderij en Hinderwet" en de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de aard van het verblijf noch het aantal personen dat verblijft, een rol te laten spelen bij de vaststelling of een (bedrijfs)gebouw als geurgevoelig object moet worden aangemerkt." Zie ook ABRvS nr. 200901407/1/R2 van 13 januari 2010.
Zie ook ABRvS nr. 200801961/1 van 11 maart 2009: "Uit die wetsgeschiedenis blijkt verder dat het bij de beoordeling of een gebouw bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf, niet van belang is hoeveel personen in het gebouw verblijven. Het verblijven van maar één persoon is voldoende. Ook is niet van belang of de personen een bijzondere gevoeligheid voor geur hebben. Deze twee criteria bepalen volgens de wetsgeschiedenis enkel de mate van bescherming tegen geur, maar niet of een gebouw als geurgevoelig object moeten worden aangemerkt. In de wet geurhinder is er daarom voor gekozen om, anders dan in de door de Afdeling gevormde jurisprudentie over geurgevoelige objecten bij toepassing van de brochure "Veehouderij en Hinderwet" en de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de aard van het verblijf noch het aantal personen dat verblijft een rol te laten spelen bij de vaststelling of een (bedrijfs)gebouw als geurgevoelig object moet worden aangemerkt. Tot slot geldt de eis dat het gebouw permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen of verblijf dient te worden gebruikt." Zie ook ABRvS nr. 200902795/5/R3 van 14 oktober 2009.
ABRvS nr. 200709155/1 van 24 december 2008 gaat in op gebouwen op een bedrijventerrein: "..Niet in geschil is dat de gebouwen op het bedrijventerrein ...op grond van het daar geldende bestemmingsplan zijn toegelaten. Gezien de aard van de gebouwen zal per gebouw minimaal één bij het bedrijf werkzame persoon aanwezig zijn. Gelet hierop zijn de gebouwen bestemd, en naar moet worden aangenomen geschikt, voor menselijk verblijf.. Verder is onbestreden dat de gebouwen permanent overeenkomstig deze bestemming worden gebruikt. Gelet hierop heeft het college de gebouwen op het bedrijventerrein ... terecht aangemerkt als geurgevoelig objecten in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij."
In ABRvS nr. 200801961/1 van 11 maart 2009 wordt ingegaan op permanent of vergelijkbare wijze: "Op het terrein van de houthandel bevinden zich drie werkplaatsen voor houtbewerking. In één van de werkplaatsen bevindt zich tevens een verkoopruimte en een kantoor. Niet in geschil is dat de werkplaatsen op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan zijn toegelaten. Tussen partijen is verder niet in geschil dat per werkplaats minimaal één bij de houthandel werkzame persoon aanwezig is. Gelet hierop zijn de werkplaatsen bestemd, en naar moet worden aangenomen geschikt, voor menselijk verblijf. Verder zijn de werkplaatsen, blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting, ten minste op vijf dagen in de week gedurende acht uur per dag in gebruik. Hieruit volgt dat de werkplaatsen permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. Voor een zodanig gebruik is het - anders dan [appellant] meent - niet noodzakelijk dat gedurende 24 uur per dag personen in de werkplaatsen aanwezig zijn."
VzABRvS nr. 200708994/2 van 23 augustus 2007 (RO). Een nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein ligt gedeeltelijk binnen de geurcontour van een veehouderij. De Voorzitter sluit niet uit dat op dit bedrijventerrein sprake zou kunnen zijn van geurgevoelige objecten.
"Ter zitting heeft de raad een kaart van de milieudienst overgelegd waarop de invloed van de geurbelasting van veehouderijen in de directe omgeving van het plangebied wordt weergeven. Blijkens deze kaart ligt het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - uit te werken" gedeeltelijk binnen de contour van 3,0 odour units per kubieke meter lucht van veehouderijen. Anders dan de raad heeft betoogd, is de voorzitter er voorshands niet van overtuigd dat bedrijven die zich op basis van het plan ter plaatse kunnen vestigen nooit kunnen worden aangemerkt als geurgevoelige objecten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij volgt dat onder een geurgevoelig object mede wordt verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en dat daarvoor permanent of daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, alsmede dat op voorhand niet is uitgesloten dat een bedrijfsgebouw onder omstandigheden als een zodanig gebouw kan worden beschouwd.

