Geurverordening

Geurverordening

Inhoud pagina: Geurverordening

Vraag

Wat zegt jurisprudentie over de geurverordening die is opgesteld op grond van de Wet geurhinder en veehouderij?

Antwoord

ABRvS nr 201008833/1/R1 van 25 januari 2012

Geen inspraak geurverordening. Raad onbevoegd om in de geurverordening een ruwheidslengte te bepalen.

2.4.5. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat ten onrechte geen mogelijkheid tot inspraak is geboden en dat de geurverordening onverbindend is wegens strijd met artikel 150 van de Gemeentewet en de Inspraakverordening, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet stelt de raad een verordening vast waarin regels worden gesteld omtrent de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken. Ingevolge artikel 2 van de Inspraakverordening van de gemeente Hengelo besluit elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt inspraak altijd verleend indien de wet daartoe verplicht. Noch in de Wgv, noch in enige andere wettelijke bepaling wordt bepaald dat ten aanzien van een gemeentelijke geurverordening inspraak dient te worden geboden. In hetgeen [appellant] op dit punt heeft aangevoerd, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad anderszins niet van inspraak heeft mogen afzien.

2.4.7. Met betrekking tot het betoog dat de raad niet bevoegd was in de geurverordening een ruwheidslengte vast te stellen, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 1 van de geurverordening is onder meer de definitie van het begrip geurbelasting opgenomen. In de verordening wordt onder geurbelasting verstaan, de geurbelasting zoals bepaald krachtens artikel 10 van de Wgv, met dien verstande dat de ruwheidslengte van het gebied rond Dalmeden is bepaald op 0,25 m. Gelet op de artikelen 6 en 10 van de Wgv bestaat op grond van die wet slechts de bevoegdheid om in een geurverordening te bepalen dat een andere waarde dan wel een andere afstand geldt dan de waarde en afstand die zijn opgenomen in de artikelen 3 en 4 van de Wgv. Blijkens deze wet is de raad echter niet bevoegd in de geurverordening te bepalen welke ruwheidslengte moet worden gehanteerd bij het bepalen van die andere waarde of afstand. Gelet hierop is de in artikel 1 van de geurverordening opgenomen zinsnede "met dien verstande dat de ruwheidslengte van het gebied rond Dalmeden is bepaald op 0,25 m." onverbindend.

ABRvS nr 201002481/1/R4 van 23 november 2011

Enkel verwijzen naar gebiedsvisie is geen voldoende onderbouwing van aanvaardbaar woon- en leefklimaat .

2.3.7. De raad heeft ter onderbouwing van het standpunt dat ter plaatse desondanks een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd niet kunnen volstaan met de enkele verwijzing naar de geurgebiedsvisie. Hieruit blijkt namelijk niet van een beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het bestreden plandeel waarbij de geurbelasting veroorzaakt door het bedrijf van [appellant sub 2] is betrokken. Bovendien heeft de raad ten onrechte aangenomen dat de geurbelasting ter plaatse zodanig is dat volgens de geurgebiedsvisie sprake is van een afweegbaar geurniveau. De op de bijlagen 6 en 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Handreiking) gebaseerde tabel in de geurgebiedsvisie, waarnaar de raad verwijst, heeft alleen betrekking op de achtergrondbelasting. Volgens deze tabel is binnen de bebouwde kom het geurniveau acceptabel bij 0-6 OU/m3 en 0-8% geurgehinderden, afweegbaar bij 6-10 OU/m3 en 8-12% geurgehinderden en slecht vanaf 10 OU/m3 en 12% geurgehinderden. Volgens tabel B van bijlage 6 van de Handreiking hoort bij een voorgrondbelasting van 5,5 OU/m3 in een concentratiegebied een percentage geurgehinderden tussen de 12% en 14%. Bij een dergelijk percentage geurgehinderden is volgens de geurgebiedsvisie het geurniveau slecht en niet afweegbaar, zoals de raad heeft aangenomen. Anders dan de raad stelt, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011, zaaknr. 201004917/1/R3, niet dat de raad ter onderbouwing van de mogelijkheid in een concrete situatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren, kan volstaan met de enkele verwijzing naar een geurgebiedsvisie, zonder dat daaruit blijkt van een beoordeling van de omstandigheden van het concrete geval.

Gelet op het voorgaande heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom ter plaatse van de meest noordelijke woning op de zuidwestelijke hoek van de Goedentijd en de Beukenlaan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.

ABRvS nr. 200909639/1/R3 van 8 december 2010

Geen gebiedsvisie, onvoldoende inzichtelijk gemaakt of aanvaardbaar woon- en leefklimaat

Niet is gebleken dat het college bij het nemen van het bestreden besluit hiermee rekening heeft gehouden. Ook los hiervan is de vraag of het college het wel voldoende inzichtelijk heeft kunnen achten dat ter plaatse van het nieuwe woongebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Ook indien in een verordening bepaalde geurnormen zijn vastgelegd, moet inzichtelijk zijn dat de toegestane milieubelasting in overeenstemming is met de uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbare inrichting van het gebied. In dit geval bestaat er bij de voorzitter gerede twijfel over of door het college in navolging van de raad voldoende inzichtelijk is gemaakt waarom het met dit plan geboden beschermingsniveau voldoende kan worden geacht gelet op het karakter van het nieuw in te richten gebied, waaraan overwegend een woonfunctie toekomt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals [verzoeker] terecht heeft gesteld, aan de geurverordening geen gebiedsvisie of een gebiedsgericht geurbeleid ten grondslag ligt. Voor zover het de verhouding geurbelasting en (het aantal) geurgehinderden betreft heeft de raad er weliswaar op gewezen dat hij ervan uitgaat dat het percentage geurgehinderden lager zal zijn dan bij een gemiddelde populatie vanwege het door de raad veronderstelde selectiemechanisme dat zich zal voordoen bij potentiële kopers van kavels in het duurdere segment, maar voorshands bestaat ook op dit punt twijfel of het college deze motivering voldoende draagkrachtig heeft kunnen achten, nu niet is gebleken dat de raad hiernaar enig onderzoek heeft gedaan. Gelet hierop is niet buiten twijfel of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.

ABRvS nr. 201002614/1/M2 van 15 december 2010

Geurverordening is niet in strijd met artikel 6 en artikel 8 Wgv

2.4.1. De Afdeling overweegt dat de in artikel 3 van de geurverordening voor het landbouwontwikkelingsgebied vastgestelde waarde van 20 odour units lager is dan de waarde van 35 odour units die ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder voor het desbetreffende gebied - dat is gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom - ten hoogste kan worden gesteld. De geurverordening is dus niet in strijd met artikel 6 van de Wet geurhinder. Voorts zijn bij het bepalen van de in de geurverordening vastgestelde waarden - blijkens de daaraan ten grondslag liggende "Gebiedsvisie ten behoeve van de verordening geurhinder en veehouderij voor de gemeente Barneveld" van 7 oktober 2008 - de aspecten genoemd in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Wet geurhinder gemotiveerd betrokken. De geurverordening is daarom niet in strijd met artikel 8 van de Wet geurhinder. Dat bij het bepalen van de in de geurverordening vastgestelde waarden geen gebruik zou zijn gemaakt van de door Infomil opgestelde "Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij" betekent niet dat strijd bestaat met de Wet geurhinder, nu deze wet niet de verplichting bevat deze handreiking te hanteren.

ABRvS nr. 201001167/1/H1 van 10 november 2010

College vindt 19% geurgehinderden acceptabel in overgangsgebied tussen buitengebied en bebouwde kom. Bedrijf wordt niet beperkt omdat reeds dichterbij gelegen woningen.

Het college heeft de door het bedrijf van [appellant] veroorzaakte geurbelasting aangemerkt als de voor het gebied meest geurveroorzakende. De geurbelasting van het bedrijf is bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse beschouwd als zogenoemde voorgrondbelasting. Een bepaalde geurbelasting wordt, bij gelijke belastingen, als voorgrondbelasting als hinderlijker ervaren dan als achtergrondbelasting. Volgens het college leidt de feitelijke geurbelasting, die ongeveer 4,3 odour units per kubieke meter lucht bedraagt, tot niet meer dan 19 procent geurgehinderden. Bij die berekening heeft het college de bijlagen 6 en 7 van de Handreiking van de Wgv gehanteerd. In hetgeen [appellant] ter zake heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet ervan heeft mogen uitgaan dat het college deze bijlagen heeft mogen gebruiken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat dit percentage gehinderden acceptabel is, mede omdat de voorziene woningen komen te liggen in een overgangsgebied tussen buitengebied en bebouwd gebied. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college, gegeven de aan hem toekomende beoordelingsruimte, hiermee niet voldoende heeft gemotiveerd dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal worden gerealiseerd. Niet in geschil is dat de voorziene woningen de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van [appellant] niet beperken. Binnen de geurcontour van 5 odour per kubieke meter lucht van zijn bedrijf zijn reeds geurgevoelige objecten aanwezig die dichterbij zijn gelegen dan de voorziene woningen. Geen aanleiding bestaat voorts voor het oordeel dat het college alvorens vrijstelling te verlenen in dit verband had moeten nagaan of het treffen van bronmaatregelen bij het bedrijf had kunnen leiden tot een beperking van de geuremissie.

ABRvS nr. 201003621/1/M2 van 20 oktober 2010

Geurveordening niet in strijd met hoger wettelijk vs of algemeen rechtsbeginsel

2.4.2. De geurverordening is een algemeen verbindend voorschrift. Zoals de Afdeling eerder onder verwijzing naar onder meer het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 1986 (Landbouwvliegers, NJ 1987, 251) heeft overwogen in een uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200905180/1/M2, kan een dergelijk voorschrift onverbindend zijn, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

Het is aan het regelgevend bevoegd gezag - in dit geval: de gemeenteraad - om alle verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit zoals de geurverordening betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter dient bij de beoordeling van zo'n besluit slechts te toetsen of de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Daarbij heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen, terwijl de rechter ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid dient te betrachten.

2.4.3. In artikel 3 van de geurverordening is bepaald dat in het buitengebied van de gemeente Someren een maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object van 14 odour units geldt. De begrenzing van de desbetreffende gebieden is in een bij de geurverordening behorende kaart aangeduid.

2.4.4. De in artikel 3 van de geurverordening vastgestelde waarde voor het buitengebied blijft binnen de bandbreedte van artikel 6, eerste lid, onder a en b, van de wet geurhinder. In zoverre bestaat geen strijd met artikel 6 van de wet geurhinder. Voorts zijn, gezien de notitie van 30 januari 2008 behorende bij de vaststelling van deze verordening, bij het bepalen van de in de geurverordening vastgestelde waarde voor het buitengebied de aspecten uit artikel 8, eerste en tweede lid, van de wet geurhinder betrokken, zodat de geurverordening ook niet met die bepaling in strijd is.

In hetgeen [appellant] betoogt, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geurverordening in zoverre in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of met een algemeen rechtsbeginsel.

ABRvS nr. 200907062/1/R3 van 29 september 2010

Geurverordening RO, niet in strijd met artikel 8 Wgv, varkenshouder niet beperkt

2.10.4. Ten behoeve van de gebiedsvisie zijn voor Uden gegevens over de geurbelasting van veehouderijen en de aanwezigheid van geurgevoelige objecten in kaart gebracht. Voorts is in de gebiedsvisie uiteengezet welke geurbelasting volgens de raad aanvaardbaar is, gelet op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Tevens is hierbij in beschouwing genomen wat de berekende invloed van veehouderijen op de achtergrondconcentratie is op basis van de vergunde situatie. Voor een deel van het westen van het plangebied heeft de raad een norm van 8 odour units per kubieke meter lucht (hierna: odour units), en voor het overige deel een norm van 3 odour units, aanvaardbaar geacht en vastgesteld.

Met betrekking tot het betoog van [appellanten sub 5] dat de geurverordening in strijd met de Wgv is en derhalve onverbindend is, overweegt de Afdeling dat, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, moet worden geoordeeld dat de raad bij het bepalen van de geurnormen de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied heeft betrokken. Tevens heeft de raad hierbij de gewenste ruimtelijke inrichting van het plangebied in aanmerking genomen. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geurverordening in strijd is met artikel 8 van de Wgv.

2.10.5. Volgens de uitkomsten van een door G&O Consult uitgevoerd onderzoek naar de geurbelasting van de varkenshouderij van [appellanten sub 5] aan de [locatie 1] bevinden zich aan de [locatie 3] en aan de [locatie 4] geurgevoelige objecten op kleinere afstand tot de varkenshouderij dan de afstand tussen de varkenshouderij en het plangebied. De [locatie 3] ligt in een gebied waarvoor een gemeentelijke normstelling van 8 odour units geldt en de [locatie 4] in een gebied met een normstelling van 3 odour units. Gelet op de aanwezigheid van deze geurgevoelige objecten op kortere afstand tot de varkenshouderij van [appellanten sub 5] dan het plangebied, zijn de voorziene ontwikkelingen in het plangebied niet maatgevend voor de uitbreidingsmogelijkheden van deze varkenshouderij en vormen deze ontwikkelingen in zoverre geen beperking voor de bedrijfsvoering van [appellanten sub 5].

ABRvS nr. 201003856/2/R3 van 16 augustus 2010

Rechtstreekse toets geurverordening niet aan de orde / beleidsvrijheid aanvaardbaarheid woon/leefklimaat

Voor zover de verzoeken zijn gericht tegen de door de raad vastgestelde geurverordening overweegt de voorzitter dat een rechtstreekse toets aan deze verordening, die waarden bevat waaraan een aanvraag om een milieuvergunning moet voldoen, bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan de orde is. Voorts hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene ontwikkelingen in het plangebied, gelet op de stand van de techniek, niet kunnen plaatsvinden met in achtneming van de vastgestelde waarden in de geurverordening en dat de geurverordening in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan.

De voorzitter stelt voorop dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat. Volgens de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde geurgebiedsvisie worden in deze visie geurnormen gehanteerd die zijn afgeleid uit de bijlagen 6 en 7 bij de Handreiking. Aan een achtergrondbelasting van 0-28 ou/m³ en een percentage van 0-25 geurgehinderden in het buitengebied is in dit verband de kwalificatie "acceptabel geurniveau" verbonden. Aan een achtergrondbelasting van 28-38 ou/m³ en een percentage van 25-30 geurgehinderden in het buitengebied is de kwalificatie "afweegbaar geurniveau" verbonden. Anders dan door de Milieuvereniging wordt verondersteld, valt uit de geurgebiedsvisie niet af te leiden dat de daarin gehanteerde geurwaarden onverkort zijn overgenomen uit bijlagen 6 en 7 van de Handreiking. Blijkens pagina 33 van de geurgebiedsvisie zijn deze waarden gehanteerd voor de visualisatie van de geursituaties om inzichtelijk te krijgen waar een verruiming van de norm meerwaarde kan hebben en waar mogelijk situaties kunnen ontstaan met ernstige hinder en de norm juist omlaag zou moeten worden bijgesteld. In de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende zienswijzennota heeft de raad toegelicht dat in de geurgebiedsvisie, anders dan in de tabel van het RIVM in bijlage 7, onderscheid is gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en tussen kernen en het buitengebied. Dit heeft volgens de raad geresulteerd in een strengere benadering van de geursituatie voor kernen en een ruimere benadering voor het buitengebied.

In hetgeen de Milieuvereniging heeft aangevoerd ziet de voorzitter voorshands geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

Onjuiste vermelding aantal ggo's in gebiedsvisie, maar maakt conclusie niet anders

2.5. De geurverordening is een algemeen verbindend voorschrift. Onder verwijzing naar onder meer het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 1986 (Landbouwvliegers, NJ 1987, 251), overweegt de Afdeling dat zo'n voorschrift onverbindend kan zijn, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

2.6. De stichting en de vereniging voeren aan dat aan de geurverordening geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt. Zij voeren hiertoe aan dat bij het beoordelen van de geursituatie in de aan de geurverordening ten grondslag liggende "Geurgebiedsvisie gemeente Landerd en gemeente Mill en St. Hubert" (hierna: de geurgebiedsvisie) is uitgegaan van onjuiste brongegevens, omdat enkele objecten ten onrechte wel en andere objecten ten onrechte niet als geurgevoelig zijn aangemerkt. Daarnaast is er volgens de stichting en de vereniging in de geurgebiedsvisie ten onrechte van uitgegaan dat zich in de bebouwde kom van het dorp Reek slechts 31 woningen bevinden.

2.6.1. In de geurgebiedsvisie is in een tabel kwantitatief de geursituatie voor geurgevoelige objecten weergegeven in de huidige situatie, de toekomstige situatie waarin de normen van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder worden toegepast en de situatie waarin de normen zoals vastgesteld in de verordening worden toegepast. Per gemeente, per deelgebied en per variant zijn in deze tabel de aantallen geurgevoelige objecten weergegeven waarbij sprake is van een acceptabele geursituatie, een afweegbare geursituatie dan wel een slechte geursituatie.

Door het college is ter zitting opgemerkt dat in de desbetreffende tabel ten onrechte is vermeld dat in het dorp Reek 31 woningen zijn gelegen in plaats van 500 woningen. Dit verandert volgens het college echter niet de conclusie dat in de toekomst de geursituatie verbetert door toepassing van de geurverordening, omdat het aantal geurgevoelige objecten met een afweegbare en slechte geursituatie in het dorp Reek zoals weergegeven in de tabel gelijk blijft.

De Afdeling is van oordeel dat in de desbetreffende tabel weliswaar is uitgegaan van een onjuist aantal geurgevoelige objecten in het dorp Reek maar dat dit niet leidt tot de conclusie dat bij de afweging die ten grondslag ligt aan de geurverordening niet de relevante feiten zijn betrokken. De in deze tabel weergegeven gegevens zijn voldoende representatief om de huidige en de toekomstige geursituatie te beoordelen. Voor elk in de tabel genoemd gebied kan een zelfde ontwikkeling ten aanzien van de geursituatie worden waargenomen, namelijk een verbetering, en het ligt niet in de lijn der verwachting dat ten aanzien van het dorp Reek in zoverre afwijkingen zullen optreden, zoals ook door het college is bevestigd. Voorts betekent de omstandigheid dat wellicht enkele objecten ten onrechte wel of niet zijn aangemerkt als geurgevoelig, gelet op het grote aantal objecten dat is meegenomen in de geurgebiedsvisie bij de beoordeling van de huidige en de toekomstige geursituatie, evenmin dat bij de afweging die ten grondslag ligt aan de geurverordening niet de relevante feiten zijn betrokken.

Afwijking waarden bijlagen 6 en 7 van de Handreiking geurhinder

2.7. De stichting en de vereniging voeren aan dat in de geurgebiedsvisie een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven. Volgens hen wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de weergegeven waarden in een tabel in de gebiedsvisie betreffende het verband tussen het aantal geurgehinderden binnen en buiten de bebouwde kom en de door hen ondervonden geurbelasting afkomstig zijn uit de bijlagen 6 en 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Handreiking). Volgens de stichting en de vereniging zijn de in deze tabel genoemde waarden voor het buitengebied niet terug te voeren op de in de Handreiking genoemde waarden.

2.7.1. In de geurgebiedsvisie is opgemerkt dat de in de desbetreffende tabel genoemde waarden zijn afgeleid uit de bijlagen 6 en 7 van de Handreiking. Dit betekent niet, zoals de stichting en de vereniging lijken te veronderstellen, dat de weergegeven waarden rechtstreeks zijn overgenomen uit de bijlagen 6 en 7, maar dat hieraan een eigen interpretatie is gegeven. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat in de geurgebiedsvisie een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven.

Verordening, even hoog niveau van bescherming

2.8.1. Op grond van artikel 8, eerste en tweede lid, van de Wet geurhinder dient bij het vaststellen van andere waarden dan de waarden van artikel 3 van deze wet een afweging van belangen plaats te vinden waarbij onder meer op grond van het eerste lid, aanhef en onder c, van dit artikel de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu dient te worden betrokken. Anders dan waarvan de stichting en de vereniging uitgaan, betekent het betrekken van de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu niet dat het aantal geurgehinderde objecten niet mag toenemen. Voorts is niet gebleken dat dit aspect niet op deugdelijke wijze bij de afweging is betrokken.

ABRvS nr. 200908044/1/M2 van 15 september 2010

Geurverordening en ippc

2.11.2. In de Wet geurhinder is wat betreft de geldende geurnormen onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en gebieden die niet als zodanig zijn aan te merken en tussen gebieden in de bebouwde kom en gebieden die buiten de bebouwde kom zijn gelegen. Ook in de geurverordening wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende gebieden. Artikel 2, tweede lid, van de Wet geurhinder biedt verder de mogelijkheid om met toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer voorschriften te stellen ter (verdere) beperking van de geurhinder.

Gelet hierop dwingen de Wet geurhinder en de geurverordening rekening te houden met de plaatselijke milieuomstandigheden. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de Wet geurhinder en de daarop gebaseerde geurverordening zich in zoverre niet verdragen met de IPPC-richtlijn.

ABRvS nr. 200909639/1/R3 van 8 december 2010

Geurverordening is ongelijkluidend maar desondanks duidelijk en daarom bindend

2.5.4. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] dat de geurverordening in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en met de Wgv en hierdoor deels onverbindend is, overweegt de Afdeling dat aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals neergelegd in de geurverordening, verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

2.5.4.1. Gelet op het feit dat in artikel 2 van de geurverordening ter nadere concretisering van de als "gebieden A" en "gebieden B" omschreven gebiedsdelen van de gemeente Laarbeek wordt verwezen naar de bij de geurverordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, dient naar het oordeel van de Afdeling deze kaart als een bindend onderdeel van de vastgestelde geurverordening te worden aangemerkt.

Niet in geschil is dat de terminologie van de geurverordening en de bijbehorende kaart niet gelijkluidend is. In artikel 2 van de geurverordening wordt "gebieden A" omschreven met de term 'Invloedsgebieden woonkernen' en "gebieden B" omschreven met de term 'De bufferzone van 250 meter rond de woonkernen'. In de legenda van de bijbehorende kaart worden de termen 'Kernen' en 'Kernrandzones' gebruikt. Gelet op de omschrijving van "gebieden A" en "gebieden B" in artikel 2 van de geurverordening, bezien in onderlinge samenhang met de bijbehorende kaart, stelt de Afdeling vast dat met "gebieden A" kennelijk hetzelfde is bedoeld als met 'Kernen' en met "gebieden B" kennelijk hetzelfde is bedoeld als met 'Kernrandzones'.

Nu op basis van de geurverordening met de bijbehorende kaart kan worden vastgesteld welke waarde voor de maximale geurbelasting voor de verschillende gebiedsdelen van de gemeente geldt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de geurverordening onverbindend is wegens strijd met rechtszekerheid.

Waarde valt binnen bandbreedte van artikel 6

Blijkens de bij de geurverordening behorende kaart ligt het plangebied binnen het gebied "gebieden B". Ingevolge artikel 3 van de geurverordening bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij voor dergelijke gebieden 7,0 OU/m3. Nu de vastgestelde waarde voor het plangebied, dat na verwezenlijking van de woningbouw tot de bebouwde kom van Mariahout zal gaan behoren, binnen de bandbreedte blijft van artikel 6, eerste lid, onder a, van de Wgv, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de geurverordening onverbindend is wegens strijd met artikel 6 van de Wgv.

Goed woon- en leefklimaat

2.5.5. Ten aanzien van het betoog dat onvoldoende is onderbouwd dat bij een maximale geurbelasting van 7,0 OU/m3 vanwege een veehouderij sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woonwijk, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor uiteen is gezet, ligt aan de geurverordening de Gebiedsvisie ten grondslag. Daarin is vermeld dat de norm van 7,0 OU/m3 nodig is om ruimte te behouden voor woningbouw aan de randen van de woonkernen. In de plantoelichting is vermeld dat, uitgaande van de berekende voor- en achtergrondbelasting ter plaatse van de nieuwe woonwijk, het maximale aantal geurgehinderden 12% bedraagt. Het in de plantoelichting genoemde percentage inwoners dat geurhinder ondervindt is gebaseerd op bijlagen 6 en 7 van de 'Handreiking bij wet geurhinder en veehouderij', waarin wordt ingegaan op de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Blijkens de tabel in bijlage 7 bij de Handreiking is bij 12% geurgehinderden sprake van een goede tot redelijk goede milieukwaliteit.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft kunnen uitgaan van het gehanteerde maximale aantal van 12% geurgehinderden in relatie tot bijlagen 6 en 7 van de Handreiking. Gelet op het maximale percentage inwoners dat geurhinder zal ondervinden, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de nieuwe woonwijk een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Belangen veehouderij, plangbied buiten geurcontour

2.5.6. Ter zitting is door [appellant sub 2] bevestigd dat de uitbreidingsmogelijkheden van zijn veehouderij aan de Heieindseweg nr. 5 reeds worden beperkt door bestaande woningen in de nabije omgeving. Derhalve is niet langer in geschil dat het plan niet leidt tot een verdere beperking hiervan.

Voor zover [appellant sub 2] vreest dat als gevolg van realisering van het plan meer omwonenden overlast zullen ervaren van zijn veehouderij, overweegt de Afdeling dat de nieuwe woningen in het plangebied buiten de geurcontour van zijn veehouderij komen te liggen. Derhalve zal ter plaatse van de nieuwe woningen de maximale geurbelasting van 7,0 OU/m3 niet worden overschreden, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat dit plandeel een negatieve invloed heeft op de toekomstige vergunningverlening met betrekking tot de huidige bedrijfsvoering van zijn bedrijf.

agrarisch

Zie ook de handreiking NNM

 

Kenniscentrum InfoMil