6.5 Bestemmingsplan
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 6.5 Bestemmingsplan
6.6 Het bestemmingsplan
Bij het aspect geur en veehouderij in het bestemmingsplan gaat het aan de ene kant om de bronnen van geur (bijvoorbeeld een rundveehouderij, varkenshouderij of nertsenfokkerij) en aan de andere kant het mogelijk maken van geurgevoelige objecten (gebouwen zoals woningen, scholen, kantoren). In dit hoofdstuk komen de volgende situaties aan bod:
6.6.1 Nieuwbouw en/of uitbreiding van een veehouderij bij bestaande geurgevoelige objecten
6.6.2 Het bouwen van geurgevoelige objecten binnen een bestaande geurcontour
6.6.1 Nieuwbouw en/of uitbreiding van een veehouderij met geurcontour bij bestaande geurgevoelige objecten
Wat moet?
In het bestemmingsplan moet de afweging worden gemaakt of het toelaatbaar is om een veehouderij te vestigen of een bestaande veehouderij uit te breiden.
Om te komen tot een goede juridische regeling in het bestemmingsplan worden 3 stappen doorlopen:
- Het bepalen van de minimumafstand tussen de veehouderij en bestaande woningen, zodat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
- Het vastleggen van de afstand in de juridische regeling (verbeelding en regels).
- Een verantwoording van stap 1 en stap 2 in de plantoelichting.
Stap 1: vaststellen afstand:
Voor de verschillende onderdelen van een veehouderij: de dierenverblijven, de mestopslag, opslag van voer, mestverwerking en voerproduktie, gelden verschillende toetsingskaders en afstanden. Deze verschillende toetsingskaders en afstanden zijn te vinden in paragraaf 6.3.2.
Oprichten van een nieuwe veehouderij
Bij nieuwvestiging van een veehouderij is er nog geen omgevingsvergunning voor een vergunningplichtige inrichting aanwezig. Het bedrijf kan vallen onder Besluit landbouw en/of het Besluit mestbassins. Dan is een vaste minmumafstand bepaald in het besluit. De minimumafstand die de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten moeten aanhouden is geregeld via de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot geurgevoelige objecten.
Uitbreiding bestaand bedrijf
Bij uitbreiding van een bestaand bedrijf is er al een omgevingsvergunning voor een vergunningplichtige inrichting verleend of het bedrijf valt onder het Besluit landbouw en/of het Besluit mestbassins. De afstand die het bedrijf moet aanhouden is dan al geregeld. Het kan zijn dat de uitbreiding van het bedrijf er toe leidt dat de omgevingsvergunning moet worden aangepast. In dit geval is de Wgv weer van toepassing.
Stap 2: regeling bestemmingsplan
Nadat de minimumafstand tussen de veehouderij en de woningen is vastgesteld, volgt stap 2: het vastleggen van de afstand in het bestemmingsplan. Dat wil zeggen dat voor de geplande vestigingslocatie van de veehouderij de bestemming bedrijf wordt opgenomen .
Stap 3: toelichting bestemmingsplan
In de toelichting van het bestemmingsplan moet een paragraaf over geur zijn opgenomen. Hierin staan de twee bovengenoemde stappen beschreven. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 onder d Bro. In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart.
Indien de gemeente zelf beleid heeft geformuleerd, bijvoorbeeld via een gemeentelijke verordening, dan dient in de toelichting van het bestemmingsplan worden aangegeven dat de ontwikkelingen passen binnen dit gemeentelijk beleidskader.
Wat kan?
Cumulatie
Bij het vestigen of uitbreiden van bedrijven kan ook worden gekeken naar cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting). Dit is niet (meer) wettelijk verplicht vanuit de milieuwetgeving, maar in het kader van goede ruimtelijke ordening is het wel zorgvuldig voor het vaststellen van het woon- en leefklimaat. Dit volgt ook uit jurisprudentie.
Fysieke ruimte bedrijf vastleggen
Het bestemmingsplan kan de fysieke ruimte vastleggen die een bedrijf krijgt. Er zijn grofweg twee manieren waarop de veehouderij kan worden bestemd. De eerste is het opnemen van een ruime en globale bestemming. Het bedrijf krijgt dan een groot en ruim bouwvlak. Dit is handig om te doen als het wenselijk is om de veehouderij in de toekomst uitbreidingsruimte te geven. Hiermee is overigens nog geen ‘milieuruimte' aan het bedrijf toegekend. Het geuraspect wordt geregeld via de omgevingsvergunning. De tweede manier van bestemmen is het opnemen van een ‘smalle' maatbestemming. Hiermee is het bedrijf ruimtelijk begrensd. Bij uitbreiding is sprake van een nieuwe planologische situatie. In dit kader kunnen dan opnieuw de geschetste stappen worden doorlopen.
Geurcontour
In het bestemmingsplan kan eventueel een geurcontour worden opgenomen. Deze regelt uitsluitend dat binnen deze geurcontour geen woningen gebouwd mogen worden. Het bestemmingsplan regelt in principe niet de milieuruimte, maar wel de fysieke ruimte en het toegestane gebruik. In het SVBP is hiervoor de gebiedsaanduiding ‘milieuzone- geurzone' opgenomen.
Wat kan niet?
Het bestemmingsplan kan niet de milieubelasting van een bedrijf regelen anders dan via de Lijst van Bedrijfsactiviteiten, waarbij categorieën van bedrijven toegestaan zijn. Het bestemmingsplan kan niet regelen welke milieumaatregelen een bedrijf moet nemen om te zorgen voor een goed woon- en leefklimaat. Het bestemmingsplan stelt geen regels aan de bedrijfsvoering van de inrichting. Dit is geregeld via de omgevingsvergunning voor een vergunningplichtige inrichting.
6.6.2 Het bouwen van geurgevoelige objecten bij een bestaande geurcontour
Wat moet?
Het is in principe niet toegestaan nieuwe geurgevoelige objecten te bouwen binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf. Uit recente jurisprudentie is gebleken dat dit in uitzonderingssituaties wel mogelijk is, mits dit goed is onderbouwd en onder andere geurnormen in een verordening zijn vastgelegd. Overigens lag in deze casus ook ten grondslag dat er heel specifiek geuronderzoek beschikbaar was. Hoofdregel blijft niet bouwen binnen contouren.
Om te komen tot een goede juridische regeling in het bestemmingsplan worden 3 stappen doorlopen:
- Het bepalen van de minimumafstand tussen het bedrijf en bestaande woningen, zodat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
- Het vastleggen van de afstand in de juridische regeling (verbeelding en regels).
- Een verantwoording van stap 1 en stap 2 in de plantoelichting.
Stap 1: vaststellen afstand
Bij het bouwen van nieuwe geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) moet rekening worden gehouden met geurcontouren van veehouderijen. Die geurcontour kan het gevolg zijn van de dierenverblijven (hiervoor geldt de Wet geurhinder en veehouderij of het Besluit landbouw), mestopslag (hiervoor geldt het Besluit landbouw of het Besluit mestbassins), opslag van voer (bij kleinere bedrijven geldt hiervoor het Besluit landbouw), mestverwerking of voerproduktie (deze laatste twee worden beoordeeld volgens het toetsingskader voor de industrie).
Omgevingsvergunning
Aan de hand van de omgevingsvergunning voor een vergunningplichtige inrichting van bestaande agrarische bedrijven kan de bestaande geurcontour worden vastgesteld. Als een bedrijf nog volgens de oude regels (voor inwerkingtreding Wvg) is vergund, dan wordt de ruimte bepaald door de verleende vergunning. Het kan echter toch zinvol zijn om de consequenties van de Wvg mee te laten wegen. Een bestaand bedrijf kan ook al beoordeeld zijn volgens de Wvg. Zie hiervoor de geldende vergunning.
Besluit landbouw
In het Besluit Landbouw zijn vaste afstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen veehouderijen en de woonomgeving. Veehouderijen die onder dit besluit vallen, moeten hieraan voldoen. Informatie over bestaande geurcontouren en aan te houden afstanden staat in paragraaf 6.3.2 onder Wet geurhinder en veehouderij, Besluit landbouw milieubeheer en Besluit mestbassins.
Rekening houden met uitbreidingsmogelijkheden bestaande bedrijven
Bij het mogelijk maken van geurgevoelige objecten moet rekening worden gehouden met de uitbreidingsruimte die een veehouderij heeft op basis van het geldende bestemmingsplan. Deze verplichting komt voort uit jurisprudentie. Ruimtelijke ordening betreft het afwegen van belangen. Bij het opstellen van het bestemmingsplan moet in ogenschouw worden genomen dat iemand niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Een veehouderij heeft overigens geen ‘recht' op behoud van haar uitbreidingsmogelijkheden in de zin van een recht op uitbreiding van de milieuruimte die het bedrijf inneemt. Zie ook paragraaf 6.1.
Cumulatie (achtergrondbelasting)
Bij het bepalen van de geurcontour in het bestemmingsplan, is niet alleen de geurcontour van een individueel bedrijf van belang, maar kan ook sprake zijn van cumulatie van geurhinder indien in een gebied meerdere veehouderijen zijn gevestigd (achtergrondbelasting). Als het bestemmingsplan niet voortvloeit uit een gebiedsvisie die is opgesteld om afwijkende geurnormen in een verordening te onderbouwen, is het raadzaam om alsnog een gebiedsvisie op te stellen. Die gebiedsvisie omvat een berekening van de cumulatieve geurbelasting en de cumulatieve geurhinder.
Stap 2: juridische regeling bestemmingsplan
Nadat de minimumafstand tussen het bedrijf en de woningen is vastgesteld, volgt stap 2: het vastleggen van de minimumafstand in het bestemmingsplan tussen het geurveroorzakend bedrijf en geurgevoelige objecten. De geurgevoelige objecten kunnen bijvoorbeeld de bestemming ‘Wonen' krijgen. Deze bestemming mag zich niet binnen een geurcontour bevinden.
Stap 3: toelichting bestemmingsplan
Artikel 3.1.6 van het Bro regelt dat de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen bevat. Bij de keuze van de bestemmingen moet rekening worden gehouden met de geurcontouren. Het is dus ook verplicht om in de toelichting van het bestemmingsplan inzichtelijk te maken waar sprake is van geurcontouren. Indien de gemeente zelf beleid heeft geformuleerd, bijvoorbeeld via een gemeentelijke verordening, dan dient in de toelichting van het bestemmingsplan worden aangegeven dat de ontwikkelingen passen binnen dit gemeentelijk beleidskader.
Maatregelen
Het is mogelijk om de geurcontour te verkleinen, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen. Het nemen van maatregelen staat beschreven in paragraaf 6.4. Dit kan alleen als het desbetreffende bedrijf bereid is hieraan mee te werken. De kosten voor het treffen van maatregelen zijn voor de ontwikkelende partij. De maatregelen om de geurcontour te verkleinen moeten gewaarborgd zijn voordat de geurgevoelige bestemming juridisch mogelijk wordt gemaakt. Dit geldt dus ook bij het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid. In de toelichting wordt gemotiveerd op welke wijze het nemen van maatregelen is gewaarborgd. Dit kan bijvoorbeeld via een privaatrechtelijke overeenkomst.
Afwijken van normen via verordening
Het is ook mogelijk om af te wijken van de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Dit kan de gemeente regelen via een verordening. Als een gemeente via een verordening de normen voor geurhinder wil regelen is het verplicht om cumulatie van geurhinder te onderzoeken. Op deze manier kan ook de geurcontour verkleind worden. Meer informatie is te vinden in paragraaf 6.3.2 onder verordening en onder reconstructiewet concentratiegebieden.
Kostenverhaal
Artikel 6.12 Wro regelt dat de kosten van nieuwe ontwikkelingen kunnen worden verhaald op de grondeigenaar. Hiertoe stelt men een exploitatieplan op. De kosten van het wegnemen van geurcontouren kunnen in het exploitatieplan worden opgenomen. In artikel 6.2.4 onder d van het Besluit ruimtelijke ordening staat vermeld dat kosten van maatregelen, mede inbegrepen het beperken van milieuhygiënische contouren meegerekend kunnen worden. Het opstellen van een exploitatieplan is verplicht, tenzij de kosten anderszins kunnen worden verhaald, bijvoorbeeld via een privaatrechtelijke overeenkomst.
Geurcontouren op verbeelding
Het is mogelijk om geurcontouren op de verbeelding te zetten. Op deze manier is eenvoudig te achterhalen waar geurcontouren liggen. Het nadeel van het opnemen van geurcontouren op de verbeelding, is dat geurcontouren tussentijds kunnen wijzigen. Daarom is het aan te bevelen om in het bestemmingsplan een wijzigingsmogelijkheid op te nemen om de geurcontour te vergroten of te verkleinen.
Ontheffingsmogelijkheden
In het bestemmingsplan kunnen ontheffingsmogelijkheden, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen opgenomen worden, de zogenaamde flexibiliteitsbepalingen. In principe geldt voor de flexibiliteitsbepalingen ook dat geen situatie mag ontstaan die strijdig is met de genoemde regelgeving en jurisprudentie. De flexibiliteitsbepalingen kunnen wel worden gebruikt in combinatie met de voorwaarde dat sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat. De toelichting van het bestemmingsplan bevat tevens informatie over de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de flexibiliteitsbepalingen.
Wijzigingsmogelijkheden
Indien op voorhand voldoende duidelijk is dat de veehouderij binnen de planperiode (10 jaar) zal stoppen is het mogelijk om in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen. Deze wijzigingsbevoegdheid regelt dat de gronden ter plaatse van de geurcontour kunnen worden gewijzigd in de bestemming ‘Woongebied' onder voorwaarde dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er is alleen sprake van een goed woon- en leefklimaat als uitgesloten is dat na het vertrek van de huidige veehouderij zich weer een nieuw bedrijf kan vestigen. Er mag dus geen agrarische bedrijfsbestemming meer liggen op de locatie. Dit kan binnen het bestemmingsplan geregeld worden door tevens een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, waarmee de bestemming ‘agrarisch bedrijf' van de verbeelding kan worden verwijderd.
Uitwerkingen
Daarnaast kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat het plan verder kan worden uitgewerkt, de zogenaamde uitwerkingsplicht. Bij het opnemen van een uitwerkingsplicht moet duidelijk zijn dat de plandelen met een uit te werken bestemming zodanig kunnen worden verwezenlijkt dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (ABRvS nr 200705533/1 van 10 september 2008).
Wat kan niet?
De bouw van geurgevoelige objecten in een geurcontour is in principe niet toelaatbaar. Voor het maken van een uitzondering zullen zeer zwaarwegende belangen aan de orde moeten zijn.

