7.4 Maatregelen

7.4 Maatregelen

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: 7.4 Maatregelen

Bronmaatregelen zijn in de meeste gevallen niet voldoende om de schadelijk effecten van de emissie en deposite van ammoniak uit de veehouderijen te voorkomen of voldoende te beperken. Via het ruimtelijke ordeningsspoor kan door zonering schade aan bossen en natuurgebieden op zuurgevoelige bodems beperkt of voorkomen worden.

Maatregelen in de omgeving/ruimtelijke zonering
Naast het toepassen van de (generieke) milieuwetgeving zijn ruimtelijke maatregelen op gebiedsniveau noodzakelijk (bestemmingsplan Buitengebied) om bepaalde natuurgebieden te beschermen. Daarbij wordt in eerste instantie gedacht aan een zonering binnen en langs de bossen en natuurgebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Op basis van de Nota Ruimte is een zonering rond de meest kwetsbare gebieden zelfs verplicht gesteld. Zonering langs de EHS en de kwetsbare gebieden houdt in dat in het bestemmingsplan een differentiatie wordt aangebracht in de bouwmogelijkheden voor veestallen al naar gelang hun ligging in meer of minder kwetsbare delen van het landelijk gebied.
Vaak betekent dit:

  • geen nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in en rond de zeer kwetsbare gebieden
  • minder bouwmogelijkheden voor veestallen binnen of direct langs de EHS (extensiveringszones)
  • ‘normale’ bouwmogelijkheden in overige delen van het agrarische gebied.

NB: de beperkte bouwmogelijkheden gelden alleen voor veestallen en dus niet voor werktuigenloodsen e.d.
Het beperken van de bouwmogelijkheden voor veestallen kan plaatsvinden door:

  • het beperken van de omvang van de agrarische bouwpercelen in de kwetsbare gebieden c.q. de extensiveringszones en/of;
  • het hanteren van een bebouwingspercentage voor de agrarische bouwpercelen.

Naast het beperken van de bouwmogelijkheden is ook uitplaatsing van veehouderijen naar gebieden waar betere ontwikkelingsmogelijkheden aanwezig zijn, een goede oplossing. Beide opties volgen uit de reconstructie. De in te zetten instrumenten zijn het bestemmingsplan (Buitengebied) en daarnaast de Wav (geen toename van ammoniakdepositie nabij kwetsbare gebieden), de verlening van een omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Reconstructiewet (aanwijzing van extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden). De ruimtelijke onderdelen van het reconstructieplan dienen op grond van de Reconstructiewet te worden vastgelegd in het bestemmingsplan (Buitengebied).

Natuurgebieden die krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 zijn aangewezen worden beschermd door de Natuurbeschermingswetvergunning. Daarnaast is een belangrijk beschermingsinstrument het beheersplan dat de provincie op grond van artikel 17 van de Nb-wet kan opstellen. In dat beheersplan kan voor de ammoniakdepositie worden vastgelegd welke consequenties gelden voor veehouderijen in en om het natuurgebied.

Maatregelen aan de bron
Vermindering van ammoniakemissie vanuit stallen kan worden bereikt door het toepassen van emissiearme technieken en/of door het verminderen van het aantal te houden dieren. Deze generieke maatregelen zijn gericht op het terugdringen van de achtergronddepositie van ammoniak en zijn voor ruimtelijke ordening minder relevant. Instrumenten voor de toepassing van emissiearme technieken zijn het besluit huisvesting en de doorwerking van de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij in de omgevingsvergunning voor grote intensieve veehouderijen.

leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil