7.2 Toelichting
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 7.2 Toelichting
De depositie van stikstof wordt voor 66% veroorzaakt door Nederlandse bronnen. De Nederlandse agrarische sector draagt 52% bij aan de totale stikstofdepositie. De emissie van ammoniak (NH3) in gebieden met veel intensieve veehouderij, zoals de Peel, de Gelderse Vallei en delen van de Achterhoek en Twente, zorgt voor een aanzienlijke verhoging van de stikstofdepositie in deze gebieden (zie figuur 7.1). Kijk voor de meest recente cijfers over verzurende depositie uit de landbouw op de site van het Milieu en Natuur Planbureau.

Depositie van stikstof en zuur beïnvloedt de bodemkwaliteit en daarmee op termijn de grondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit en kan leiden tot aantasting van de samenstelling van flora en fauna (achteruitgang biodiversiteit), de boomgroei en de vitaliteit van ecosystemen (grotere gevoeligheid voor stressfactoren als vorst en insectenplagen).
De depositie van stikstof lag tot 1995 gemiddeld in Nederland vrijwel onveranderd rond 3.000 mol stikstof/ha/jaar. Een lichte daling van de depositie van geoxideerde stikstofverbindingen (NOx) en de recente vermindering in de depositie van gereduceerde stikstofverbindingen (NHx) heeft geleid tot een afname van de stikstofdepositie tot een niveau van gemiddeld 2110 mol/ha/jr in 2004. In 2005 en 2006 is de stikstofdepositie weer licht toegenomen tot 2240 mol/ha/jr. Zie ook het Milieu en Natuurcompendium.
De hoge deposities in de concentratiegebieden zijn te wijten aan het feit dat ammoniak (in tegenstelling tot bijvoorbeeld NOx) voor een aanzienlijk deel dicht bij de bron neerslaat. Uit figuur 7.2 blijkt dat ongeveer 30% van de ammoniak in de eerste vijf kilometer neerslaat. De depositie van het overige deel vindt in de vorm van NH4 plaats verspreid over een gebied tussen de vijf en duizend kilometer van de bron.

Omdat de ammoniakdepositie dus sterk samenhangt met de afstand tot de bronnen ( i.c. de veehouderijen, zowel intensieve veehouderijen als rundveebedrijven) is er een duidelijke relatie met de ruimtelijke ordening. De ligging van veehouderijen ten opzichte van voor verzuring gevoelige natuur is dus van groot belang voor het behoud van die natuur.

